Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Operational Directorates.” Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat ambtshalve bekend is dat verweerder een brief aan de Tweede Kamer voorbereidt aangaande (Afghaanse) 1(F)-zaken. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is de aanleiding hiertoe onder meer het bezoek van een delegatie van het parlement van Afghanistan aan een afvaardiging van het Nederlandse parlement en de brief van [naam B] , speaker of the house of representatives Afghanistan National Assemblee.
De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM; noch vanwege zijn verleden als KhAD/WAD-medewerker, noch vanwege een westerse levensstijl, noch vanwege eisers medische klachten, noch vanwege de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan.
Eiser doet daarnaast een beroep op humanitaire aspecten. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van zijn huisarts van 6 juli 2016 ingebracht, die schrijft dat hij eisers situatie schrijnend vindt en dat hij ervan overtuigd is dat indien de situatie van eiser ten gunste keert, diens psychische klachten ook een gunstiger prognose krijgen. Daarnaast heeft eiser een ongedateerde brief van zijn oudste dochter en van zijn echtgenote overgelegd. Zij benadrukken de stressvolle situatie waarin het gezin verkeert. Verder melden zij dat de lichamelijke en geestelijke gezondheid van eiser achteruit gaat omdat hij geen vooruitzicht heeft zijn leven in Nederland voort te zetten. De situatie van eiser heeft weer invloed op het leven van zijn dochter en zijn echtgenote.
Het bestreden besluit van 31 maart 2017
e. De humanitaire omstandigheden van eiser en zijn gezin.
Subsidiair voert verweerder aan
a. dat dat de bij artikel 1(F) aangelegde maatstaf van ‘personal-and-knowing-participation’ wel degelijk juist is;
b. dat het arrest van het Hof van 31 januari 2017 niet van belang is als het aangenomen gevaar voor de openbare orde volgt uit de toepasselijkheid van artikel 1(F);
c. dat in het rapport van Brouwer geen reden wordt gezien om niet langer van de juistheid van het deelambtsbericht uit te gaan;
d. dat het arrest van 2 mei 2018 niet van toepassing is, omdat de vraag of een vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot opheffing van het inreisverbod. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser gezien de tegenwerping van artikel 1(F) nog altijd als zo’n bedreiging moet worden beschouwd;
Met betrekking tot het arrest van het Hof van 2 mei 2018 (C-366/16 en C-331/16)
Met betrekking tot 8 EVRM
Beslissing
mr. G.J.W.M. Kipping, leden in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2018.