ECLI:NL:RVS:2020:2980
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging identiteit
Appellanten hebben in 2006 verzoeken ingediend voor het Nederlanderschap, dat in 2007 werd verleend. In 2018 trok de staatssecretaris het Nederlanderschap in vanwege verzwijging van relevante feiten over hun identiteit bij de aanvraag. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering van de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling, met name het niet betrekken van de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en het tijdsverloop.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de evenredigheidsbeoordeling indringend had getoetst en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing waren. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende rekening hield met de gevolgen voor de appellanten, zoals het verlies van rechten als EU-burger en het feit dat zij in Duitsland wonen en werken.
Daarnaast is het beroep van appellanten op artikel 8 EVRM Pro niet toewijsbaar omdat het EHRM geen recht op verkrijging van nationaliteit erkent, tenzij sprake is van willekeur. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van appellanten ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, inclusief tolkkosten.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de vernietiging van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wegens onvoldoende motivering van de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling.