ECLI:NL:RBDHA:2021:11343
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen kwade trouw bij onjuiste hypotheekrente-aftrek, beroep gegrond op navorderingsaanslag 2013 en vergrijpboetes
Eiser en zijn ex-echtgenote, beiden voormalig werkzaam bij de Belastingdienst, voerden jarenlang een onjuiste hypotheekrente-aftrek op hun aangiften IB/PVV over de jaren 2013 tot en met 2016. Verweerder legde navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op, die na bezwaar werden verminderd. Eiser stelde beroep in tegen deze aanslagen en boetes.
De rechtbank oordeelde dat de bovenwoning van het pand niet als eigen woning kwalificeert vanwege verhuur, waardoor alleen de benedenwoning als eigen woning geldt voor de hypotheekrenteaftrek. De eigenwoningschuld werd vastgesteld op €383.494, waarbij eiser onvoldoende bewijs leverde voor een hoger bedrag. Tevens werd geoordeeld dat eiser niet kwader trouw was bij het doen van de onjuiste aangiften, aangezien hij meende zijn standpunt met verweerder te hebben afgestemd.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eiser niet aannemelijk maakte dat verweerder een bewuste standpuntbepaling had gemaakt of dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op volledige goedkeuring van zijn aangiften. De vergrijpboetes werden vernietigd wegens ontbreken van opzet. Het verzoek tot schadevergoeding wegens late dossierverstrekking werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de navorderingsaanslag 2013 en vergrijpboetes, vernietigde deze en wees verweerder toe in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Navorderingsaanslag 2013 en vergrijpboetes vernietigd wegens ontbreken van kwade trouw; overige aanslagen bevestigd.