Uitspraak
Beschikking op het op 25 november 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Procedure
Verzoek en het standpunt van de IND
1) vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker;
althans
verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren;
Feiten
- Verzoeker is op [geboortedatum] 1955 geboren te [geboorteplaats] (Suriname). Bij zijn geboorte verkreeg verzoeker van rechtswege de Nederlandse nationaliteit.
- In 1975 is verzoeker vanuit Suriname in Nederland gaan wonen. Uit de Basisregistratie Personen volgt als datum van eerste inschrijving in Nederland 10 september 1975.
- Op 25 november 1975 (verzoeker was toen meerderjarig) werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS) in werking. Op grond van artikel 3 van Pro deze overeenkomst behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in Suriname is geboren maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had.
- Op 21 oktober 2008 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet.
- Bij besluit van 25 oktober 2010 van de President van de Republiek Suriname is aan verzoeker met ingang van 25 oktober 2010 de Surinaamse nationaliteit verleend, waarbij verzoeker erop is gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen omdat anders de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken.
- Bij brief van 30 december 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat hij de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zou hebben verloren.
- Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort, geldig tot [datum] 2027.
Beoordeling
Voor zover de rechtbank van oordeel is dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit wél heeft verloren, stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht zou moeten herkrijgen vanwege: 1) schending van het evenredigheidsbeginsel en 2) omdat – met inachtneming van artikel 12 lid 4 IVBPR Pro – sprake is geweest van willekeur toen verzoeker bij zijn vertrek naar Suriname in oktober 2008 werd verplicht om de Surinaamse nationaliteit aan te vragen.
:“Uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN Pro, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN Pro, volgt
dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN Pro van de documenten die kunnen gelden als verklaring
omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt voorts met
het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van
rechtszekerheid (vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 26-27)”.
Tjebbes), punt 40, onder verwijzing naar HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (
Rottmann), punten 55-56.
Tjebbes), punten 44-46, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.2.
Chavez-Vilchez), punt 60.
12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423), rechtsoverweging 11.2, overwogen dat en waarom naar haar oordeel als moment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel heeft te gelden het moment van het verlies van het Nederlanderschap. Bij de toetsing dienen niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Het is daarbij aan betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor vermelde beschikking van 3 april 2020 de rechtbank op voormelde overweging van de Raad van State gewezen. De rechtbank zal in deze zaak het door de Raad van State gehanteerde peilmoment hanteren en de evenredigheidstoets aanleggen op het moment van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap, dus op 25 oktober 2020.
Artikel 12 van Pro het IVBPR luidt: