Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
[minderjarige kinderen],
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de ambtshalve aanpassing van de nationaliteit van minderjarige kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had de nationaliteit van de kinderen gewijzigd van Nederlands naar Pakistaans nadat de Nederlandse nationaliteit van hun vader met terugwerkende kracht was ingetrokken wegens identiteitsfraude.
Eiseres betoogde dat bij deze wijziging een belangenafweging had moeten plaatsvinden, omdat het verlies van de Nederlandse nationaliteit verstrekkende gevolgen heeft, waaronder het verlies van het EU-burgerschap. Verweerder stelde dat de Wet BRP geen ruimte biedt voor een belangenafweging en dat een dergelijke afweging pas kan plaatsvinden in een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap.
De rechtbank concludeerde dat de Wet BRP en het systeem van de registratie van persoonsgegevens een belangenafweging uitsluiten. De nationaliteit in de BRP moet betrouwbaar en eenduidig zijn. De intrekking van het Nederlanderschap van de vader betekent dat de kinderen nooit Nederlander zijn geweest en op grond van Pakistaans recht de Pakistaanse nationaliteit bezitten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de belangenafweging in een aparte procedure moet plaatsvinden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de nationaliteit ambtshalve zonder belangenafweging mocht worden aangepast.