ECLI:NL:RBDHA:2024:13899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens overdracht aan Frankrijk volgens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 30 augustus 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had op 8 mei 2024 een verzoek tot overname aan Frankrijk gedaan, dat op 21 mei 2024 werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat hij vreest voor schending van zijn rechten bij overdracht aan Frankrijk, met name op grond van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU, vanwege mogelijke tekortkomingen in opvang en medische zorg. Ook stelde hij dat hij bijzondere kwetsbaarheid heeft vanwege medische klachten en dat de minister daarom individuele garanties had moeten vragen of de asielaanvraag zelf in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd waaruit blijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer toepasbaar is. Er zijn geen aanwijzingen voor structurele tekortkomingen in Frankrijk die een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling opleveren. Ook werd onvoldoende onderbouwd dat eiser bijzonder kwetsbaar is in de zin van het Tarakhel-arrest. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om artikel 17 toe Pro te passen.
Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep is kennelijk ongegrond verklaard en eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk.