Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4160

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
13-030972-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon Polen ondanks weigeringsgronden Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen tegen een Poolse onderdaan zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een taakstraf die was omgezet in een gevangenisstraf wegens het niet nakomen van verplichtingen.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het vonnis en dat de zaak aangehouden moest worden voor vertaling van documenten. De officier van justitie stelde dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was gesteld en dat de omzetting van taakstraf in gevangenisstraf niet onder artikel 12 OLW Pro valt.

De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon tijdens het proces aanwezig was geweest en dat hij zijn adres had opgegeven, maar geen adreswijziging had doorgegeven toen hij naar Canada vertrok. Hierdoor was hij bereikbaar voor de Poolse autoriteiten. De rechtbank zag geen reden om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW Pro.

Ten aanzien van de dubbele strafbaarheid stelde de rechtbank vast dat het niet betalen van kinderalimentatie niet strafbaar is in Nederland, maar zag af van toepassing van deze weigeringsgrond omdat het feit in Polen was begaan door Poolse onderdanen en weigering tot straffeloosheid zou leiden.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en stond de overlevering toe. Er is geen sprake van een concreet gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks mogelijke weigeringsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-030972-26
Datum uitspraak: 22 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2025 door
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie) VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Spanje),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Canadese en Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Grójec (Sąd Rejonowy w Grójcu)van
4 september 2020 met kenmerk II K 728/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
Uit aanvullende informatie van 6 en 17 maart 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon in voormeld vonnis een straf van één jaar
restriction of libertywas opgelegd in de vorm van een taakstraf van 30 uur per maand gedurende een jaar. Omdat de opgeëiste persoon geen contact heeft opgenomen met de reclassering, geen post heeft opgehaald en niet is gestart met de taakstraf, is bij beslissing van 29 juni 2021 van
the District Court in Piasecznomet kenmerk II Ko 1396/21 de omzetting van de taakstraf in een vervangende gevangenisstraf van zes maanden bevolen.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Onduidelijk is of de opgeëiste persoon daadwerkelijk bekend is geraakt met het vonnis van 4 september 2020 met kenmerk II K 728/19. Weliswaar blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon bij de eerste twee zittingen aanwezig zou zijn geweest, maar de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in maart 2020 is vertrokken naar Canada en ontkent dus dat hij bij die zittingen was. Hij wist niet van de vervolging en had ook geen kennis van het vonnis en de voorwaarden die daaraan verbonden waren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om over dit punt nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten en de aanvullende informatie die in de Poolse taal is opgesteld, te laten vertalen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan ten aanzien van het vonnis van 4 september 2020 met kenmerk II K 728/19 worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Volgens de Poolse autoriteiten is de opgeëiste persoon bij twee zittingen aanwezig geweest en is hij opgeroepen op het adres dat hij heeft opgegeven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gekregen waarvoor hij ook heeft getekend. De opgeëiste persoon is erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte de Poolse autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. Toch is hij naar Canada vertrokken zonder een adreswijziging door te geven. Ten aanzien van beslissing van 29 juni 2021 met kenmerk II Ko 1396/21 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze beslissing niet hoeft de worden onderworpen aan de toets van artikel 12 OLW Pro, omdat sprake is van een zuivere omzetting en er geen sprake was van beoordelingsruimte.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Vonnis van 4 september 2020 met kenmerk II K 728/19
In het EAB is in onderdeel D aangekruist dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op het proces dat tot het vonnis heeft geleid.
Bij brief van 6 maart 2026 heeft
the District Court Judge in Piasecznoaanvullende informatie verstrekt waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon zijn adres heeft opgegeven in de strafzaak die tot het vonnis met kenmerk II K 728/19 heeft geleid, dat hij de dagvaarding voor de zitting heeft ontvangen en dat hij aanwezig is geweest bij de eerste twee zittingsdagen van het proces waarbij “
he gave his explanations”.
De rechtbank stelt op basis van deze informatie vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon naar opgave van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in persoon is verschenen op het proces dat tot het vonnis heeft geleid en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
In onderdeel D onder 1.c is aangegeven dat de opgeëiste persoon op de hoogte wordt gesteld van de termijn (zeven dagen) waarbinnen hij een herziening van de zaak kan aanvragen of hoger beroep kan instellen. De rechtbank kan uit deze informatie niet afleiden dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Bovendien is het de rechtbank ambtshalve bekend dat, zo hiermee wel sprake zou zijn van een aangekruiste verzetsgarantie, een verzetsgarantie uit Polen niet onvoorwaardelijk is. [4] Naar het oordeel van de rechtbank is daarom evenmin een garantie verstrekt die voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 6 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces in Polen. Hij is immers aanwezig zijn geweest bij de eerste twee zittingsdagen. De enkele ontkenning hiervan op de zitting door de opgeëiste persoon is, gelet op het vertrouwensbeginsel, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Voorts blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon tijdens de voorbereidende procedure in de strafzaak in Polen zijn adres heeft verstrekt en de Poolse autoriteiten de oproepen voor de zittingen per post naar dit adres hebben verzonden. Verder blijkt uit de brief van 6 maart 2026 dat de opgeëiste persoon tijdens de voorbereidende procedure erop is gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de Poolse autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zijn oude woonadres heeft opgegeven, waar op dat moment zijn ouders woonachtig waren, en dat hij geen adreswijziging heeft doorgegeven terwijl hij wel in het voorjaar van 2020 naar Canada is vertrokken. Ook heeft hij verklaard dat hij tegen zijn ouders heeft gezegd dat zij geen stukken voor hem in ontvangst mochten nemen.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten ofwel kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet per post bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten.
Het verzoek tot aanhouding van de raadsman om de overige stukken te laten vertalen wijst de rechtbank af, omdat de aanvullende informatie die in de Engelse taal in het dossier aanwezig is voldoende inlichtingen geeft om tot dit oordeel te kunnen komen.
4.3.2
Beslissing van 29 juni 2021 met kenmerk II Ko 1396/21
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Daarnaast volgt uit het arrest van het HvJ EU van 9 oktober 2025 [6] (
Abbottly) dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien – kort gezegd – aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over beoordelingsruimte. Het gaat dan om beoordelingsruimte bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf en om beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf.
Uit de aanvullende informatie van 17 maart 2026 – in samenhang gelezen met de vraagstelling van het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) van het openbaar ministerie – begrijpt de rechtbank dat de vrijheidsbenemende straf van zes maanden geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling in het vonnis van 4 september 2020. Verder blijkt uit die informatie dat de Poolse rechter geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf. Uit de zin “
The length of the substitute sentence resulted from a pure conversion” begrijpt de rechtbank dat de Poolse rechter evenmin beoordelingsruimte had bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Daarom valt de beslissing van 29 juni 2021 met kenmerk II Ko 1396/21 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.

5.Strafbaarheid

5.1
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit, waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
5.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat het feit niet voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid en deze weigeringsgrond aan de orde is. Hij heeft verzocht om, ondanks vaste rechtspraak [7] , af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond gelet op het proportionaliteitsbeginsel. Aan Polen moet het signaal worden gegeven dat het overleveren voor een dusdanig gering feit als het niet betalen van kinderalimentatie niet in verhouding staat tot de kosten van de overleveringsprocedure voor de Nederlandse samenleving.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro om straffeloosheid te voorkomen. Het feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Daarnaast is het feit begaan in Polen door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Tot slot heeft de opgeëiste persoon niet voldaan aan de verplichting die door de Poolse rechtbank aan hem is opgelegd. Het proportionaliteitsbeginsel is hier niet aan de orde.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat niet is voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Het niet betalen van kinderalimentatie, in het licht van de omschrijving in het EAB, kan naar Nederlands recht niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd. De rechtbank kan aan de hand van de omschrijving van het feit in het EAB immers niet vaststellen dat de opgeëiste persoon tijdens het begaan van dit feit (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn minderjarige kind. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro van toepassing is.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is begaan in Polen, door een onderdaan van Polen en tegen andere onderdanen van Polen. Weigering van de overlevering zou leiden tot straffeloosheid, wat in beginsel voorkomen moet worden. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het proportionaliteitsbeginsel, zoals daar door de raadsman een beroep op is gedaan, geen criterium is dat een rol kan spelen bij de beoordeling van deze weigeringsgrond. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie) VIII Penal Division,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6773; Vgl. Rb. Amsterdam 3 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2687.
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (
7.De raadsman heeft hierbij verwezen naar Rb. Amsterdam 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7668 en Rb. Amsterdam 19 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2996.
8.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
9.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (