Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2019:2964

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2019
Publicatiedatum
28 augustus 2019
Zaaknummer
201805843/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van uitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit, waarop de rechtbank Den Haag het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte haar overwegingen baseerde op de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie, aangezien deze niet bindend is. Hierdoor was het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.

De zaak werd naar de rechtbank terugverwezen met het oog op nieuwe asielmotieven en relevante jurisprudentie, waaronder het arrest Alheto en een recente uitspraak van de Afdeling. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank een volledig en actueel onderzoek moet verrichten naar de vraag of de vreemdeling bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro te vrezen heeft. De procedure werd gesloten met een openbare uitspraak op 28 augustus 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

201805843/1/V2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 juli 2018 in zaak nr. NL18.9998 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de eerste grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank onder verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Mengozzi (hierna: A-G Mengozzi) in de zaak Alheto, ECLI:EU:C:2018:327, ten onrechte heeft overwogen dat haar ter zitting verrichte onderzoek verder gaat dan wat in de beroepsgronden expliciet naar voren is gebracht. Dit omdat zij niet alleen bevoegd, maar ook gehouden is een volledig en ex-nunc onderzoek te doen, als de vraag voorligt of de vreemdeling slachtoffer is geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en hierdoor bij terugkeer heeft te vrezen voor wederom een schending, aldus de rechtbank.
1.1.    De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank deze overweging ten onrechte heeft doen steunen op de conclusie van A-G Mengozzi. Immers, een conclusie van een Advocaat-Generaal geeft voorlichting aan het Hof van Justitie en bindt het Hof niet.
De grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is alleen al daarom kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, naar de rechtbank terug te wijzen, zodat zij in deze zaak het arrest Alheto van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:584, en de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, over nieuwe asielmotieven kan betrekken en kan beoordelen of en, zo ja, welke gevolgen die hebben voor deze zaak. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 juli 2018 in zaak nr. NL18.9998;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Bosma
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019
572-844.