ECLI:NL:RBDHA:2023:18725

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
NL23.18766
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en Dublinverordening: Verantwoordelijkheid Bulgarije voor behandeling van asielverzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 november 2023 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eiser, een Syrische nationaliteit hebbende persoon, zijn asielaanvraag in Nederland had ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op basis van de Dublinverordening. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarbij hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft de zaak gelijktijdig behandeld met twee andere zaken.

De rechtbank overweegt dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Bulgarije niet in staat is om zijn asielaanvraag op een humane manier te behandelen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bevestigd dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft weliswaar gewezen op tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure, maar de rechtbank oordeelt dat hij niet heeft aangetoond dat hij in Bulgarije zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling.

De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat hij niet heeft kunnen onderbouwen dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden ondermijnen. De rechtbank wijst erop dat Bulgarije met de aanvaarding van het terugnameverzoek heeft gegarandeerd dat het asielverzoek van eiser in behandeling zal worden genomen, met inachtneming van de relevante Europese wet- en regelgeving. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van prejudiciële vragen van een andere rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18766

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de zaken NL23.12418 en NL23.12420 op 16 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Bourik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 27 november 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Verweerder heeft Bulgarije daarom verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 3 februari 2023 hebben de Bulgaarse autoriteiten dit verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert hiertoe het volgende aan. Ten aanzien van Bulgarije kan niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel eiser bekend is met de meest recente uitspraken van de Afdeling [2] over Bulgarije stelt eiser dat in die uitspraken geen oordeel is gegeven over de kwaliteit van de opvangvoorzieningen, detentie en toegang tot rechtsbijstand in Bulgarije. [3] Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle. [4] Eiser heeft zich daarnaast ter zitting op het standpunt gesteld dat niet kan worden gesproken van effectieve rechtsbescherming afkomstig van NGO’s vanwege alle andere tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure. Ook vinden op grote schaal pushbacks plaats. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem [5] , Utrecht [6] en Den Haag. [7] Daarnaast verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022 [8] waarin is geoordeeld dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Kroatië vanwege de systematische pushbacks in dat land. Tot slot is het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar. Om die reden kan verweerder zonder nader onderzoek niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dan wel moet worden gewacht op de beantwoording van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. [9] Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019. [10]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Als uitgangspunt geldt verder dat verweerder, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in het algemeen ervan uit mag gaan dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen nakomt. De Afdeling heeft dit uitgangspunt recent bevestigd in haar uitspraken van 16 augustus 2023. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. [11] Eiser is hierin niet geslaagd.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen op basis waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In haar uitspraken van 16 augustus 2023 komt de Afdeling op basis van de beschikbare informatie onder meer tot de conclusie dat Dublinclaimanten in Bulgarije geen reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De enkele verwijzing naar de uitspraken van de zittingsplaatsen Arnhem, Utrecht en Den Haag is daarvoor onvoldoende, nu deze dateren van voor de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling en eiser bovendien heeft nagelaten te onderbouwen dat hij, in weerwil van het oordeel van de Afdeling, in Bulgarije onderworpen zal worden aan een behandeling die strijd is met artikel 4 van het Handvest. [12]
6. Voorts heeft zittingsplaats Zwolle, onder verwijzing naar de door eiser aangehaalde uitspraken van de meervoudige kamer van die zittingsplaats, weliswaar geoordeeld dat de omstandigheden in de Bulgaarse opvangcentra zorgwekkend zijn. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in Bulgarije geen toegang tot opvang zal hebben of dat de opvangomstandigheden in Bulgaarse opvangcentra zodanig ernstig zijn dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid wordt bereikt. Daarvoor is immers vereist dat eiser buiten zijn wil en eigen keuzes om terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De Afdeling overweegt immers in haar uitspraken dat Dublinterugkeerders na de feitelijke overdracht aan Bulgarije toegang hebben tot opvang. Bij deze beoordeling heeft de Afdeling het meest recente AIDA-rapport en ook het mogelijke tekort aan opvangplekken betrokken. Inherent aan die conclusie is ook dat de kwaliteit van de opvang in het algemeen voldoende is gewaarborgd. Eiser heeft geen recente informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij na overdracht aan Bulgarije geen opvang zal krijgen of waaruit volgt dat hij onvermijdelijk in opvangomstandigheden van onvoldoende kwaliteit terecht zal komen. Hierbij is ook van belang dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf in Bulgarije opvang heeft genoten en uit zijn verklaringen daarover niet blijkt dat de omstandigheden niet aan de daaraan te stellen eisen voldeden. De rechtbank volgt daarom ook op dit punt het oordeel van de Afdeling.
7. Daarbij komt dat Bulgarije met de aanvaarding van het terugnameverzoek heeft gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen en met inachtneming van het EVRM [13] , het Vluchtelingenverdrag en de Europese wet- en regelgeving zal worden beoordeeld. Als eiser in Bulgarije toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
8. Ook de overige door eiser genoemde argumenten treffen geen doel. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 13 oktober 2023 [14] als volgt overwogen ten aanzien van toegang tot rechtsbijstand.
“De door eiser gestelde problemen met de rechtsbijstand zorgen er eveneens niet voor dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat NGO’s [15] asielzoekers in de bestuurlijke voorfase kunnen bijstaan. Daarnaast heeft de Afdeling in een uitspraak van 4 april 2017 geoordeeld dat geen sprake is van een fundamentele systeemfout op het gebied van rechtsbijstand in Bulgarije. [16] De informatie uit het AIDA-rapport over rechtsbijstand in Bulgarije dat de Afdeling destijds bij haar beoordeling heeft betrokken, komt overeen met de informatie uit het AIDA-rapport van maart 2023 waar eiser naar verwijst. Voor zover eiser van mening is dat zijn rechten worden geschonden, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.”
Rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de toegang tot rechtsbijstand nu anders te oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich tevens terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser, over wat hij heeft meegemaakt in Bulgarije en over de situatie daar, niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Bulgarije. Verder volgt uit eisers verklaringen hierover dat hij op het moment van zijn detentie nog niet had kenbaar gemaakt in aanmerking te willen komen voor asiel. Aangenomen moet dan worden dat hij niet gedetineerd is geweest als asielzoeker. Ook hier is dan van belang dat de Bulgaarse autoriteiten met het claimakkoord hebben toegezegd dat zij het asielverzoek van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met schending van zijn rechten bij de behandeling van zijn asielverzoek, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voor zover in Bulgarije sprake is van tekortkomingen in het asielsysteem bestaande uit een wijdverspreide pushbackpraktijk aan de buitengrens, zijn er immers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ook Dublinclaimanten, zoals eiser, daarmee te maken krijgen.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:313 en ECLI:NL:RVS:2022:3134.
4.Uitspraken van 23 mei 2023 en 3 oktober 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1829, ECLI:NL:RBOVE:2023:3871.
5.Uitspraak van 2 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2454
6.Uitspraak van 11 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5344
7.Uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5615
9.Uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
11.Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
12.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15.Non-gouvernementele organisaties.