ECLI:NL:GHDHA:2021:4
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over afwaardering onzakelijke rekening-courantlening aan eigen BV
Belanghebbende verstrekte vanaf 1999 gelden in rekening-courant aan zijn eigen BV, die zich bezighoudt met risicovolle uitvindersactiviteiten zonder inkomsten. In de aangifte IB/PVV 2009 werd een deel van de vordering afgewaardeerd en door de Inspecteur geaccepteerd. De afwaardering in 2015 werd echter door de Inspecteur niet toegestaan, wat leidde tot bezwaar en beroep.
De Rechtbank oordeelde dat sprake was van een onzakelijke lening omdat geen zekerheden waren gesteld, geen aflossingsschema bestond en het rentepercentage laag was. Belanghebbende kon de positieve vooruitzichten onvoldoende onderbouwen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de afwaardering in 2009 niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur was voorgelegd.
In hoger beroep bevestigde het Hof deze beoordeling. Het Hof stelde dat een onafhankelijke derde onder de gegeven omstandigheden geen lening zonder zekerheid en met een niet-winstafhankelijke rente zou zijn aangegaan. De afwaardering is daarom niet aftrekbaar. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat het volgen van de aangifte 2009 niet neerkomt op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de lening is niet aftrekbaar wegens onzakelijke lening.