ECLI:NL:RVS:2024:2230
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van het Unierechtelijk verbod op misbruik van recht in asielprocedure
De zaak betreft een tweede asielaanvraag van een Iraanse Ahwazi die eerder een vernietigd besluit had gekregen wegens onvoldoende motivering over zijn deelname aan pro-Ahwazi demonstraties in Nederland.
De staatssecretaris wees de aanvraag opnieuw af wegens misbruik van recht, omdat de vreemdeling volgens hem alleen de indruk wilde wekken politiek actief te zijn om verblijfsrecht te verkrijgen. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het Unierechtelijk verbod op misbruik van recht niet zonder implementatie van artikel 5 lid 3 Kwalificatierichtlijn Pro toegepast kon worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat het verbod van misbruik een algemeen Unierechtelijk beginsel is dat ook binnen het asielrecht geldt, ongeacht de implementatie van de richtlijn. Wel moet de staatssecretaris de motivering voor misbruik zorgvuldig onderbouwen met objectieve en subjectieve elementen.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris dit niet had gedaan en vernietigde het besluit. De vreemdeling krijgt een nieuwe beoordeling waarbij het verbod van misbruik wel kan worden betrokken, maar met inachtneming van het non-refoulementbeginsel en een zorgvuldige motivering. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wegens misbruik van recht wordt vernietigd vanwege ondeugdelijke motivering.