ECLI:NL:RBDHA:2025:7369
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking van asielvergunningen wegens verstrekking onjuiste gegevens en ongeloofwaardigheid asielrelaas
De rechtbank Den Haag heeft op 1 mei 2025 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken betreffende de intrekking van asielvergunningen van drie eisers, een moeder en haar twee zoons, allen Iraanse nationaliteit. De vergunningen waren met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, met name het vermeend kopen en instuderen van een asielrelaas van een strafrechtelijk veroordeelde juridisch adviseur.
De minister van Asiel en Migratie stelde dat het asielrelaas niet authentiek was en baseerde dit op onder meer afgeluisterde telefoongesprekken, contracten, kwitanties en overeenkomsten tussen het verhaal van de adviseur en dat van eisers. De rechtbank vond dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de onjuiste gegevens doorslaggevend waren voor de vergunningverlening. Eisers konden niet aannemelijk maken dat zij alsnog in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning op basis van de huidige situatie.
De rechtbank oordeelde ook dat de belangenafweging, onder meer op grond van artikel 8 EVRM Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn, niet in het voordeel van eisers uitviel. De intrekking was proportioneel en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepen werden ongegrond verklaard en eisers kregen geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de asielvergunningen van eisers wegens onjuiste gegevens die doorslaggevend waren voor de vergunningverlening.