ECLI:NL:RBDHA:2021:5869

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
9 juni 2021
Zaaknummer
C/09/592178 / HA ZA 20-445
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Tijdelijke wet COVID-19Art. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement aannemer bij stillegging verbouwing woning

Eiser sloot met een aannemersbedrijf een overeenkomst voor de verbouwing van zijn woning. Tijdens de verbouwing ging het bedrijf failliet, waarna de werkzaamheden stopten. Eiser stelde de bestuurders van het bedrijf persoonlijk aansprakelijk wegens ernstig verwijtbaar handelen en onrechtmatige daad.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had gesteld en onderbouwd dat de bestuurders wisten of hadden moeten begrijpen dat het bedrijf haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen bij het aangaan van de overeenkomst. De economische situatie en het uitblijven van de investering maakten het niet onrechtmatig om de overeenkomst aan te gaan.

Ook werd geoordeeld dat het starten van sloopwerkzaamheden niet verwijtbaar was, aangezien de investeerder zich pas later terugtrok en de werkzaamheden onderdeel waren van de overeenkomst. De vorderingen tot schadevergoeding en ontbinding werden afgewezen.

In reconventie vorderden de bestuurders opheffing van conservatoir beslag dat eiser had gelegd. De rechtbank vond dat het beslag niet zonder meer ondeugdelijk was en dat belangenafweging geen opheffing rechtvaardigde. De vorderingen van beide partijen werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van eiser en de bestuurders worden afgewezen; geen bestuurdersaansprakelijkheid vastgesteld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/592178 / HA ZA 20-445
Vonnis van 9 juni 2021
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. B.J. Davidse te Amsterdam,
tegen

1.[gedaagde 1] [land] ,

2.
[gedaagde 2]te [woonplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. J.A.Th. van den Berg te Rotterdam .
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] . worden genoemd. [gedaagden] . zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 april 2020, met producties 1 tot en met 14;
  • de akte overlegging producties zijdens [eiser] , met producties 15 en 16;
  • de akte overlegging producties zijdens [eiser] , met productie 17;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties 18 tot en met 24;
- het tussenvonnis van 7 oktober 2020;
- de rolbeslissing van 21 oktober 2020, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat op grond van artikel 2 lid 1 Tijdelijke Pro wet COVID-19 (Stb. 2020, 124) de mondelinge behandeling zal plaatsvinden in de vorm van een ‘skype-zitting’;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 april 2021.
1.2.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 april 2021 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Hiervan hebben zij geen gebruik gemaakt.
1.3.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] heeft met [bedrijf] (hierna [bedrijf] ) op basis van een offerte van 12 december 2019 een overeenkomst gesloten om zijn woning te verbouwen voor een aanneemsom van € 39.999,99 (hierna de overeenkomst). [gedaagden] . zijn de middellijk bestuurders van [bedrijf] .
2.2.
Op 15 januari 2020 heeft [investeerder] een zogenoemde
Term Sheetondertekend waarin de voorwaarden zijn opgenomen voor een voorgenomen investering door hem of een door hem vertegenwoordigde vennootschap in [bedrijf] (hierna de Term Sheet). Voor zover relevant is hierin het volgende bepaald:
“Investeerder heeft de intentie tot investering van een bedrag van € 225.000,00. Hierna genaamd de “Investering”.
De Investering wordt in cash in drie tranches betaald aan de Vennootschap tegen uitgifte van aandelen van de Vennootschap zoals genoemd bijTe verwerven aandelen.
De eerste tranche bedraagt € 140.000 en zal worden ingebracht op de Closing Datum, die plaatsvindt op 14 februari 2020 (de “Closing Datum”).”
2.3.
Op 16 januari 2020 heeft [bedrijf] aan [eiser] twee facturen verzonden ten bedrage van € 8.097,96 en € 12.146,94. [eiser] heeft deze facturen op 29 januari 2020 voldaan.
2.4.
Met ingang van 25 februari 2020 is [bedrijf] van start gegaan met de verbouwing van de woning van [eiser] door het uitvoeren van sloopwerkzaamheden in de woning en het plaatsen van een container voor het puin. Op dezelfde dag is [eiser] vanwege de verbouwing in afstemming met [bedrijf] tijdelijk verhuisd naar een woning die hij via Airbnb tot 31 maart 2020 had gehuurd.
2.5.
Vanaf 3 maart 2020 zijn er door [bedrijf] geen werkzaamheden meer verricht aan de woning. Via Whatsappcorrespondentie hebben partijen nadien nog wel contact met elkaar gehad over de vervolgstappen, waarbij [eiser] meermaals heeft verzocht om een afspraak tussen partijen voor het afstemmen van enkele openstaande punten en opgekomen issues. Hierbij heeft hij tevens aangegeven vanuit [bedrijf] in zijn algemeenheid betere communicatie te wensen. Op verzoek van [bedrijf] heeft [eiser] op 6 maart 2020 nog een tekening bedoeld voor de loodgieter aangeleverd.
2.6.
Op 11 maart 2020 om 8:37 uur heeft [eiser] per e-mail aan onder andere [gedaagden] . zijn zorgen geuit over de gang van zaken en verzocht om een concreet plan voor 18:00 uur, bij gebreke waarvan hij rechtsmaatregelen zou gaan treffen. Dezelfde dag om 5:45 uur heeft [gedaagde 1] , voor zover relevant, als volgt op deze e-mail gereageerd:
“Our plumber is scheduled for the 18th to do all the plumbingworks. These are the first works which need to be done before we can move on with the other works.
We are now looking for a solution for all other things, but we do need a few days for that to get back to you with a plan. Please give me until Friday to do so.”
2.7.
Op 13 maart 2020 heeft [investeerder] per telefoon en e-mail aan [gedaagden] . laten weten niet in [bedrijf] te zullen investeren. Voor zover relevant luidt deze e-mail als volgt:
“Hierbij bevestig ik dat ik afzie van de investering van mij in jullie bedrijf.
Ik verwacht dat het bedrag waarmee ik in zou stappen onvoldoende is om het bedrijf op het level te krijgen waar ik deze zou willen krijgen met jullie
Daarnaast verwacht ik dat de economische omstandigheden ivm Corona flink onzeker zullen zijn, misschien wel bovengemiddeld in jullie doelgroep”
2.8.
Dezelfde dag heeft [bedrijf] haar statutaire naam gewijzigd naar [bedrijf 2] B.V.
2.9.
Op 15 maart 2020 heeft [eiser] per e-mail, met cc aan zijn advocaat, aan onder andere [gedaagden] . laten weten de overeenkomst te willen beëindigen en [bedrijf] verzocht de betalingen van de facturen terug te storten, de container met puin te verwijderen en de sleutels van de woning in te leveren. Voor zover relevant luidt deze e-mail als volgt:
“As expressed in my last email (sent on Wed, Mar 11, 8:37 AM CET), we were very unhappy with the direction that your services suddenly went and we askedfor detailed clarification about what would be the next steps, including tasks, work and most important dates. We expected your call/email with that information until this last Friday 13/03/2020 CET as set by Romano himself and again you have not delivered.
Hence, we would like to terminate the contract/agreement with you and for that we request:
  • Refund from the value (€ 20244,9) transferred to your account [bankrekeningnummer] (Offerte: 20200000011) as that money was transferred from our BouwDepot Account to yours.
  • Removal of your Container full of trash from the [adres ]
  • Return of the copy of the keys that it is in your possession
We ask you to execute such before the date 18/03/2020 17:00 CET, because as you can imagine we need to close the deal with another company to fix our home.
If you decide not to comply with cancelling the agreement, know that we will proceed to court and naturally we will take into account all damages you have done to us in this period (…)”
2.10.
Op deze e-mail is vanuit [bedrijf] niet gereageerd. Op 4 april 2020 heeft [eiser] per e-mail een opsomming gegeven van een aantal schadeposten en [gedaagden] . naast [bedrijf] daarvoor aansprakelijk gesteld.
2.11.
Op 7 april 2020 is [bedrijf] failliet verklaard. Het openbaar faillissementsverslag van 6 augustus 2020 vermeldt het volgende over de oorzaak van het faillissement:
“Het bestuur van failliet heeft rondom de aanloop en oorzaak van het faillissement het volgende verklaard.
Begin 2019 heeft [X] in anticipatie op de ontvangst van een investering van een derde, met wie ‘de hand reeds was geschud’, een grote investering gedaan in automatisering van het bemiddelingsproces door opdracht te geven een uniek softwareprogramma te schrijven dat de behoefte aan personeel om inkomende opdrachten te verwerken moest wegnemen. Termsheets en andere voorbereidende documentatie zouden reeds zijn getekend toen deze derde investeerder in april 2019 wegens gezondheidsredenen is afgehaakt. Het bestuur zou daarop direct hebben geprobeerd een andere financier te betrekken, onder andere door inschakeling van een deskundige derde en een crisismanager, en in de tussentijd de (kosten)structuur van failliet hebben verkleind door bijvoorbeeld het personeelsbestand terug te brengen tot vier werknemers en een flexwerker en de goedkopere huurlocatie in [plaats] te betrekken. Uiteindelijk zou eind 2019 exclusiviteit zijn overeengekomen met een investeerder, die uitgebreid due diligence onderzoek zou hebben gedaan, maar die kort voor afronding van het investeringstraject in maart 2020 toch zou zijn afgehaakt door de mogelijke impact van het coronavirus op de hoeveelheid opdrachten vanuit de ouderensector waarin [X] zich hoofdzakelijk begeeft. Veel crediteuren van failliet, die zich tot die tijd niet hadden geroerd omdat hun betaling van hun vordering bij afronding van het investeringtraject in het vooruitzicht was gesteld, zouden op dat moment niet meer bereid zijn geweest verder te wachten. Het bestuur van failliet zou om die reden tegen de faillissementsaanvraag ook geen verweer hebben gevoerd.
De curator betrekt deze en andere verklaringen in zijn onderzoek.”
2.12.
Op 20 april 2020 heeft [eiser] ten laste van [gedaagden] . conservatoir beslag laten leggen onder ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V. en coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna de beslagen). Ten aanzien van [gedaagde 1] hebben de beslagen doel getroffen voor een bedrag van circa € 70,00 en ten aanzien van [gedaagde 2] voor een bedrag van € 80.615,82.
2.13.
Op 1 en 28 mei 2020 hebben [gedaagden] . per brief [eiser] verzocht c.q. gesommeerd de beslagen op te heffen met de vermelding dat zij bij gebreke daarvan aanspraak zullen maken op een vergoeding van de schade en kosten als gevolg van de beslagen en zich alsdan vrij te achten in kort geding opheffing van de beslagen te vorderen. [gedaagde 2] heeft vervolgens bij kort geding opheffing van de beslagen gevorderd. Naar aanleiding van deze procedure hebben [gedaagde 2] en [eiser] een regeling getroffen die erop neerkomt dat de beslagen door [eiser] zullen worden opgeheven, nadat [gedaagde 2] € 23.500,00 heeft gestort op de derdengeldenrekening van zijn advocaat.

3.Het geschil

in conventie

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de overeenkomst is ontbonden en [gedaagden] . te veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 43.875,70, bestaande uit i) de reeds aan [bedrijf] betaalde facturen en een vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten voor ii) het herstel van de woning, iii) de huur van vervangende woonruimte na 31 maart 2020, iv) de huur van een extra bouwcontainer, v) de vervanging van de sloten van de woning en vi) de aanschaf van een ontvreemde bouwladder, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2020, alsmede de buitengerechtelijke kosten van € 1.183,99 en de proceskosten (inclusief nakosten), eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Aan deze vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat [bedrijf] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, waarna [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. [gedaagden] . kunnen voor de gevolgen hiervan persoonlijk aansprakelijk worden gehouden, nu zij als bestuurders van [bedrijf] ernstig verwijtbaar hebben gehandeld, althans in strijd hebben gehandeld met een op hen van toepassing zijnde persoonlijke zorgvuldigheidsnorm.
3.3.
[gedaagden] . voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] . vorderen – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beslagen op te heffen en voor recht te verklaren dat [eiser] jegens [gedaagden] . onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van de beslagen en dienovereenkomstig aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.6.
Aan deze vorderingen leggen [gedaagden] . ten grondslag dat [eiser] geen vordering heeft op [gedaagden] . en dat [eiser] met het leggen van de beslagen onrechtmatig heeft gehandeld, als gevolg waarvan [gedaagden] . schade hebben geleden, waarvan de omvang nog niet vaststaat.
3.7.
[eiser] voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

4.1.
Volgens [eiser] zijn [gedaagden] . als bestuurders van [bedrijf] hoofdelijk aansprakelijk jegens haar uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie onder meer Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (
Beklamel), Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (
Ontvanger/Roelofsen) en Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). Van een dergelijk ernstig verwijt zal in dit geval sprake zijn als komt vast te staan dat [gedaagden] . namens [bedrijf] de overeenkomst met [eiser] hebben gesloten, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden behoren te begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (de zogenoemde
Beklamel-norm). De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op [eiser] . Voor omkering van de bewijslast op dit punt ziet de rechtbank geen grond. Van een bijzondere situatie als aan de orde in het door [eiser] aangehaalde arrest Romme/Bakker is geen sprake (Hoge Raad 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] tegenover het verweer van [gedaagden] . onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij op 12 december 2019, toen partijen de overeenkomst tot verbouwing van de woning aangingen, wisten of moesten begrijpen dat [bedrijf] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Weliswaar spreekt [gedaagden] . niet tegen dat [bedrijf] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst vanwege geldzorgen in onderhandeling was met (een) externe geldschieter(s), maar deze omstandigheid brengt niet zonder meer mee dat het aangaan van een nieuwe verplichting namens [bedrijf] onrechtmatig was. Hiervoor was nodig dat [bedrijf] ten tijde van het aangaan van de verplichtingen feitelijk in een uitzichtloze situatie bevond en over onvoldoende continuïteitsperspectief beschikte. De beschikbare documentatie bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten dat die situatie zich begin december 2019 voordeed. [gedaagden] . hebben ter zitting toegelicht dat [bedrijf] juist zicht had op nieuwe inkomsten, gelet op de beoogde investering van [investeerder] zoals vervat in de Term Sheet. Deze Term Sheet is, anders dan ter zitting gesteld door [eiser] , wel degelijk vergezeld van een handtekeningenblad met daarop de handtekening van [investeerder] . Ter zitting hebben [gedaagden] . voorts onweersproken aangevoerd dat [bedrijf] in 2019 een vijfjaarcontract had gesloten met een landelijke ouderenbond en dat er meer potentiële investeerders waren dan [investeerder] . Van een omkeerpunt was volgens [gedaagden] . pas sprake na 13 maart 2020, toen de investeerder zich met verwijzing naar de mogelijke gevolgen van corona had teruggetrokken, hetgeen bevestiging vindt in het e-mailbericht van [investeerder] van deze datum. Ook hebben zij onbetwist aangevoerd dat door de uitbraak van de coronapandemie begin maart 2020 de gebruikelijke opdrachtenstroom voor de verbouwing van ouderenwoningen – de kernactiviteit van [bedrijf] – ineens wegviel.
4.3.
Aan de orde is dan de vraag of het handelen of nalaten van [gedaagden] . als bestuurders anderszins zodanig onzorgvuldig is geweest, dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens [eiser] hebben [gedaagden] . onbehoorlijk gehandeld door namens [bedrijf] een aanvang te nemen met de sloopwerkzaamheden, terwijl de beoogde closing datum van 14 februari 2020 voor de investering als genoemd in de Term Sheet reeds was verstreken en zij dus wisten of konden weten dat [bedrijf] de verbouwing niet zou kunnen voltooiien. Doordat wel sloopwerkzaamheden zijn verricht, is zijn schade toegenomen, aldus [eiser] .
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mist dit verwijt feitelijke grondslag. Zoals hiervoor besproken, heeft [bedrijf] pas op 14 maart 2020 te horen gekregen dat [investeerder] zich als investeerder terugtrok. Op dat moment waren de sloopwerkzaamheden reeds afgerond. Dat in de Term Sheet aanvankelijk een andere closing datum stond vermeld, maakt dit niet anders. Voor het overige geldt dat [bedrijf] met de sloopwerkzaamheden simpelweg uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst met [eiser] omdat deze werkzaamheden daarvan deel uitmaakten. Hoewel begrijpelijk is dat [eiser] achteraf gezien liever had gehad dat er met het oog op het faillissement van [bedrijf] in het geheel geen sloopwerkzaamheden waren verricht aan de woning, is van verwijtbaar handelen door [gedaagden] . geen sprake geweest, laat staan dat dit als ernstig kan worden aangemerkt.
4.5.
[eiser] stelt zich met verwijzing naar dezelfde verwijten subsidiair op het standpunt dat [gedaagden] . een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden als bedoeld in het arrest Hoge Raad 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (
Spaanse Villa). Naar het oordeel van de rechtbank kan ook het beroep op deze grondslag echter niet slagen. [eiser] heeft niet concreet gesteld en onderbouwd dat en waarom [gedaagden] . hebben gehandeld in strijd met een op hen rustende zorgvuldigheidsnorm in een andere hoedanigheid dan die van bestuurder van [bedrijf] (vgl. Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, RvdW 2014/1014 (
Tulip Air). Er is dus geen reden af te wijken van het vereiste dat voor aansprakelijkheid van [gedaagden] . sprake moet zijn van ernstig verwijtbaar handelen.
4.6.
De uitkomst van het voorgaande is dat niet is gebleken van onrechtmatig handelen door [gedaagden] . jegens [eiser] , zodat de daarop gebaseerde vorderingen tot schadevergoeding zullen worden afgewezen.
4.7.
De gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden deelt dit lot. [eiser] vordert deze verklaring voor recht kennelijk met het oog op de vaststelling, in het kader van de het geschil over het vermeende onrechtmatige handelen van [gedaagden] ., dat [bedrijf] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en in verzuim is. Nu de rechtbank in het voorgaande reeds heeft beslist dat [gedaagden] . niet jegens [eiser] aansprakelijk zijn, zal de rechtbank deze vordering bij gebrek aan belang afwijzen.
4.8.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] integraal zullen worden afgewezen. Aan bespreking van de overige geschilpunten in conventie wordt niet toegekomen.
4.9.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De kosten aan de zijde van [gedaagden] . worden begroot op € 937,00 aan betaald griffierecht en € 2.228,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV à € 1.114,00), totaal € 3.165,00.
4.10.
Voor de gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk Hoge Raad 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief.
in reconventie
4.11.
[gedaagden] . stellen zich op het standpunt dat [eiser] geen vordering op hen heeft en dat om die reden de beslagen onrechtmatig zijn gelegd. De beslagen moeten volgens [gedaagden] . dan ook worden opgeheven. Bovendien is [eiser] jegens hen aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van de beslagen hebben geleden. Deze schade bestaat in ieder geval uit de kosten die de bestuurders hebben moeten voldoen aan de bank, de financiële schade als gevolg van het niet kunnen voldoen van financiële verplichtingen met aanzeggingen tot gevolg en de schade die het gevolg is van het feit dat [gedaagde 2] de effecten gekoppeld aan zijn effectenrekening niet heeft kunnen verhandelen, aldus [gedaagden] .
4.12.
De opheffing van een conservatoir beslag kan op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag. Het ligt op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert, in dit geval [gedaagden] ., om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. De enkele omstandigheid dat de vorderingen in conventie, waarvoor de beslagen zijn gelegd, zullen worden afgewezen in dit vonnis, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat deze vorderingen ondeugdelijk zijn, nu tegen dit vonnis nog hoger beroep openstaat (zie Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074). In die situatie moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan daarbij niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis mogelijk aan te wenden rechtsmiddel (zie Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559).
4.13.
Het enkele feit dat de vordering in conventie naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar is, is dus onvoldoende om de beslagen op te heffen. Het komt aan op een belangenafweging. In het kader daarvan constateert de rechtbank dat [gedaagden] . enkel in algemene bewoordingen op de hiervoor genoemde schadeposten hebben gewezen ter onderbouwing van hun standpunt dat zij als gevolg van de beslagen schade hebben geleden. Hieruit blijkt onvoldoende dat zij een zodanig belang hebben bij opheffing van de beslagen, dat deze, vooruitlopend op een eventueel hoger beroep in welk kader [eiser] belang heeft bij handhaving van de beslagen, reeds moeten worden opgeheven. Dit geldt temeer, zoals door [eiser] onbetwist gesteld, nu de beslagen ten aanzien van [gedaagde 1] slechts doel hebben getroffen voor het geringe bedrag van circa € 70,00 en [gedaagde 2] en [eiser] een regeling hebben getroffen op basis waarvan de beslagen door [eiser] zullen worden opgeven nadat [gedaagde 2] een bedrag, dat veel lager is dan het bedrag waarvoor de beslagen doel hebben getroffen, op de derdengeldenrekening van zijn advocaat heeft gestort. Op grond van een afweging van de wederzijdse belangen kan daarom niet worden geconcludeerd dat de beslagen moeten worden opgeheven.
4.14.
Voor wat betreft de vordering van [gedaagden] . tot veroordeling van de schade als gevolg van de beslagen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, het volgende. Volgens vaste jurisprudentie rust op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (vgl. Hoge Raad 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:2003:AF2841). Hoewel de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd in conventie zijn afgewezen, staat zolang geen sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest nog niet vast dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Deze vordering zal dus worden afgewezen.
4.15.
Gelet op deze uitkomst, kunnen de overige verweren van [eiser] onbesproken blijven.
4.16.
[gedaagden] . zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten aan de zijde van [gedaagden] . worden begroot op € 1.114,00 aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief IV à € 1.114,00).

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] . begroot op € 3.165,00,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen af,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] . in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.114,00,
in conventie en reconventie
5.5.
verklaart de in 5.2 en 5.4 gegeven proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021. [1]

Voetnoten

1.type: 2984