Art. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9, eerste lid, onder f, OLWArt. 11 OLWArt. 2:13 WETS
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel bij niet strafbaar niet betalen alimentatie
De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen wegens het niet betalen van alimentatie voor een minderjarig kind. Hoewel dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is, zag de rechtbank aanleiding om van weigering van overlevering af te zien vanwege de verstrekte terugkeergarantie dat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland kan uitzitten.
De rechtbank baseerde zich op het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Dubers, waarin is bepaald dat de erkenning van een buitenlands vonnis niet mag worden geweigerd vanwege het ontbreken van strafbaarheid in Nederland, tenzij er gewijzigde omstandigheden zijn die het niet uitvoeren van de terugkeergarantie rechtvaardigen. De rechtbank achtte de verstrekte garantie voldoende en zag geen aanleiding om nadere garanties te vragen.
Verder werd een verweer op grond van verjaring verworpen omdat het feit niet strafbaar is in Nederland en dus geen verjaring kan intreden. De rechtbank stelde ook vast dat er geen concreet gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen.
Ten aanzien van de detentieomstandigheden in het Poolse Huis van Bewaring te Jelenia Góra stelde de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon gemiddeld 1 uur en 42 minuten per dag buiten zijn cel kan doorbrengen, maar achtte dit onvoldoende om het algemene gevaar van schending van grondrechten weg te nemen. Daarom werd het onderzoek heropend en geschorst om nadere informatie te verkrijgen over de detentieomstandigheden en de mogelijkheden tot deelname aan activiteiten.
De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen, met een oproeping van de opgeëiste persoon en een tolk voor een nader te bepalen datum.
Uitkomst: De rechtbank ziet af van weigering van overlevering ondanks het ontbreken van strafbaarheid in Nederland en heropent en schorst het onderzoek voor nadere informatie over detentieomstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/161114-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 3 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 mei 2023 door the Regional Court in Jelenia Góra 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna “de opgeëiste persoon”.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.J. Linck, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Bij tussenuitspraak van 7 september 2023 [2] heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat partijen zich ter zitting kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ( hierna: Hof van Justitie).
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – in gewijzigde samenstelling, maar met instemming van partijen – voortgezet op de zitting van 28 september 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie, en de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsvrouw, mr. S.J. Linck. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij de beslistermijn van 90 dagen, als bedoeld in artikel 22, derde lid, OLW niet kan verlengen. Deze termijn is immers met ingang van 30 september 2023 verlopen, terwijl de rechtbank nog geen prejudiciële vragen heeft gesteld maar daartoe slechts een voornemen heeft geuit.
De rechtbank heeft - met toestemming van partijen - het onderzoek op de zitting van 26 oktober 2023 als enkelvoudige kamer gesloten en heeft een tussenuitspraak gewezen. [3]
De rechtbank heeft in die tussenuitspraak het onderzoek heropend teneinde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen [4] en heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de beantwoording van die vragen.
Op 8 februari 2024 heeft de rechtbank een zitting gehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de mogelijke gevolgen van een wetsvoorstel voor de gestelde prejudiciële vragen. Op deze zitting zijn verschenen de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. S.J. Linck.
Bij tussenuitspraak van 13 februari 2024 [5] heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te berichten dat de prejudiciële vragen I en II worden ingetrokken. Tevens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie over de prejudiciële vraag III.
Op 15 januari 2026 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen en de (resterende) prejudiciële vraag beantwoord. [6]
De behandeling van het EAB is - met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon - op de zitting van 5 maart 2026 hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 13 februari 2024. De behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een order of the District Court in Bolesławiecvan 4 april 2023 met zaaknummer II Kp 424/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de
opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [7]
4.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak van 26 oktober 2023 heeft vastgesteld, heeft de opgeëiste persoon aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en daarmee duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft. Uit een ten aanzien van de opgeëiste persoon opgemaakt advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst ( hierna: IND) blijkt dat de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat hij zodanige economische, sociale en taalkundige banden met Nederland heeft dat de kansen op sociale re-integratie in Nederland beter zijn dan die in de uitvaardigende lidstaat.
Gelet hierop kan de opgeëiste persoon op grond van artikel 6, derde lid, OLW met een Nederlander worden gelijkgesteld. Hij heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [8] De overlevering kan daarom worden toegestaan als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gegarandeerd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Regional Prosecutor’s Office in Jelenia Góraheeft op 8 augustus 2023 de volgende garantie gegeven:
with reference to your letter dated August 07, 2023, 1 would like to kindly inform you that the Polish party guarantees that if the prosecuted [de opgeëiste persoon] is sentenced by a Court in Poland for the acts described in the European Arrest Warrant to an absolute prison sentence, [de opgeëiste persoon] will be able to serve this prison sentence imprisonment in the Netherlands, should he so wish.
Deze garantie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende, zodat artikel 6 OLWPro niet aan overlevering in de weg staat.
5.Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Het EAB ziet op het niet betalen van alimentatie ten behoeve van het levensonderhoud van het kind van de opgeëiste persoon. Dit levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie is gebracht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. [9]
Het voorgaande betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLWPro van toepassing is.
De verdediging heeft primair bepleit, zo begrijpt de rechtbank, om niet af te zien van weigering. Reden daarvoor is dat de opgeëiste persoon een deel van dit feit in Nederland heeft gepleegd en er binding met de Nederlandse rechtsorde is. Subsidiair, zo begrijpt de rechtbank, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de beantwoording van de in deze zaak gestelde prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van Justitie, van de Minister van Justitie en Veiligheid een garantie moet worden gevraagd dat hij in een eventuele latere procedure in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) de erkenning van een Pools vonnis ook niet zal weigeren vanwege het gebrek aan dubbele strafbaarheid.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Minister van Justitie en Veiligheid gelet op het arrest van het Hof van Justitie rekening moet houden met de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de dubbele strafbaarheid, als een terugkeergarantie is verstrekt. De WETS is intussen gewijzigd, waaruit blijkt dat het oordeel van het Hof van Justitie zal worden gerespecteerd. Te meer nu de wetgever de wet al vóór het arrest van het Hof van Justitie heeft aangepast. Daarom verwacht de officier van justitie geen problemen bij de terugkeer van de opgeëiste persoon naar Nederland, na een eventuele veroordeling, op grond van de verstrekte terugkeergarantie.
De rechtbank ziet aanleiding om van weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft, nu de Poolse justitiële autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij de opgeëiste persoon willen vervolgen, het feit is begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen terwijl het minderjarige kind in Polen woonde. De enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Nederland verbleef toen hij in de betalingsverplichting tekort zou zijn geschoten, is niet voldoende om de weigeringsgrond toe te passen.
Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 26 oktober 2023 een prejudiciële vraag gesteld met het oog op de eventuele effectuering van de verstrekte terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW in het geval de rechtbank in het kader van de overleveringsprocedure heeft afgezien van de weigeringsgrond van artikel 7 OLWPro. Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, onder f, WETS, zoals deze bepaling gold ten tijde van het stellen van de prejudiciële vraag, was de Minister van Justitie en Veiligheid verplicht om, ook in het geval dat de veroordeelde eerder met een terugkeergarantie was overgeleverd, de erkenning van het vonnis van de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, en dus de terugzending van de opgeëiste persoon naar Nederland, te weigeren wegens het ontbreken van strafbaarheid van het feit naar Nederlands recht. Dit zou betekenen dat in de onderhavige situatie de terugkeergarantie, waarvan de rechtbank inmiddels heeft vastgesteld dat deze genoegzaam is, na een eventuele onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel in Polen niet zou kunnen worden geëffectueerd, omdat het niet betalen van alimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is. Alhoewel de Minister van Justitie en Veiligheid niet langer in een situatie als de onderhavige verplicht is de erkenning te weigeren wegens gebrek aan dubbele strafbaarheid, maar daartoe de bevoegdheid heeft (zoals na wijziging van de WETS per 1 oktober 2024 is neergelegd in artikel 2:14, eerste lid, onder c van de WETS), zou de Minister van Justitie en Veiligheid naar de letter van de wet met betrekking tot deze weigeringsgrond een andere beslissing kunnen nemen dan de rechtbank in het kader van artikel 7 OLWPro.
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 15 januari 2026 geoordeeld dat, kort gezegd, de lidstaten de facultatieve weigeringsgronden van artikel 9 KaderbesluitPro 2008/909/JBZ niet mogen omzetten als dwingende weigeringsgronden. Art. 2:13, eerste lid, onder f, WETS (oud) is derhalve niet in overeenstemming met artikel 9, eerste lid, onder d, van voormeld Kaderbesluit. Tevens heeft het Hof van Justitie een uitleg gegeven die meebrengt dat als de overlevering afhankelijk is gemaakt van de terugkeergarantie en de rechtbank heeft afgezien van weigering van de overlevering op grond van het ontbreken van de strafbaarheid naar Nederlands recht, de Minister van Justitie en Veiligheid in het kader van de terugkeer niet opnieuw mag beoordelen of het belang van maatschappelijke re-integratie zwaarder weegt dan het belang bij weigering op grond van het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht. De erkenning van het buitenlandse vonnis mag daarom in beginsel niet worden geweigerd vanwege het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht. Hierop bestaat naar het oordeel van het Hof van Justitie echter een uitzondering, namelijk als sprake is van gewijzigde omstandigheden in de juridische of feitelijke situatie van de opgeëiste persoon (het verzwakken of verdwijnen van de band met Nederland) die het niet uitvoeren van de terugkeergarantie rechtvaardigen. In dat geval mag de Minister van Justitie en Veiligheid wél een nieuwe beoordeling maken die ertoe kan leiden dat terugkeer naar Nederland achterwege blijft. Van doorkruising van de doelstelling van de terugkeergarantie is dan geen sprake, want terugkeer naar Nederland zou in een dergelijk geval niet meer die doelstelling dienen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met het door het Hof van Justitie geschapen kader voldoende gewaarborgd dat de Minister van Justitie en Veiligheid, behoudens de door het Hof van Justitie geschetste uitzonderingssituatie, het oordeel van de rechtbank over de weigeringsgrond van dubbele strafbaarheid zal volgen. De eerdere onzekerheid op dit punt, die aanleiding was voor het stellen van de prejudiciële vragen, kan daarom thans geen aanleiding meer zijn om gebruik te maken van de weigeringsgrond van artikel 7 OLWPro. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om op dit punt nadere garanties te vragen van de Minister van Justitie en Veiligheid, zoals door de raadsman verzocht. De Minister van Justitie en Veiligheid is immers gehouden de wet kaderbesluitconform uit te leggen, zodat er vanuit kan worden gegaan dat hij zich zal houden aan de uitspraak van het Hof van Justitie.
Concluderend acht de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 7 OLWPro van toepassing, maar ziet zij aanleiding om van gebruik van de weigeringsgrond af te zien.
6.Artikel 9, eerste lid, onder f, OLW
Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie
De raadsman heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, deels is verjaard. Weliswaar is het feit naar Nederlands recht niet strafbaar, maar Nederland heeft wel rechtsmacht via de gelijkstelling. Als wordt uitgegaan van artikel 255 vanPro het Wetboek van Strafrecht, dat een ernstiger strafbaar feit dan de Poolse verdenking zou opleveren, dan bedraagt daarvoor de maximaal op te leggen straf twee jaar. Dat betekent dat de mogelijkheid om de opgeëiste persoon te vervolgen na zes jaar zou zijn verjaard. Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering daarom kan worden geweigerd. De opgeëiste persoon is zich er van bewust dat dit tot gevolg zou hebben dat hij zijn vrije verkeersrechten binnen de Europese Unie (tijdelijk) opgeeft. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon maar voor een zeer beperkte periode, vanaf maart 2020 zou kunnen worden vervolgd, nu het een doorlopend feit betreft, en voor het overige kan worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, onder f, OLW.
De officier van justitie heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW. Daarentegen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid wel een probleem indien de opgeëiste persoon in Polen voor dit feit wordt veroordeeld en hij op grond van de verstrekte terugkeergarantie zijn straf in Nederland wil gaan uitzitten. Voor de Minister is de verjaring van de termijn waarbinnen de straf ten uitvoer kan worden gelegd op grond van de WETS immers een dwingende weigeringsgrond. Dit kan in theorie problemen opleveren. Aangezien het echter een theoretische casus is, verzoekt de officier van justitie de overlevering toe te staan want er is geen sprake van verjaring als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW zich niet voordoet. Naar Nederlands recht is het niet betalen van alimentatie immers niet strafbaar en daarom kan er naar Nederlands recht geen sprake zijn van verjaring van het recht om te vervolgen.
Wat betreft de verjaring van de termijn waarbinnen een eventueel in Polen opgelegde straf in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden en de gevolgen die dit heeft voor de erkenning van het Poolse vonnis, geldt dat de door de officier van justitie geschetste (theoretisch) problematiek niet zal spelen, alleen al omdat het feit naar Nederlands recht niet strafbaar is, zodat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht niet kan verjaren.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging, zal hij na overlevering aan Polen in voorlopige hechtenis verblijven, oftewel
in het zogenoemde remand regimeworden geplaatst .
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [12] en 6 juni 2024. [13]
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Op 20 februari 2026 heeft de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Jelenia Góra naar aanleiding van vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) de volgende informatie verstrekt:
(…) De eventuele arrestatie van de heer [de opgeëiste persoon] na zijn overbrenging [overlevering] naar Polen zal plaatsvinden in het Huis van Bewaring (…) te Jelenia Góra (…).
Volgens het Poolse Wetboek tenuitvoerlegging van vonnissen bedraagt de oppervlakte van een cel per gedetineerde minimaal 3 vierkante meter. (…)
Personen in voorlopige hechtenis hebben recht op een dagelijkse wandeling van 60 minuten. Daarnaast hebben gedetineerden, met toestemming van de bevoegde instantie, de mogelijkheid om bezoek te ontvangen (bezoek is 3 keer per week mogelijk, de duur van het bezoek is 60 minuten) en te telefoneren. In de afdelingen waar voorlopig gearresteerde personen verblijven, zijn ook gemeenschappelijke ruimtes [recreatiezalen]. De activiteiten vinden plaats volgens een schema. Er is ook de mogelijkheid om religieuze diensten bij te wonen. Als de weersomstandigheden het toelaten, worden er sport- en recreatieve activiteiten op buitenplaatsen georganiseerd.
Naast de bovengenoemde activiteiten, die bedoeld zijn om de vrije tijd van gedetineerden te vullen, verlaten zij hun cel om: medische onderzoeken of consulten te ondergaan, sociale en levensonderhoudskwesties te regelen, deel te nemen aan proceshandelingen.
Er moet ook worden opgemerkt dat gedetineerden tijdens hun voorlopige hechtenis permanent toegang hebben tot een opvoeder (PIW'er) en een psycholoog.
Op 4 maart 2026 heeft de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Jelenia Góra naar aanleiding van nadere vragen van het IRC het volgende verklaard:
(…) De persoonlijke ruimte van ten minste 3 m² per gedetineerde omvat geen sanitaire voorzieningen.
Het is niet mogelijk om concreet aan te geven hoeveel tijd een gedetineerde gemiddeld per dag buiten zijn cel doorbrengt. De mogelijkheden om de cel te verlaten, die ik in mijn vorige brief heb genoemd, staan gedetineerden toe, maar het gaat om resocialiserende maatregelen die individueel zijn afgestemd op de problemen van gedetineerden en die tot doel hebben hun tekortkomingen weg te werken, met als doel een goede resocialisatie. Verwijzing naar specifieke resocialisatieprogramma’s vindt plaats na een grondige diagnose van de gedetineerde, analyse van documenten en eventuele psychologische of psychiatrische consulten.
Op dit moment kunnen we, zonder enige informatie over de gedetineerde, verzekeren dat hij de mogelijkheid zal hebben om dagelijks te wandelen, maximaal 3 keer per week bezoek te ontvangen en 2 keer per week deel te nemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte [recreatiezalen], wat neerkomt op 1 uur, 42 minuten en 30 seconden per dag buiten zijn cel. Er moet ook worden opgemerkt dat gedetineerden tijdens de voorlopige hechtenis permanent toegang hebben tot een opvoeder en een psycholoog.
Het standpunt van de verdediging en van de officier van justitie
De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de verstrekte garantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. De aanvullende informatie is tegenstrijdig en een groot deel van de uren die de opgeëiste persoon buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen, zou bovendien in het kader van bezoeken zijn. De vraag is of een gedetineerde zelf kan invullen dat hij drie keer per week bezoek wil hebben. Dat moet worden aangevraagd en is dus niet zeker. Daarnaast woont de opgeëiste persoon al heel lang in Nederland en woont iedereen met wie hij binding heeft in Nederland. Hij kan dus niet drie keer per week bezoek krijgen. Er is al veelvuldig gecorrespondeerd en om aanvullende informatie gevraagd en daarom moet niet opnieuw worden aangehouden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit een redelijke termijn te gunnen. De raadsman heeft daarom verzocht om over twee weken uitspraak te doen omdat de zaak ook al erg lang loopt. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van het onderzoek en het stellen van een redelijke termijn.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat met de verstrekte garantie het algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank Amsterdam heeft het in haar uitspraken eerder genoeg gevonden als een opgeëiste persoon één uur en 33 minuten per dag buiten zijn cel kon doorbrengen of één uur en 40 minuten. Dat is minder dan wat de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gemiddeld aan tijd buiten zijn cel zal krijgen. De aanvullende informatie is daarom voldoende om het aangenomen algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon weg te nemen. Artikel 11 OLWPro staat dus niet aan overlevering in de weg. Subsidiair wordt verzocht om aanhouding van het onderzoek omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit op dit punt nog niet door de uitvoerende rechterlijke autoriteit is bevraagd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van de verstrekte informatie geen afgewogen oordeel kan vellen over de vraag of het aangenomen algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regimein Polen terechtkomen, al dan niet ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen.
Uit de informatie blijkt dat aan de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke celruimte van minimaal 3 m2, exclusief sanitair, ter beschikking staat. Hij zal dagelijks één uur kunnen wandelen, hij zal twee keer per week kunnen deelnemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte (waarvan de duur onbekend is) en hij zal maximaal drie keer per week een uur bezoek kunnen ontvangen. Verder zou de opgeëiste persoon nog om verscheidene andere, uiteenlopende, redenen zijn cel kunnen verlaten, maar naar de rechtbank begrijpt zijn deze activiteiten afhankelijk van een op de opgeëiste persoon toegesneden resocialisatieprogramma. In totaal zou hij met de dagelijkse wandeling, maximaal driemaal per week bezoek en tweemaal per week verblijf in de gemeenschappelijke ruimte in ieder geval één uur, 42 minuten en 30 seconden per dag buiten zijn cel kunnen doorbrengen.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. [14]
Om vast te stellen dat het algemene reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen in die gevallen waarin niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient de rechtbank op basis van op de opgeëiste persoon toegespitste informatie een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse remand regimete kunnen maken.
Op grond van de aanvullende informatie is het de rechtbank onvoldoende duidelijk aan welke activiteiten de opgeëiste persoon op dagelijkse of structurele basis kan meedoen en vooral hoe lang en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon dagelijks mee kan doen aan deze activiteiten, ervan uitgaande dat hij ervoor kiest om aan de activiteiten mee te doen. Uit de aanvullende informatie blijkt niet hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon gemiddeld, onder reguliere omstandigheden in de detentie-instelling toegang heeft tot activiteiten of open ruimtes. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het drie uren per week kunnen ontvangen van bezoek in het geval van de opgeëiste persoon, die al sinds 2011 in Nederland woont en hier zijn (sociale) leven heeft opgebouwd, geen realistische optie is. Alleen al om die reden kan de door de Poolse autoriteiten gestelde tijdspanne van één uur, 42 minuten en 30 seconden buiten de cel het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegnemen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van het kaderbesluit 2002/584/JBZ nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, nu er nog niet eerder aanvullende vragen door de rechtbank als uitvoerende justitiële autoriteit zijn gesteld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regimein Polen terechtkomen eerst is vastgesteld nadatde rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld.
Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en gelijktijdig schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Kunt u concrete informatie verschaffen waaruit de rechtbank kan afleiden hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon na overlevering in het Huis van Bewaring in Jelenia Góra onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, ervan uitgaande dat de opgeëiste persoon niet in staat zal zijn driemaal per week een uur per bezoek te ontvangen. Kunt u daarbij, voor zover van toepassing, aandacht besteden aan de volgende aspecten:
wat is de frequentie en duur waarmee activiteiten plaatsvinden en waarmee de opgeëiste persoon toegang heeft tot eventuele openbare ruimtes buiten de cel?
is de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels is deze deelname afhankelijk?
welke eventuele andere voorzieningen of maatregelen kunnen worden genomen waardoor het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen?
8.Beslissing
HEROPENTen SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
11.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar Hof van Justitie EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (