Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
[naam draagmoeder] ,
1.De procedure
2.Kern van de zaak
3.Feiten
4.Het verzoek en het verweer
primair:
5.De beoordeling
in elk gevalvoordoet indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen (a), indien wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge art. 95 lid 3 van Pro dit Boek toepasselijk is (b) of indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft (c). Deze, door de wetgever genoemde voorbeelden van strijd met de openbare orde hebben alle betrekking op door de wetgever als essentieel bevonden waarborgen die het materiële Nederlandse familierecht biedt. In deze zaak speelt het bepaalde in art. 10:101 lid 2 BW Pro verder geen rol.
Nederlandsenationaliteit hebben en/of hun hoofdverblijfplaats
in Nederlandhebben (en dus onder de Nederlandse regelgeving vallen) en in het
buitenlandeen draagmoederschapstraject hebben doorlopen. Zij wensen vervolgens hun in het buitenland gevormde afstammingsrelaties in Nederland erkend te krijgen, opdat zij met het kind hun leven in Nederland in gezinsverband kunnen voortzetten. Ook in deze zaak is dat het geval.
lijktdaarmee weinig ruimte te hebben om, als er in het draagmoedertraject wat is misgegaan, dit in een procedure waarin het gaat om vaststelling van de rechtsrelatie tussen de wensouders en het kind, een rol te laten spelen. Daarmee wil de rechtbank beslist niet gezegd hebben dat toetsing van het draagmoederschap niet belangrijk is, in tegendeel. De rechtbank ziet zich evenwel in deze internationale setting voor de vraag geplaatst door wie en hoe (ingrijpend) deze toetsing kan/moet plaatsvinden.
6.De beslissing
1 september 2022;