Uitspraak
Juridisch kader
het behoren tot een bepaalde sociale groep”.
“een bepaalde sociale groep is een groep personen die een bepaald kenmerk gemeen hebben, anders dan hun risico op vervolging,ofdie door de samenleving als groep worden gezien. Dit kenmerk is vaak iets dat aangeboren of onveranderlijk is of dat anderszins fundamenteel is voor de identiteit, het geweten of het uitoefenen van de eigen mensenrechten.”De UNHCR lijkt zodoende uit te gaan van alternatieve voorwaarden om te kunnen spreken van deze vervolgingsgrond, terwijl het Hof – overeenkomstig de tekst van artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn – heeft bepaald dat sprake is van cumulatieve voorwaarden.
de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd”moet worden uitgelegd. De rechtbank leidt uit het eerdergenoemde arrest Ahmedbekova af dat dit een cumulatief vereiste is om te kunnen spreken van een “specifieke sociale groep” hoewel de UNHCR deze vereisten als alternatief beschouwt.
specifieke sociale groepbeschouwt maar als
individuele religieuze afvalligen of politieke tegenstanders, omdat ze afwijken van de heersende religieuze of politieke norm. De rechtbank wenst daarom van het Hof te vernemen of de beoordeling of eiseressen moeten worden aangemerkt als leden van een specifieke sociale groep moet worden gemaakt vanuit het perspectief van de lidstaat of vanuit het perspectief van de actor van vervolging. Artikel 10, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn kan in dit verband mogelijk meebrengen dat indien bij afwezigheid van een religieuze of politieke overtuiging of specifieke sociale groep de lidstaat concludeert dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een vervolgingsgrond in een situatie als die waarin eiseressen zich bevinden, terwijl aannemelijk is dat het uiten van fundamentele kenmerken van de identiteit door eiseressen wel tot vervolging leidt indien deze kenmerken van vervolgingsgronden aan eiseressen door de actor van de vervolging worden toegeschreven. En ook indien eiseressen zich niet bewust zijn van de omstandigheid dat er meerdere jonge derdelanders in vergelijkbare omstandigheden in de lidstaat verblijven, is het niet uitgesloten dat een actor terugkerende onderdanen, vanwege de gemeenschappelijke achtergrond van het enkele feitelijke verblijf in de Unie, als groep beschouwen. Artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn schrijft voor dat eerst wordt beoordeeld of sprake is van een vervolgingsgrond en pas daarna of sprake is van toegedichte kenmerken van een vervolgingsgrond. Deze redactie van de bepaling veronderstelt dat eerst een beoordeling plaatsvindt vanuit het perspectief van de lidstaat en indien dit niet leidt tot de aanname van een vervolgingsgrond, de verzoeker alsnog aannemelijk kan maken dat een actor hem wel kenmerken van een vervolgingsgrond toedicht. Bij de vervolgingsgroep “specifieke sociale groep” is een complicerende factor dat individuen van een groep zich niet altijd als groep zullen manifesteren in het land van herkomst juist vanwege de vrees voor vervolging. De vraag die opkomt is of van eiseressen kan worden verwacht dat zij, als zij ten overstaan van de beslisautoriteit niet aannemelijk weten te maken dat zij behoren tot een specifieke sociale groep, aannemelijk maken
waaromeen actor hen zal vervolgen als zij zich na terugkeer uiten zoals zij hier nu doen. Uit landeninformatie blijkt wat de heersende normen en waarden in Irak zijn. Eiseressen stellen daaraan niet te kunnen voldoen. Dient reeds op grond van deze feiten en omstandigheden de vluchtelingenstatus te worden toegekend ondanks dat niet komt vast te staan van welke vervolgingsgrond sprake is? De rechtbank vraagt het Hof te verduidelijken of van eiseressen mag worden verwacht dat zij vervolging trachten te voorkomen door hun normen en waarden te verhullen en zich dus terughoudend op te stellen en of deze eisen hoger zijn als het gaat om vervolging op grond van toegedichte vervolgingsgronden te voorkomen.
impliceertdat dit belang allereerst wordt vastgesteld en dat dit een verplichting voor de beslisautoriteit behelst. Omdat artikel 24, tweede lid, van het Handvest terug te voeren is op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de preambule van de Kwalificatierichtlijn ook hiernaar verwijst haalt de rechtbank bij deze vraag het Comité voor de Rechten van het Kind aan.
(…)
27. Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child places an obligation on both the public and the private spheres, courts of law, administrative authorities and legislative bodies to ensure that the best interests of the child are assessed and taken as a primary consideration in all actions affecting children.
(…)
31. In order to implement the best interests principle in migration-related procedures or decisions that could affect children, the Committees stress the need to conduct systematically best-interests assessments and determination procedures as part of, or to inform, migration-related and other decisions that affect migrant children. As the Committee on the Rights of the Child explains in its general comment No. 14, the child’s best interests should be assessed and determined when a decision is to be made.
“The expression “primary consideration” means that the child’s best interests may not be considered on the same level as all other considerations.”
- gezond opgroeien
- psychische gezondheid langdurig verblijvende kinderen met onzekere verblijfsstatus
- ernstige gevolgen chronische stress op hersenontwikkeling en geheugen
- risicofactoren uitzetting
- aanpassingsproblemen bij uitgezette kinderen
- aanpassing na uitzetting vanuit neurologisch perspectief.
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C 38/14, EU:C:2015:260, punt 33).
Afghaansemeisjes een aanvraag tot verblijf op reguliere gronden kunnen doen. In de kern komt dit beleid erop neer dat, indien een minderjarige verzoekster aannemelijk maakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van onevenredig zware psychosociale druk zij, als zij aan meerdere cumulatief gestelde voorwaarden voldoet, voor verblijf in aanmerking komt. Ten aanzien van
Irakis niet voorzien in vergelijkbaar toelatingsbeleid voor verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen uit Irak.
eerst(in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), gelezen in samenhang met artikel 51, eerste lid, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek?
acte clair, nu artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn geen uitsluitsel geeft over de definitie en reikwijdte van de begrippen “gemeenschappelijke achtergrond” en “fundamentele kenmerken van een identiteit” als vereiste voor de vervolgingsgrond het behoren tot een specifieke sociale groep en artikel 24, tweede lid, van het Handvest niet uitdrukkelijk bepaalt dat de beslisautoriteit het belang van het kind in elke procedure concreet moet (laten) vaststellen en hoe dit belang vervolgens moet worden gewogen. Ook blijkt niet uit het Unierecht of de waterscheiding in opvolgende vragen, zoals die in de nationale rechtspraktijk is voorzien in het vreemdelingenrecht, verenigbaar is met het Unierecht. Deze betreffende bepalingen zijn bovendien niet dusdanig helder geformuleerd dat niet gezegd kan worden dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan. Het is immers de vraag of de nationale rechtspraktijk met betrekking tot de door de rechtbank geformuleerde rechtsvragen in overeenstemming met de Kwalificatierichtlijn en het Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie is. Daarnaast is ten aanzien van de vragen evenmin gebleken van een
acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het Hof van Justitie duidelijke antwoorden op deze vragen zijn geformuleerd of dat de antwoorden op de vragen kunnen worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie in vergelijkbare gevallen.
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 85 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.