ECLI:NL:RBAMS:2026:462

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
13/288662-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel van Polen met betrekking tot opgeëiste persoon

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen is uitgevaardigd. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1962 in Polen, die wordt verdacht van oplichting. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden om partijen de gelegenheid te geven een standpunt in te nemen over de verjaring van de vervolging. De officier van justitie heeft de verjaring niet betwist, maar stelt dat er stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden die de verjaringstermijn hebben verlengd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft, waardoor zij gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Polen beoordeeld en geconcludeerd dat er een algemeen reëel gevaar bestaat voor schending van de grondrechten van gedetineerden. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een termijn van 30 dagen vastgesteld voor het verkrijgen van aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/288662-25
Datum uitspraak: 21 januari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 6 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2013 door
the Circuit Court in Katowice, V Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the Katowice Circuit Court of 16th April 2008 with reference XXIII Kz 116/08 on imposing pre-trial detention for a period of 1 month from the date of her arrest.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op artikel 6, eerste lid, van de OLW om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander. De officier van justitie heeft zich hiertegen niet verzet.
Om hiervoor in aanmerking te komen moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
  • de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
  • ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Uit de informatiestaat SKDB blijkt dat de opgeëiste persoon sedert 2016 onafgebroken ingeschreven staat op een adres in Nederland. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt voorts dat zij gedurende een periode van ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit het UWV verzekeringsbericht blijkt dat zij in de jaren 2018-2022 voldoende uren gewerkt heeft in dienstverband en dat zij sedertdien deels heeft gewerkt en deels een Ziektewetuitkering heeft ontvangen. Haar inkomen was over alle jaren (ruim) voldoende. De rechtbank stelt vast dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit de brief van de IND van 15 december 2025 volgt dat het strafrechtelijke feit er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht verliest. Hiermee is voldaan aan de tweede voorwaarde.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van haar gezinsleven en haar belangen in Nederland gevestigd.4 De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
In een e-mail van 16 december 2025 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) aan de Poolse autoriteiten verzocht een garantie te verstrekken als bedoeld in artikel 5, paragraaf 3, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De officier van justitie in Katowice heeft bij brief van 30 december 2025 onder meer de volgende informatie verstrekt:
“Tegelijkertijd deel ik u vriendelijk mee dat in het geval van een veroordeling van [opgeëiste persoon] tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf - overeenkomstig de geldende bepalingen van het Poolse recht - er geen juridische belemmeringen zijn om deze straf op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden uit te zitten, mits aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.”
Bij brief van 5 januari 2026 heeft de officier van justitie in Katowice dit standpunt herhaald, met de opmerking dat de beslissing hierover niet bij de officier van justitie ligt.
De raadsman heeft zich op het standpunt dat deze verklaring niet voldoende garantie biedt. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dat wel het geval is. Hij heeft verwezen naar een tweetal uitspraken van de rechtbank van 6 maart 2024 en 17 september 2025. [4]
De rechtbank oordeelt als volgt. Anders dan in de door de officier genoemde uitspraken het geval is, wordt in de informatie die thans voorligt niet verwezen naar het specifieke artikel in het Poolse wetboek (artikel 607j van
the Code of Criminal Procedure, hierna: CCP). Desalniettemin acht de rechtbank het duidelijk dat met de zinsnede “overeenkomstig de geldende bepalingen van het Poolse recht” bedoeld is naar dit artikel te verwijzen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat artikel 607j CCP een implementatie betreft van artikel 5, paragraaf 3, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, in die zin dat als de overlevering afhankelijk is gesteld van een garantie als bedoeld in dat artikel, de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk uitspraak opgelegde vrijheidsstraf plaatsvindt met toepassing van artikel 607j CCP. Over de toepassing van dat artikel is in een andere zaak [5] de volgende informatie verstrekt:
“In fact, if the executing state - in this case, the Dutch Party - hands over the prosecuted person on the condition that the execution of a sentence of deprivation of liberty or other measure involving deprivation of liberty will take place in that state, the execution proceedings (in the Republic of Poland) are not initiated. In that case, the court competent to hear the case, immediately after the judgment becomes final, shall issue a decision to transfer the convicted person to the competent member state of the European Union for execution of the sentence imposed or other measure involving deprivation of liberty (so: Article 607j paragraphs 1 and 2 of the Code of Criminal Procedure of June 06, 1997).
Article 607j thus regulates the issue of the so-called conditional (return) surrender of a prosecuted person and links to the guarantee arising from the content of Article 5(3) of Council Framework Decision 2002/584/JHA, which in turn provides that "where a person who is the subject of a European arrest warrant for the purpose of prosecution, is considered a national or a person permanently resident in the executing Member State, surrender shall be subject to the condition that the person, after a trial, shall be surrendered to the executing Member State in order to serve there the custodial sentence or detention order passed in the issuing Member State.
The aforementioned provision has a guarantee character, allowing the person to serve a sentence of deprivation of liberty in the state that carried out the transfer.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie, in het licht van vraagstelling door het IRC en de hiervoor genoemde ambtshalve bekende informatie, voldoende.

6.Artikel 9 OLW; verjaring

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat nu de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, Nederland rechtsmacht heeft en derhalve op grond van artikel 9 OLW gekeken moet worden of er sprake is van verjaring van de vervolging naar Nederlands recht. De maximale straf voor oplichting is vier jaren en de opgeëiste persoon wordt ervan verdacht dit feit op 3 juli 2002 te hebben gepleegd. Op grond van artikel 70, eerste lid onder 3, Wetboek van strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering voor dit feit dus na twaalf jaren. Ook als ervan wordt uitgegaan dat het uitvaardigen van het EAB op 16 december 2013 de verjaring gestuit heeft, is inmiddels (januari 2026) sprake van verjaring. Weliswaar is sprake van een facultatieve weigeringsgrond, maar de raadsman heeft de rechtbank verzocht niet van weigering af te zien. De raadsman verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank van 28 augustus 2025. [6] De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander en de rechtsmacht van Nederland niet betwist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn voor vervolging voor het strafbare feit niet naar Nederlands recht is verjaard. Er hebben namelijk stuitingshandelingen plaatsgevonden in 2014 en 2021. Hij heeft in dit kader verwezen naar twee formulieren uit het Schengen Informatiesysteem (SIS), te weten een A-formulier, dat van 5 maart 2014 dateert, als ook naar een M-formulier dat op 18 februari 2021 is uitgebracht, welke formulieren hij ter zitting heeft overgelegd. Dit zijn allemaal stuitingshandelingen. De verjaringstermijn begint dan ook pas in februari 2021 te lopen, na de laatste stuitingshandeling, waardoor van verjaring van de termijn van vervolging geen sprake is.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon wordt verdacht van het plegen van één strafbaar feit, door de Poolse autoriteiten als lijstfeit
oplichtingaangeduid, dat gepleegd zou zijn op 3 juli 2002 in Polen. Zoals de rechtbank onder punt 5 heeft vastgesteld verblijft de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland, zodat zij ook kan worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 7, derde lid, Sr jo. artikel 86b Sr. Daaruit volgt dat Nederland rechtsmacht heeft op grond van artikel 7, eerste lid, Sr. Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 70, eerste lid onder 3, Sr het recht tot strafvordering voor dit feit na twaalf jaren vervalt. Uitgaande van de datum waarop het feit zou zijn gepleegd, zou de verjaringstermijn al op 3 juli 2014 zijn verlopen. De vraag is of de verjaringstermijn is gestuit als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr en, zo ja, of die stuitingshandeling tot gevolg hebben dat de verjaringstermijn op dit moment nog loopt.
Reeds eerder is vastgesteld dat het uitvaardigen van het EAB in ieder geval als stuitingshandeling gezien moet worden. [7] Ook als de datum van het uitvaardigen van het EAB op 16 december 2013 als stuitingshandeling geldt, is echter inmiddels de termijn voor vervolging verjaard.
In het onderhavige geval is door de Poolse autoriteiten aan Nederland een zogenaamd M-formulier toegezonden, op grond waarvan een signalerende lidstaat een andere lidstaat kan informeren over de mogelijke verblijfplaats van een gesignaleerde persoon. In het door de officier van justitie ingebrachte M-formulier, dat gedateerd is op 18 februari 2021, staan de persoonsgegevens van de opgeëiste persoon en bij de rubriek “
request for information”:
DEAR COLLEAGUES,
ACCORDING TO INFORMATION RECEIVED FROM OUR COMPETENT AUTHORITIES THE WANTED PERSON PROBABLY LIVES IN THE NETHERLANDS AT THE FOLLOWING ADDRESS:
[adres] .
PLEASE KINDLY CHECK THE ABOVE INFORMATION AND TAKE APPROPRIATE MEASURES TO LOCATE AND ARREST THE WANTED PERSON.
THANK YOU FOR COOPERATION.
KIND REGARDS, SIRENE POLAND, KAMILA
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het toesturen van een M-formulier door het Poolse Sirene-bureau aan het Nederlandse Sirene-bureau kan worden aangemerkt als een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr. De rechtbank constateert dat de raadsman nog niet de gelegenheid heeft gehad om hier een onderbouwd standpunt over in te nemen, aangezien hij pas ter zitting van 7 januari 2026 voor het eerst werd geconfronteerd met het M-formulier. De rechtbank zal daarom de behandeling van het EAB aanhouden om de raadsman en de officier van justitie de gelegenheid te geven om een (nader) standpunt in te nemen over de vraag of het toezenden van het M-formulier een daad van vervolging is als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr. De rechtbank wenst daarbij ook van partijen te vernemen of, en zo ja, op welke wijze, volgens hen daarbij relevant is dat het M-formulier is toegezonden door het Poolse Sirene-bureau, zijnde een onderdeel van de Poolse politieorganisatie. [8]

7.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft (subsidiair) betoogd dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat met de aanvullende informatie het algemeen gevaar in “
remand prisons” niet is weggenomen. Hij heeft betoogd dat aan de Poolse autoriteiten niet een redelijke termijn moet worden gegeven om af te wachten of er nog een wijziging in de omstandigheden optreedt, maar dat de rechtbank nu reeds geen gevolg moet geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Een dergelijke wijziging van omstandigheden is immers niet te verwachten, omdat al drie keer om aanvullende informatie gevraagd en elke keer dezelfde informatie wordt gegeven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat als de rechtbank oordeelt dat de thans beschikbare informatie over de gevangenis in Katowice onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het algemeen gevaar weg te nemen, de rechtbank de zaak dient aan te houden om de Poolse autoriteiten op grond van artikel 11, tweede lid, OLW nog een termijn te geven, nu er een mogelijkheid bestaat dat er een wijziging van de omstandigheden optreedt waardoor het algemeen reële gevaar alsnog wordt uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
In eerdere uitspraken [9] heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Uit de aanvullende informatie van 16 december 2025 maakt de rechtbank op dat de opgeëiste persoon na overlevering geplaatst zal worden in de onderzoeksgevangenis van Katowice, waar zij over ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel zal beschikken, exclusief sanitair. Met betrekking tot de tijd die de opgeëiste persoon buiten de cel kan verblijven is de volgende informatie gegeven:
“ [opgeëiste persoon] zal na haar plaatsing in de onderzoeksgevangenis de
mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die door de penitentiaire
inrichting worden georganiseerd. Gedetineerden kunnen buiten hun cel gebruikmaken
van de volgende vormen van vrijetijdsbesteding:
- wandeling (1 uur per dag),
- activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte (1 keer per week),
- mogelijkheid om deel te nemen aan religieuze diensten (afhankelijk van de

behoeften, in overleg met de gevangenispastor),

- lopende gesprekken met opvoeders en psychologen (afhankelijk van de behoeften),
- mogelijkheid om gebruik te maken van de gevangenisbibliotheek (1 keer per week),
- deelname aan culturele en educatieve activiteiten (1 keer per week),
- deelname aan een bezoek met een naaste,
- gebruik van een zelfbetalende telefoon.”
In dezelfde brief is aangegeven dat niet gegarandeerd kan worden dat zij twee uur per dagen buiten de cel kan doorbrengen. Ook in de aanvullende informatie van 30 december 2025 en 5 januari 2026 wordt dit standpunt herhaald. Hiermee is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. De Poolse autoriteiten geven immers aan dat het niet mogelijk is om aan te geven hoeveel tijd de opgeëiste persoon gemiddeld dagelijks buiten de cel kan verblijven. Uit de voornoemde informatie volgt dat een wandeling van een uur per dag mogelijk is. De overige activiteiten vinden eenmaal per week plaats of in overleg. Er is dan ook onvoldoende informatie beschikbaar op basis waarvan de rechtbank zelf kan concluderen hoe lang de in de informatie genoemde activiteiten duren en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon aan die activiteiten kan deelnemen. Dat betekent dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat dat zij in detentie in het
remand regimein Polen onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het echter – anders dan de raadsman – niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er weliswaar al meerdere malen vragen aan de Poolse autoriteiten zijn gesteld, maar dat daarbij niet aan de Poolse autoriteiten is meegedeeld dat de rechtbank mogelijk tot niet-ontvankelijkheidsverklaring overgaat, als er geen afdoende garantie gegeven wordt. Ook weegt de rechtbank mee dat zij in eerdere zaken waarin het vervolgings-EAB was uitgevaardigd door de
Circuit Court in Katowicede overlevering heeft toegestaan omdat er een afdoende detentiegarantie ten aanzien van andere detentie-instellingen was gegeven, zodat niet uitgesloten is dat een dergelijke garantie ook in de onderhavige zaak kan worden gegeven. [10]
De rechtbank houdt daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen na deze uitspraak. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 20 februari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 31 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

8.Evenredigheid

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de jurisprudentie van deze rechtbank hierover, geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB. De rechtbank ziet niettemin aanleiding om met betrekking tot de evenredigheid het volgende te overwegen.
Uit het stelsel van overlevering volgt dat een evenredigheidsafweging is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB in beginsel gegeven. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse rechterlijke autoriteit gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
De rechtbank stelt evenwel vast dat het EAB in de onderhavige zaak ruim 12 jaar geleden, op
16 december 2013 is uitgevaardigd. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat er sinds die datum nog een rechterlijke autoriteit is geweest die een tussentijdse beoordeling heeft gedaan van de evenredigheid van (de verdere uitvoering van) het EAB. Alhoewel het niet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit is om een dergelijke afweging te maken, ziet de rechtbank in de onderhavige zaak een aantal omstandigheden die maken dat zij zich afvraagt of, indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op dit moment een nieuwe evenredigheidstoets zou toepassen, de afweging thans dezelfde uitkomst zou hebben als in 2013.
In de eerste plaats gaat het inmiddels om een verdenking van een feit dat bijna 24 jaar geleden zou zijn gepleegd. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat dit lange tijdsverloop voor een belangrijk deel niet aan de Poolse, maar aan de Nederlandse autoriteiten heeft gelegen. De Poolse autoriteiten hebben immers in 2013 een EAB uitgevaardigd en in ieder geval staat de opgeëiste persoon sinds 2014 gesignaleerd, met de aantekening dat ze zich waarschijnlijk in Nederland bevindt. Aangezien de opgeëiste persoon sinds 2015 op een Nederlands adres stond ingeschreven, was zij in ieder geval vanaf dat moment vindbaar voor de Nederlandse autoriteiten. In 2021 hebben de Poolse autoriteiten vervolgens nog een M-formulier verzonden, rechtstreeks aan de Nederlandse autoriteiten, waarin haar huidige woonadres werd genoemd. Uiteindelijk is de opgeëiste persoon pas in november 2025 aangehouden. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het lange tijdsverloop aan de opgeëiste persoon kan worden toegeschreven. Het betekent wel dat, wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat het gaat om een verdenking voor een feit van relatief geringe ernst, oplegging van een (lange) onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf niet voor de hand ligt. Daarnaast zouden de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon een rol kunnen spelen bij een nieuwe afweging ten aanzien van de evenredigheid. De opgeëiste persoon is inmiddels 63 jaar oud en kampt met gezondheidsproblemen. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij driemaal aan haar been is geopereerd en daardoor op dit moment aan een rolstoel is gebonden. De fysiotherapie kan niet starten omdat, naar de rechtbank begrijpt, het botweefsel in haar been nog niet goed is vastgegroeid.
Dit alles maakt dat de rechtbank aanleiding ziet om de officier van justitie in gelegenheid te stellen om aan
de uitvaardigende rechterlijke autoriteitte vragen of, in het licht van de hiervoor geschetste huidige stand van zaken, zij nog steeds om uitvoering van het EAB verzoekt of dat zij mogelijk gebruik wil maken van andere rechtshulpinstrumenten die haar ter beschikking staan. Daarbij zou onder meer gedacht kunnen worden aan overname van de strafvervolging door Nederland.

9.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd gelet op hetgeen onder 6 is overwogen, alsmede in verband met de onder punt 7 bedoelde redelijke termijn, alsmede om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de onder punt 8 bedoelde vraag te stellen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze redelijke termijn (die verstrijkt op 20 februari 2026), derhalve in de periode van
24 februari 2026 tot en met 6 maart 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen(
eindigend op 1 april 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
60 dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn
raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een
tolkin
de Poolse taaltegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
8.Lijst van N.SIS-instanties en nationale Sirene-bureaus (2023/C 85/02)
9.Zie onder meer: Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.