Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 3:46 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en bijzondere omstandigheden
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 mei 2025 waarbij de minister de asielaanvraag niet in behandeling nam omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat er structurele tekortkomingen zijn in de Franse asielprocedure en opvang, waardoor overdracht aan Frankrijk in strijd is met artikel 3 EVRMPro en artikel 4 vanPro het Handvest. Hij verwees naar meerdere AIDA-rapporten en jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen die overdracht onmogelijk maken.
Eiser voerde voorts aan dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde het besluit om die reden.
De rechtbank liet echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand, gelet op de nadere motivering van de minister tijdens de zitting, waarin werd toegelicht waarom artikel 17 nietPro werd toegepast. De minister had voldoende gemotiveerd dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die overdracht onevenredig hard maken.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van €1814,-. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Kuipers en griffier T. Rommes op 6 juni 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand, en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20331
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert - samengevat - aan dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Frankrijk. Daarbij wijst hij erop dat 50% van de asielzoekers geen opvang krijgt. Die kans is nog groter bij alleenstaande, volwassen mannen, zoals eiser. Eiser beroept zich hierbij op het AIDA-rapport van 2023 over Frankrijk, alsook de AIDA-rapporten van 2022, 2021 en 2020. Hieruit blijkt dat dit een structureel probleem is. Volgens eiser is een overdracht aan Frankrijk daarom in strijd met artikel 3 EVRMPro en artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De minister had daarom onderzoek moeten verrichten naar de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Frankrijk. De minister kan niet onkundig zijn van de gebreken in de opvang, waarbij er geen zicht op verbetering is. Eiser beroept zich daarbij op het arrest X van 29 februari 2024.2 Verder verwijst eiser naar het arrest van het EHRM van 2 juli 2020, waaruit blijkt dat asielzoekers in Frankrijk gedurende de asielprocedure aanzienlijke tijd in inhumane en erbarmelijke leefomstandigheden verkeerden.3
6. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister in zijn algemeenheid ervan uitgaan dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest. Van een schending van artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure, het opvangsysteem of de medische zorg, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.4
7. De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 2 mei 20245 geoordeeld dat er ten aanzien van Frankrijk uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij heeft de Afdeling het AIDA-rapport “Country Report: France 2022 Update” betrokken. In de uitspraak van 30 augustus 20246 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport “Country Report: France 2023 Update” geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers schetst dan al eerder naar voren is gekomen in de vorige rapporten van AIDA over Frankrijk. In de uitspraak van 11 april 20257 heeft de Afdeling deze lijn bevestigd. Uit de AIDA-rapporten blijkt - zo stelt eiser terecht - dat er al jarenlang een tekort is aan opvangplaatsen in Frankrijk. Ook blijkt daaruit dat voornamelijk alleenstaande, volwassen mannen het risico lopen om geen opvang te krijgen in Frankrijk, omdat de vraag naar opvangplekken groter is dan het aantal opvangplekken. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 30 augustus 2024 en 3 oktober 20248 geoordeeld dat de AIDA-rapporten over Frankrijk een vrij constant beeld tonen van de problemen in de asielopvang, maar dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat voor Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieruit volgt dat de Afdeling in haar beoordeling aldus wel de situatie over een aaneengesloten, langere periode betrekt. Met de verwijzingen naar de AIDA-rapporten en het arrest van het EHRM van 2 juli 2020, heeft eiser – zo stelt de minister terecht - naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat op dit moment in Frankrijk sprake is van ernstige structurele tekortkomingen ten aanzien van de asielprocedure of opvangvoorzieningen. Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat opvang voor eiser - voor een langere periode - in Frankrijk onmogelijk of geheel ontoegankelijk zal zijn. Ook kan eiser niet uit eigen ervaring vertellen over de toegang tot de opvang voor Dublinclaimanten. Dat de minister in dit geval aanleiding had moeten zien om zelf nader onderzoek te verrichten naar de situatie in Frankijk, volgt de rechtbank niet. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan kan uitgaan dat eiser als Dublinclaimant overeenkomstig de internationale verplichtingen zal worden behandeld. Verder kan eiser zich bij voorkomende problemen in Frankrijk wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2024:195.
3 28820/13, 75547/13, 13114/15 ( N.H. en anderen tegen Frankrijk).
4 Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.
8. Eiser voert aan dat de minister zijn verzoek om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid neergelegd in artikel 17 vanPro de Dublinverordening ten onrechte niet in het bestreden besluit heeft beoordeeld. De minister heeft het betoog - dat vanwege het tekort aan opvangplekken en het moeilijk kunnen verkrijgen van toegang tot de asielprocedure er sprake is van schending van internationale verplichtingen - enkel getoetst in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat is onjuist. Volgens eiser had de minister gebruik moeten maken van artikel 17 vanPro de Dublinverordening, omdat sprake is van concrete aanwijzingen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Frankrijk handelt in strijd met de Opvangrichtlijn. De minister had daarom – gelet op het beleid neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) – de aanvraag aan zich moeten trekken of in ieder geval moeten motiveren waarom van het beleid wordt afgeweken. De minister is namelijk in beginsel gehouden om overeenkomstig zijn beleid te handelen.
9. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister deze door eiser genoemde omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. Op de vraag of de minister de aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening wordt in het bestreden besluit door de minister niet ingegaan. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering en komt op grond van het bepaalde in artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
10. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand te laten, gelet op de ter zitting gegeven motivering van de minister. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
11. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen9 is het aan de minister om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechter zal die beoordeling terughoudend moeten toetsen. Verder heeft de Afdeling in de uitspraak van 25 februari 2025 bevestigd dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij voor een lidstaat mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid – neergelegd in artikel 17 vanPro de Dublinverordening - niet gebruikt. Die beoordeling is immers ook toegespitst op de concrete omstandigheden van de vreemdeling. Het staat de minister volgens de Afdeling vrij om besluiten op deze manier te motiveren.10
12. Ter zitting heeft de minister zich alsnog uitgelaten over dat wat eiser in het kader van zijn beroep op artikel 17 vanPro de Dublinverordening heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister - gelet op voorgenoemde jurisprudentie - met de ter zitting gegeven toelichting deugdelijk gemotiveerd waarom dat wat door eiser is aangevoerd over de gebreken in de asiel- en opvangprocedure in Frankrijk niet leidt tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft, in lijn met het beleid in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, beoordeeld of er concrete aanwijzingen zijn dat – in dit geval – Frankrijk zijn internationale verplichtingen, waaronder de verplichtingen voortvloeiend uit de Opvangrichtlijn, niet nakomt. Daarbij heeft de minister aangegeven dat er weliswaar tekortkomingen in de asielprocedure en met name de opvangvoorzieningen in Frankrijk zijn, maar dat deze niet voldoende ernstig zijn om de aanvraag aan zich te trekken. Daarnaast heeft de minister ook betrokken dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die overdracht aan Frankrijk onevenredig hard maken. Hiermee is het voldoende kenbaar waarom de minister zijn aanvraag niet onverplicht in behandeling neemt.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
14. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft eiser ter zitting vertegenwoordigd. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juni 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.