ECLI:NL:RBAMS:2025:10539

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13-331718-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een Poolse opgeëiste persoon

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Poolse opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Kielce, Polen, op 26 september 2024. De opgeëiste persoon is geboren in Polen in 1982 en heeft een vrijheidsstraf van twee jaar opgelegd gekregen voor mishandeling en verkrachting, zoals vermeld in een vonnis van de lokale rechtbank in Sandomierz van 18 november 2021.

Tijdens de zitting op 11 december 2025 heeft de rechtbank de raadsvrouw van de opgeëiste persoon gehoord, die stelde dat er sprake was van een procedure in hoger beroep en cassatie, maar de rechtbank verwierp dit argument. De rechtbank oordeelde dat de door de raadsvrouw overgelegde tijdlijn niet voldoende onderbouwd was en dat er geen bewijs was van een procedure in hoger beroep. De rechtbank concludeerde dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de procedure die leidde tot het vonnis.

De rechtbank heeft ook de argumenten van de raadsvrouw over de Poolse rechtstaat en de mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces verworpen. De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was dat de structurele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de zaak van de opgeëiste persoon. Uiteindelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden zijn, waardoor de overlevering is toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-331718-24
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 september 2024 door
the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[geboortedag] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Sandomierzvan 18 november 2021
,met referentie II K 546/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar door haar overgelegde stukken waaronder een tijdlijn – op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep en een procedure in cassatie, zodat de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De raadsvrouw heeft vervolgens niet aangevoerd waarom artikel 12 OLW in deze zaak een belemmering zou kunnen zijn voor overlevering.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het EAB blijkt dat alleen een procedure in eerste aanleg heeft plaatsgevonden waarbij de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest, zodat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing is. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de informatie in het EAB worden uitgegaan. De door de raadsvrouw overgelegde tijdlijn – die door een Poolse advocaat is opgesteld – moet buiten beschouwing worden gelaten nu onduidelijk is wat de status van die tijdlijn is. Indien de rechtbank tot een ander oordeel komt, wordt in de tijdlijn vermeld dat de opgeëiste persoon bij de procedure in hoger beroep in persoon aanwezig is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat uit het EAB niet is gebleken van een procedure in hoger beroep en in cassatie tegen het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB. De door de raadsvrouw overgelegde tijdlijn, die door een Poolse advocaat is opgesteld, is daartoe onvoldoende, omdat deze tijdlijn niet is onderbouwd met stukken, zoals een gerechtelijk stuk waaruit blijkt dat er hoger beroep is ingesteld of een afschrift van de uitspraak in hoger beroep. De raadsvrouw heeft in dat verband verwezen naar een Pools geschrift uit het jaar 2020. De rechtbank acht dit stuk echter onvoldoende als onderbouwing. Nog daargelaten dat van dit stuk een vertaling ontbreekt, kan uit de datering worden afgeleid dat het geschrift dateert van voor de datum van het vonnis. Daarnaast komt het kenmerk van dit geschrift niet overeen met het kenmerk van het vonnis.
De rechtbank zal daarom alleen de procedure die heeft geleid tot de beslissing van
the Local Court in Sandomierzvan 18 november 2021 toetsen aan artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van het feit niet in zijn geheel onder een Nederlandse strafbepaling kan worden gebracht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie [5] – op het standpunt gesteld dat niet vereist is dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafomschrijving valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert. [6] Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. Nagegaan moet worden of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. [7] De rechtbank beoordeelt de dubbele strafbaarheid dus niet aan de hand van de Poolse strafbaarstelling of de kwalificatie naar Pools recht, maar hoofdzakelijk aan de hand van de feitelijke omschrijving.
Op grond daarvan levert het feit naar Nederlands recht op:
  • mishandeling, terwijl het misdrijf wordt begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd
  • verkrachting;
  • eenvoudige belediging.

6.Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich, zoals hiervoor onder rubriek 4 is weergegeven, op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep en in cassatie. Volgens de raadsvrouw is bij de procedure in cassatie een ‘neo-KRS’ rechter betrokken geweest. De overlevering moet daarom primair worden geweigerd, nu sprake is geweest van een algemeen reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht (stap 1). Daarnaast heeft de opgeëiste persoon concrete gegevens verstrekt waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat ook concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak door deelneming van een neo-KRS rechter aan de cassatieprocedure (stap 2). Subsidiair moeten hierover aanvullende vragen worden gesteld.
Het standpunt van de officier van justitie
Zoals eveneens in rubriek 4 is weergegeven, heeft de officier van justitie zich allereerst op het standpunt gesteld dat blijkens het EAB alleen een procedure in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van die informatie worden uitgegaan. Bovendien is het enkele feit dat een door de neo-KRS benoemde rechter bij het proces van de opgeëiste persoon betrokken zou zijn geweest, onvoldoende om een schending van het grondrecht op een eerlijk proces aan te nemen. [8] Nu de opgeëiste persoon verder geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat - noch die doen vermoeden dat - voormelde structurele of fundamentele gebreken daadwerkelijk een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]
De opgeëiste persoon heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak. Zoals hiervoor onder rubriek 4 al is overwogen, is de rechtbank niet gebleken dat tegen het vonnis rechtsmiddelen zijn ingesteld. Het betoog van de raadsvrouw dat in cassatie een neo-KRS rechter zou hebben deelgenomen aan de procedure in cassatie, slaagt alleen al daarom niet. Om die reden is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]
7. Aanhoudingsverzoek wegens een verzoek op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS)
De raadsvrouw heeft een verzoek van de advocaat in Polen overgelegd, inhoudende een WETS-verzoek dat bij de Poolse autoriteiten is en dat zou kunnen leiden tot strafovername door Nederland. De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitkomst van die procedure af te wachten.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak moet worden afgewezen. Allereerst is onduidelijk of het verzoek al door de Poolse autoriteiten in behandeling is genomen. Bovendien betreft een eventuele toewijzing van het verzoek een onzekere toekomstige gebeurtenis en is het niet de verwachting dat die beslissing is genomen binnen de strikte termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 166, 242, 300, 304 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497; Rb 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498; Rb Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
6.Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
7.HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578.
8.Onder verwijzing naar Rb Amsterdam 23 november 2023, (ECLI:NL:RBAMS:2023:7720).
9.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
10.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (