ECLI:NL:RBDHA:2025:11246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
NL24.46371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 15 KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag uit Jemen wegens onvoldoende motivering minister

Eiser, van Jemenitische nationaliteit, diende op 5 juni 2023 een asielaanvraag in die op 18 november 2024 werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De minister erkende het asielmotief maar vond het risico op ernstige schade bij terugkeer onvoldoende aannemelijk, mede vanwege een vermeende verbeterde veiligheidssituatie in Jemen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, gelet op de precaire humanitaire situatie in Jemen en zijn persoonlijke omstandigheden, geen reëel risico loopt. De minister verwees slechts globaal naar het landenbeleid zonder de situatie van eiser individueel en in samenhang met de algemene situatie te beoordelen.

Daarnaast concludeert de rechtbank dat de minister onvoldoende rekening hield met de langdurige afwezigheid van eiser uit Jemen en het ontbreken van concrete informatie over risico’s voor terugkerenden. Het ontbreken van een duidelijke motivering over de relatie tussen het geweld en de strijdende partijen en de persoonlijke situatie van eiser leidt tot een motiveringsgebrek.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering, met opdracht aan de minister tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46371
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Muijlkens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. Hij heeft op 5 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Sharbat als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Sinds het uitbreken van de oorlog in 2015 is eiser niet meer in Jemen geweest. Hij verklaart dat zijn vader werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Jemen en dat hij zelf om die reden beschikt over een diplomatiek paspoort. Volgens eiser heeft zijn vader hem gewaarschuwd dat terugkeer naar Jemen gevaarlijk is, omdat hij het risico loopt te worden ontvoerd en vervolgens als drukmiddel te dienen om zijn vader te dwingen terug te keren naar Jemen. Daarnaast vreest eiser voor de algemene situatie in Jemen, de Houthi’s en racisme.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas bevat volgens de minister één asielmotief:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst.
5.1.
De minister acht het asielmotief geloofwaardig. De minister is echter van oordeel dat het asielmotief niet zwaarwegend genoeg is om te leiden tot een vluchtelingenstatus. Volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hoewel de minister onderkent dat in Jemen sprake is van willekeurig geweld, is de algemene veiligheidssituatie volgens de minister zodanig verbeterd dat niet elke burger bij terugkeer gevaar loopt. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende aangetoond dat hij, gelet op zijn individuele omstandigheden en de intensiteit van het willekeurig geweld, risico loopt op ernstige schade.
Reëel risico op ernstige schade
Algemene humanitaire situatie in Jemen
6. Eiser voert aan dat de minister de situatie in Jemen onjuist heeft beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom terugkeer naar Jemen geen verhoogd risico met zich mee zou brengen omdat in Jemen sprake is van een situatie als bedoeld in Artikel 15, aanhef en onder c (15c), van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar diverse documenten, waaronder het ambtsbericht van Jemen van september 2023 (het ambtsbericht), de beslisnota van 29 september 2023i, en uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van zittingsplaatse Middelburg van 15 januari 2024, 30 januari 2025 en 17 maart 2025, van zittingsplaats Utrecht van 13 december 2024 en van zittingsplaats Amsterdam van 25 oktober 2024 en 28 november 2024.ii Daarnaast verwijst eiser naar het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011 en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024.iii
6.1.
Het landenbeleid van de minister voor Jemen volgt uit paragraaf C7/19.4.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Dit beleid is gewijzigd met de WBV 2024/9 op 22 april 2024. Sindsdien gaat de minister er niet langer vanuit dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Jemen, waarin iemand door zijn enkele aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van X. en Y. van 9 november 2023 uitleg gegeven over de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en de verschillende gradaties van willekeurig geweld die voor kunnen komen.iv De minister heeft voor Jemen een hoge mate van willekeurig geweld aangenomen. Dat houdt in dat een vreemdeling uit Jemen op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, gezien de algemene situatie in Jemen, al dan niet in samenhang met zijn individuele omstandigheden, niet in aanmerking komt voor bescherming. De minister kan daarbij niet volstaan met een algemene verwijzing naar het landenbeleid in de Vc. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de eerder vermelde uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2024. De rechtbank maakt die overwegingen tot de hare. De minister dient te motiveren waarom de – ook door hem erkendev – (precaire) humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate het gevolg is van het directe handelen van de strijdende partijen. De minister heeft onvoldoende toegelicht op welke wijze het ambtsbericht, het arrest Sufi en Elmi en de door eiser overgelegde uitspraken van de nationale rechters zijn betrokken bij de beoordeling in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Evenmin heeft de minister gemotiveerd hoe is vastgesteld dat de situatie in Jemen niet in overwegende mate voortvloeit uit het handelen van strijdende partijen. Zonder een duidelijke afweging hierover is niet uit te sluiten dat nog altijd sprake is van de meest uitzonderlijke situatie. De minister dient zowel de algemene veiligheidssituatie als de persoonlijke omstandigheden van eiser in samenhang te beoordelen. Het is zijn verantwoordelijkheid om vast te stellen of de humanitaire omstandigheden in Jemen voor eiser een daadwerkelijk risico opleveren op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer. Nu de minister dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Individuele omstandigheden
7. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. In het bijzonder wijst hij op het feit dat hij beschikt over een diplomatiek paspoort vanwege de werkzaamheden van zijn vader. Daarnaast stelt hij dat zijn langdurige afwezigheid uit Jemen een relevante omstandigheid is die moet worden meegewogen, met verwijzing naar een uitspraak van 31 oktober 2024 van deze rechtbank.vi
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het diplomatieke paspoort en de werkzaamheden van eisers vader niet hebben kunnen leiden tot een reëel risico op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft deze stellingen namelijk niet onderbouwd en het feit dat hij en zijn familieleden Jemen legaal hebben kunnen verlaten met een diplomatiek paspoort biedt onvoldoende aanwijzingen voor een reëel gevaar bij terugkeer. Daarnaast heeft eiser niet toegelicht hoe de Houthi’s bekend zouden kunnen zijn met zijn diplomatieke status. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt mogen stellen dat eiser hiermee geen persoonlijke, concrete dreiging aannemelijk heeft gemaakt, vooral nu is gebleken dat zijn vader geen hoge of publieke functie binnen het diplomatieke apparaat vervult.vii
7.2.
Wat betreft de langdurige afwezigheid van eiser, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Jemen. De rechtbank stelt vast dat het ambtsbericht vermeldt dat er een incompleet beeld van de situatie van terugkerende Jemenieten bestaat door een gebrek aan feitelijke informatie.viii De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit gebrek aan informatie zou impliceren dat eiser geen vrees heeft bij terugkeer. Het ontbreken van concrete informatie kan namelijk niet zonder meer als bewijs worden aangemerkt dat er geen risico bestaat. Het had op de weg van de minister gelegen om hier nader onderzoek naar te verrichten. Nu de minister dit heeft nagelaten, vormt dit een motiveringsgebrek in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt omdat deze in strijd met de motiveringsplicht is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 18 november 2024;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 mei 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i Zie nota Landenbeleid Jemen van 29 september 2023 met kenmerk 4939551.
iii ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 en ECLI:RVS:2024:2927.
iv ECLI:EU:C:2023:843.
v Zie pagina 3 van het bestreden besluit.
vii Zie pagina 11 van het rapport nader gehoor.
viii Zie pagina 50 van het ambtsbericht.