Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- De chronologie van contactmomenten met de juridisch adviseur komt niet overeen met de verklaringen van eiser over de reden van zijn asielaanvraag. Gelet op eisers verklaringen zou hij rond 26 oktober 2017 dan wel een paar dagen voor de afloop van de geldigheid van zijn visum op 3 november 2017 via een telefoontje met de voorganger van de huiskerk in Iran op de hoogte zijn geraakt van de arrestatie van christelijke vrienden, waardoor zijn vrees voor problemen bij terugkeer is ontstaan. Eiser heeft echter op 10 oktober 2017, via zijn moeder, te kennen gegeven in Nederland te willen blijven en de juridisch adviseur benaderd voor bijstand tijdens de asielprocedure, die op 18 oktober 2017 contractueel is vastgelegd. Het contract voor bijstand tijdens de asielprocedure bestond daarmee al ten tijde van de door eiser gestelde problemen.
- Uit de weergave van gesprekken tussen (de moeder van) eiser en de juridisch adviseur in oktober en november 2017
.De minister wijst er terecht op dat een beoordeling van de geloofwaardig van een gestelde afvalligheid een ander beoordelingskader kent dan dat van een politieke overtuiging. Voor zover eiser meent dat hij in Iran gevaar loopt als hij zijn huidige levensstijl en gedragingen bij terugkeer voortzet, verwacht de minister niet ten onrechte dat eiser zich weer kan houden aan de normen van de Iraanse maatschappij. De minister heeft immers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser afvallig is, terwijl uit het onderzoek naar de juridisch adviseur en uit de gehoren volgt dat godsdienst geen reden was om uit Iran te vertrekken en dus ook geen beletsel om terug te keren. Daar waar eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024 [27] , merkt de rechtbank op dat in dat geval de afvalligheid geloofwaardig was geacht. Van een geloofwaardige afvalligheid is in eisers geval geen sprake. Het beroep op die uitspraak gaat dus niet op.
fundamentelepolitieke overtuiging verlangt [29] en dat de minister zich gelet op zijn verklaringen en bezien binnen de context van Iran bovendien ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. [30] Verder miskent de minister volgens eiser dat zijn politieke en religieuze mening onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Afvalligheid wordt gezien als een mening die niet overeenstemt met het grondbeginsel van de islamitische republiek. Ook is zijn politieke mening gemotiveerd vanuit zijn familieachtergrond. Het feit dat zijn eerdere Instagram-account door acties van de Iraanse cyberpolitie is gewist, geeft volgens eiser bovendien blijk van een persoonlijke aandacht voor hem van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Ten aanzien van de overweging van de minister dat zijn politieke activiteiten enkel zouden zijn ingegeven door de wens om in het bezit te raken van een verblijfsvergunning, verwijst eiser naar rechtspraak van de Afdeling. [31]
.De minister verwacht niet ten onrechte van eiser dat hij over zijn politieke opvattingen die aan zijn politieke uitingen ten grondslag liggen uitgebreider en gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Eiser stelt immers zelf dat hij al in Iran een politieke overtuiging heeft ontwikkeld, dat hij zijn politieke activiteiten in Nederland heeft geïntensiveerd en dat zijn politieke overtuiging diepgeworteld is. Ook mocht de minister bij zijn beoordeling betrekken dat de tijdlijn en handelswijze van eiser erop lijken te duiden dat de activiteiten die eiser in het kader van zijn politieke overtuiging verricht, niet zozeer zijn ingegeven door een intrinsieke motivatie achter zijn politieke overtuiging, maar vanuit de wens en met als doel om in het bezit te raken van een verblijfsvergunning. Dat mocht de minister baseren op de constatering dat eiser in Nederland pas aan demonstraties is gaan deelnemen drie jaar na zijn asielaanvraag en nadat aan hem een voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag bekend was gemaakt, terwijl eiser ook heeft verklaard dat hij in Iran heeft gedemonstreerd en hij zijn politieke mening daar al wilde uiten maar dat niet kon uit angst voor de autoriteiten. Verder constateert de minister in dit verband terecht dat eiser zijn (politieke) activiteiten op sociale media gaandeweg, en vooral nadat hij werd geconfronteerd met een (voorgenomen) afwijzing van zijn asielaanvraag, is gaan intensiveren. De rechtbank acht het onder die omstandigheden niet onterecht dat de minister bij zijn beoordeling betrekt dat de activiteiten die eiser in het kader van zijn politieke overtuiging verricht en de intensiteit daarvan, van doelmatige, instrumentele aard lijken te zijn en in mindere mate zijn ingegeven door een intrinsieke motivatie vanuit een sterke politieke overtuiging. Anders dan eiser veronderstelt, werpt de minister hem hiermee geen misbruik van recht tegen. De verwijzing van eiser naar de Afdelingsuitspraken van 11 februari 2016 en 29 mei 2024 treft dan ook geen doel.
.Volgens landeninformatie wordt niet iedere Iraniër bij terugkeer ondervraagd door de autoriteiten. [39] Veel van de factoren die in dat verband een risico opleveren, doen zich bij eiser niet voor. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij al in de verhoogde belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat en evenmin dat zij op de hoogte zijn van zijn asielaanvraag. Eiser heeft geen dubbele nationaliteit en niet wordt ingezien dat eiser niet op een nieuw aan te vragen paspoort kan terugkeren. Het is dan ook niet aannemelijk dat hij zal worden ondervraagd. Bovendien blijkt niet dat terugkerende afgewezen asielzoekers die wel worden ondervraagd, systematisch te maken krijgen met of hebben te vrezen voor zwaarwegende problemen. Eventuele monitoring van eiser door de Iraanse autoriteiten nadat hij de luchthaven heeft verlaten – die de minister onwaarschijnlijk acht – maakt de beoordeling van het risico niet anders omdat niet wordt aangenomen dat eiser in religieus of politiek verband de negatieve aandacht van de autoriteiten op zich zal vestigen. De minister verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt nog naar een uitspraak van deze rechtbank. [40]