ECLI:NL:RBAMS:2026:1803

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
13-060860-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel Letland met aanhouding en schorsing

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Letland voor de overlevering van een persoon geboren in 1970, met het oog op vervolging en executie van een vrijheidsstraf. De officier van justitie werd ontvankelijk verklaard in haar vordering, ondanks eerdere rauwelijkse afwijzing van een EAB in 2014, omdat het huidige EAB nieuw is en de omstandigheden gewijzigd.

De rechtbank oordeelde dat de verzetgarantie in het EAB voldoet aan de eisen van artikel 12 OLW Pro, waardoor de overlevering niet geweigerd wordt op die grond. Hoewel de dubbele strafbaarheid voor prostitutiefeiten ontbreekt, zag de rechtbank af van toepassing van de weigeringsgrond artikel 7 OLW Pro vanwege onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde en het voorkomen van straffeloosheid.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de terugkeergarantie van artikel 6 OLW Pro, welke door Letland is bevestigd. De rechtbank stelde vast dat de verjaring van het witwasfeit niet is ingetreden. Gezien het algemene reële gevaar van onmenselijke behandeling in Letse gevangenissen en onvoldoende concrete informatie over de individuele situatie, stelde de rechtbank een redelijke termijn van 30 dagen voor aanvullende informatie en hield de beslissing aan. De gevangenhouding werd verlengd met 60 dagen.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan en stelt een redelijke termijn van 30 dagen voor aanvullende informatie over detentieomstandigheden in Letland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-060860-24
Datum uitspraak: 19 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2023 door
the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Uit het EAB blijkt dat de overlevering wordt verzocht voor zowel de vervolging van de opgeëiste persoon als voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsbenemende straf.
Vervolging van de opgeëiste persoon
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the Rïga City Centre District Courtvan
22 oktober 2014 met kenmerk 12507000312.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Lets recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
Tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Rïga City Courtvan 25 januari 2023, met kenmerk 11815002311 (K77-48-23/87).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [4]

4.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege schending van het vertrouwensbeginsel. De Letse autoriteiten hebben al in 2014 om de overlevering van de opgeëiste persoon gevraagd. Het EAB is toen rauwelijks afgewezen door het Openbaar Ministerie (OM). Deze afwijzing is bij brief van 1 mei 2017 aan de opgeëiste persoon bevestigd. In die brief heeft het OM geconcludeerd dat de prostitutiefeiten en daarmee ook de daaruit voortvloeiende feiten - het witwassen - niet strafbaar zijn in Nederland. Aan deze conclusie heeft de opgeëiste persoon een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat het OM niet zou overgaan tot overlevering voor de feiten waarvoor destijds zijn overlevering is verzocht. De feiten uit het EAB van 2014 zijn gelijkluidend aan de feiten in het huidige EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro is tegenwoordig facultatief. Daarnaast is er een nieuw EAB uitgevaardigd waarop moet worden beslist. De opgeëiste persoon heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan de brief van het OM uit 2017, aangezien het gaat om een nieuw EAB. De eerdere afwijzing van het OM zegt niet dat de grondslag daarvan, namelijk de Letse veroordeling en de vervolging, is komen te vervallen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de afwijzing door het OM van het EAB uit 2014 niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij in de toekomst niet zou kunnen worden overgeleverd voor diezelfde feiten. In 2017 is het overleveringsverzoek rauwelijks afgewezen door het OM vanwege het destijds geldende artikel 7 OLW Pro. In dit verband overweegt de rechtbank allereerst dat een rauwelijkse afwijzing van het EAB door de officier van justitie in strijd is met Kaderbesluit 2002/584/JBZ, omdat dit kaderbesluit de bevoegdheid om over de tenuitvoerlegging van een EAB te beslissen opdraagt aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Daarnaast betekent een weigering niet dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen nieuw EAB kan uitvaardigen voor dezelfde feiten waarvoor de overlevering destijds op grond van het toen uitgevaardigde EAB werd geweigerd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest
AYvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). [5] Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op elk EAB een beslissing moet nemen, ook als de overlevering eerder is geweigerd. Bovendien vermeldt de brief van het OM van 1 mei 2017 dat de opgeëiste persoon ‘in de huidige omstandigheden’ niet kan worden overgeleverd voor de feiten waarvan hij in Letland destijds werd verdacht. Die ‘huidige omstandigheden’ zijn inmiddels gewijzigd door een wetswijziging, waarmee artikel 7 OLW Pro een zogenoemde facultatieve weigeringsgrond is geworden. Voorts overweegt de rechtbank dat de gestelde strijd met het vertrouwensbeginsel naar het Unierecht geen grond oplevert om de overlevering niet toe te staan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering op grond van artikel 23 OLW Pro. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het executiegedeelte moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. In het EAB is een verzetgarantie afgegeven, maar deze bevat slechts algemene informatie. Niet duidelijk is wanneer de daarin genoemde termijn van 30 dagen waarbinnen de opgeëiste persoon verzet of hoger beroep moet instellen, begint te lopen. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om hierover duidelijkheid te verkrijgen van de Letse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [6] op het standpunt gesteld dat de verstrekte verzetgarantie voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
“3.4. the person was not personally served with the judgment, but
- the person will be personally served with this decision without delay after the
surrender, and
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and
- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a
retrial or appeal, which will be 30 days.”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, blijkt uit deze garantie ondubbelzinnig wanneer de termijn om verzet of hoger beroep in te stellen begint te lopen, namelijk vanaf het moment dat de beslissing - na feitelijke overlevering - aan de opgeëiste persoon is betekend en waarbij hij over de termijn van 30 dagen zal worden geïnformeerd. [7]
Nu sprake is van een afdoende verzetgarantie is het vonnis niet onherroepelijk, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder punt 7.

6.Strafbaarheid

6.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit drie (het witwassen) lichtvaardig is aangekruist als lijstfeit en dat ten aanzien van dat feit daarom de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon geld verdiende binnen zijn legitieme bedrijven maakt niet dat dit geld afkomstig was van zijn werkzaamheden voor het escortbureau. De opgeëiste persoon had een aantal bedrijven waarin winst werd gemaakt, maar die niets met strafbare feiten te maken hadden. Er is dan ook geen sprake van witwassen via deze bedrijven. Daarnaast zijn de prostitutiefeiten niet strafbaar naar Nederlands recht, waardoor de opbrengsten daarvan ook niet als opbrengsten uit een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien was het OM in 2017 kennelijk van oordeel dat het witwasfeit geen strafbaar feit naar Nederlands recht opleverde. De overlevering van de opgeëiste persoon dient daarom op grond van artikel 7 OLW Pro te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit met betrekking tot feit drie in redelijkheid is aangekruist. De dubbele strafbaarheid hoeft daarom niet getoetst te worden. De inhoudelijke toets die ziet op de herkomst van de gelden dient in Letland plaats te vinden.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit drie aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Letland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [8] Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit drie waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
6.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de prostitutiefeiten (feiten één en twee) niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Er is dus niet voldaan aan de voor overlevering vereiste dubbele strafbaarheid, zodat voor deze feiten de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 7 OLW Pro.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de prostitutiefeiten niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Het gaat hier echter om een facultatieve weigeringsgrond. Daarom heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om af te zien van weigering. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde nu de feiten zijn begaan in Letland. De feiten hangen daarnaast samen met feit drie. Bovendien kan weigering van de overlevering leiden tot straffeloosheid. Tot slot heeft de officier van justitie verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 15 januari 2026. [9]
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten één en twee (de prostitutiefeiten) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van deze feiten niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De Nederlandse wet kent geen strafbaarstelling voor het exploiteren van de opbrengsten van prostitutie zonder dat er minderjarigen bij betrokken zijn en/of sprake is van een uitbuitingssituatie. Uit het EAB blijkt niet dat sprake is van minderjarigen en/of een uitbuitingssituatie. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro van toepassing is.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van toepassing van deze weigeringsgrond af te zien. Daarbij is redengevend dat de feiten onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde hebben. De feiten zijn immers begaan in en vanuit Letland nu daar het centrum van de prostititiewerkzaamheden plaatsvonden. De feiten zijn voorts begaan tegen (hoofdzakelijk) Letse onderdanen, waarbij de rechtsorde van Letland is geschonden. Weigering van overlevering voor deze feiten zou verder leiden tot straffeloosheid, wat in beginsel voorkomen moet worden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

7.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [10] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Prosecutor of the International Cooperation Division of the General Prosecutor’s Office of the Republic of Latviaheeft op 19 januari 2026 de volgende garantie gegeven:
“The General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia expresses its respect to the Public Prosecutor’s Office of the Amsterdam District Court of the Kingdom of the Netherlands and responding to your e-mail from 12 January 2026 on extradition case of [opgeëiste persoon] informs, that after consultations with the Ministry of Justice of the Republic of Latviathe General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia guarantees, that in case [opgeëiste persoon] after his surrender to the Republic of Latvia is sentenced to a prison sentence in Latvia, he will be returned for serving that custodial sentence to the Netherlands.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

8.Artikel 9 OLW Pro: verjaring

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat voor het witwasfeit de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, omdat het recht op vervolging voor dit feit verjaard is. Aangezien de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en witwassen in Letland een strafbaar feit is, heeft Nederland op grond van artikel 7 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) rechtsmacht over dat feit. Op witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Sr staat een maximale gevangenisstraf van zes jaren, zodat op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren geldt. De laatste handeling jegens de opgeëiste persoon die de verjaring heeft doen stuiten, was het moment waarop hij in Letland uit voorlopige hechtenis werd vrijgelaten. Het enkele feit dat in 2014 een EAB was uitgevaardigd dat door het OM rauwelijks was afgewezen, kan niet gelden als een stuitingshandeling. Het uitvaardigen van een EAB kan niet worden gelijkgesteld aan een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 Sr Pro.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verjaring en dat de overlevering kan worden toegestaan. De verjaringstermijn van witwassen is naar Nederlands recht twaalf jaar. In geval van vervolgingsverjaring geldt de uitvaardiging van een EAB als een stuitingshandeling. [11] Er is dus een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen toen het eerdere EAB van 23 december 2014 werd uitgevaardigd.
Oordeel van de rechtbank
Eerder in deze uitspraak heeft de rechtbank al vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat ingevolge artikel 7, eerste lid, Sr sprake is van rechtsmacht ten aanzien van het witwasfeit. Om te bepalen of het recht tot strafvervolging voor dit feit verjaard is, moet daarom worden gekeken naar Nederlands recht.
Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr vervalt het recht tot strafvervolging voor dit feit na twaalf jaren. Uitgaande van de datum waarop het feit voor het eerst zou zijn gepleegd, namelijk 23 april 2010, zou de verjaringstermijn op 23 april 2022 zijn verlopen. De vraag is vervolgens of deze verjaringstermijn is gestuit als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr en, zo ja, of die stuitingshandeling tot gevolg heeft gehad dat de verjaringstermijn op dit moment nog loopt.
Al eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitvaardiging van een EAB in ieder geval als stuitingshandeling gezien moet worden. [12] Dit betekent dat met de uitvaardiging van het eerdere EAB op 23 december 2014 de verjaring is gestuit. Na deze stuitingshandeling is vervolgens een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren aangevangen, zodat het recht tot strafvervolging op dit moment nog niet is verjaard
Evenmin is sprake van verjaring naar Nederlands recht op de grond dat vanaf de aanvang van de verjaringsperiode op 23 april 2010 een periode van twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn van twaalf jaar is verstreken. [13]
De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is dus niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

9.Artikel 11 OLW Pro: Letse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 [14] en 19 september 2024 [15] , geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld. Het algemene gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg.
Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering aan Letland.
The Department of Imprisonment Institutionsin Riga heeft op 16 januari 2026 - voor zover van belang - in antwoord op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) gestelde vragen van 29 december 2025, de volgende informatie verstrekt:

In reply to 1st question “In which prison in Latvia will the wanted person most likely be detained after his surrender?”the Department informs that the person concerned will be initially placed in Rïga Central Prison Investigation Prison Unit in case of his extradition to the Republic of Latvia.
(…)
In summary, the continuous supervision system (i.e. 24/7) is combined with the video surveillance, regular checks and operational action by the staff to efficiently prevent any abuse and to ensure the protection of prisoners from inhuman or degrading treatment.
(…)
[P]risoners are uninterruptedly monitored, and they have an operative access to officials, that guarantees the prisoner a possibility to directly refer to the prison officials at any time in case of endangerment.
(…)
[I]f prisoner is in danger of being subjected to inhuman or degrading treatment, the relocation to another cell, unit or other secure roomis ensured immediately, as soon as any threats are found or there is an impartially demonstrable endangerment to the safety of the prisoner.
(…)
[T]he placing of convicts into any specific prison shall be decided by Chief of the Department of Imprisonment Institutions (…) according to themedical, security and crime prevention criteria. According to the Section 132(1) of the Code the committee for the allocation of convicted persons established by the order of the head of a prison shall determine in which ward, unit and cell of the prison the convicted person shall be placed,considering vacant places in cells, psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal record of the convicted persons. Those convicts whose personal qualities and the criminal experience would have the negative impact to other convicts, or who are oppressing and abusing others, also shall be placed separately.
(…)
For the prevention of the prisoners’ informal hierarchy in prisons the Ministry of Justice developed and the Cabinet of Ministers supported on 8 October 2024 (Minutes No 41, § 33) the informative report “Action to reduce the informal hierarchy of prisoners in prisons”. (…)
Regarding the improvements in procedures for ensuring the safety of the prisoners – a number of important improvements have been introduced in the regulatory enactments concerning the safety of the prisoners, especially regarding those who have been subjected to or fear of inter-prisoner violence. These improvements include internal procedures alongside technological and operational measures. The Department has improved the procedure for relocation of prisoners to another cell or place of imprisonment in the event of a threat to their safety; relocation is also possible in cases of any physical threats or psychological pressure from other prisoners.
Op 23 januari 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en verzocht meer concrete informatie te verstrekken om het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen. In de aanvullende informatie van
The Department of Imprisonment Institutionsvan 30 januari 2026 is vervolgens onder meer het volgende vermeld:
“[T]he person concerned in case of his extradition to the Republic of Latvia initially will be placed in Rïga Central Prison Investigation Prison Unit. The person will stay in the mentioned imprisonment institution until the moment when the abovementioned court ruling will come into legal force and when respective decision will be taken within the criminal procedure or when the respective court ruling will come into force and will be handed over for the enforcement. (…)
[I]n the Republic of Latvia now there are nine prisons where prisoners are placed in custody or serve their custodial sentence, including fiveclosed prisons, namely, Daugavgrïva Prison, Jelgava Prison, Olaine Prison, Valmiera Prison and Jëkabpils Prison,andclosed wards in two prisons, namely, inRïga Central Prison and Liepäja Prison.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De beantwoording van
The Department of Imprisonment Institutionsis onvoldoende om het algemeen gevaar op onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen. [16] Daarnaast loopt de opgeëiste persoon extra gevaar in de Letse detentie-instelling, omdat hij buitenlander is en wordt verdacht van feiten die hem onderaan het kastensysteem plaatsen. Voorts is gewezen op zijn gezondheidssituatie. De opgeëiste persoon is afhankelijk van een aanzienlijke hoeveelheid medicatie en periodieke controles, maar onduidelijk is in hoeverre de Letse autoriteiten daarin kunnen voorzien. De raadsman heeft de rechtbank vervolgens verzocht geen redelijke termijn te stellen, aangezien niet de verwachting bestaat dat een wijziging in omstandigheden zal optreden. Subsidiair moet aan de Letse autoriteiten een redelijke termijn worden gesteld. Meer subsidiair moeten aanvullende vragen worden gesteld aan de Letse autoriteiten in verband met de medische situatie van de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een redelijke termijn van 30 dagen te stellen om de Letse autoriteiten in de gelegenheid te stellen concrete en op de opgeëiste persoon toegespitste aanvullende informatie te verstrekken. [17] The Department of Imprisonment Institutionsheeft met de aanvullende informatie onvoldoende concreet antwoord gegeven op de vragen met betrekking tot de
inter-prisoner violence, het kastenstelsel en de individuele veiligheid van de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft
The Department of Imprisonment Institutionsmet de verstrekte informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie geplaatst wordt. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt alleen informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt er gesproken over negen detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst.
Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.
Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 20 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of binnen de redelijke termijn een wijziging in de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 6 maart 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

10.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn (die verstrijkt op 20 maart 2026), namelijk in de periode van
24 maart 2026 tot en met 2 april 2026.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen(
eindigend op
23 april 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
60 dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn
raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel - Getuige), EU:C:2018:602.
6.Rb. Amsterdam, 27 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2036.
7.Zie ook: Rb. Amsterdam, 12 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:206.
8.Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
9.Zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 januari 2026, ECLI:EU:C:2026:3 (
10.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
11.De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 21 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:462.
12.Rb. Amsterdam, 9 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3658.
13.Art. 72, tweede lid, Sr.
14.Rb. Amsterdam, 21 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1005.
15.Rb. Amsterdam, 19 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6164.
16.De raadsman heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:606.
17.De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:606.