Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
ASR/ […]. [2] Volgens de Staat kan die rechtspraak per analogie worden toegepast op gevallen waarin gronden in erfpacht zijn uitgegeven.
ASR/ […]voor het ontstaan van een aanspraak van de verpachter is dat (naast het einde van de pacht) ook het feitelijk gebruik van de gronden en/of gebouwen moet zijn geëindigd, en in deze zaak vaststaat dat [de erfpachter] het gebruik van de gronden na het einde van het erfpachtrecht heeft voortgezet. Daarmee staat de feitelijke situatie van onafgebroken voortgezet gebruik van de grond door [de erfpachter] al in de weg aan de door de Staat bepleite toepassing van de arresten
ASR/ […] .Het hof is daarom niet toegekomen aan de meer principiële vraag of de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof ook voor erfpacht gelding heeft. In cassatie richt de Staat klachten tegen dit oordeel van het hof en vraagt hij uw Raad om – eventueel ten overvloede – de praktijk richting te geven ten aanzien van de principiële vraag waaraan het hof niet is toegekomen.
2.Feiten en procesverloop
ASR/ […]volgt dat, als in een pachtovereenkomst niets anders is overeengekomen, de pachter onder bepaalde voorwaarden verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter. (onder 5.1-5.3)
ASR/ […] .(onder 5.6-5.7)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat alleen een inleiding en geen klachten.
Onderdeel 2richt zich tegen rechtsoverwegingen 5.3, 5.5-5.9 en het dictum. Ik citeer ook de rechtsoverwegingen 5.1-5.2 en 5.4:
oplevert(onderstreping hof).
ASR/ […]volgt dat, als partijen niet anders zijn overeengekomen, het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht verbonden is aan niet alleen het eindigen van de pachtovereenkomst, maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond, en het oordeel in dezelfde rechtsoverweging dat de voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten hun rechtvaardiging vinden in drie samenhangende redenen, waarvan één is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaatrechten
oplevert(met nadruk van het hof op het laatste woord).
Subonderdeel 2.2komt op tegen het oordeel in rechtsoverweging 5.7 dat het verstreken zijn van de termijn waarvoor de erfpachtovereenkomst uit 1982 is gesloten het niet anders maakt. Dit subonderdeel komt ook op tegen het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de Staat per 31 oktober 2021 een aanspraak op [de erfpachter] heeft verkregen voor een waardevergoeding voor de fosfaatrechten en dat (pas) bij het einde van de lopende erfpacht in 2061 of bij een eerdere overdracht hoeft te worden onderzocht (met inachtneming van dan geldende omstandigheden) of [de erfpachter] gehouden is een vergoeding te betalen voor de fosfaatrechten.
ASR/ […]afgeleide – voorwaarde dat het feitelijk gebruik van de gronden moet zijn geëindigd. Daarom kwam het hof niet toe aan de vraag of de regels uit
ASR/ […], die zijn gegeven voor pachtovereenkomsten, ook kunnen of moeten worden toegepast bij erfpacht. Hoewel in deze zaak sprake is van erfpacht, maken dit oordeel van het hof en de daartegen gerichte klachten dat op de eerste plaats onderzocht dient te worden welke rol het beëindigen van het feitelijk gebruik van
verpachtegronden en/of gebouwen speelt bij het ontstaan (althans de opeisbaarheid) van de aanspraak van de
verpachterten aanzien van fosfaatrechten.
ASR/ […]waarnaar het hof in het bestreden arrest ook heeft verwezen. Voordat ik toekom aan een bespreking van die uitspraak en daaropvolgende rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof alsook van uw Raad, kort nog iets over het karakter van het stelsel van fosfaatrechten, mede in vergelijking met het voorheen bestaande melkquotum.
ASR/ […]in 2019.
ASR/ […]was sprake van een pachtovereenkomst ten aanzien van een hoeve die door pachter als melkveehouderij werd geëxploiteerd. Tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst is aan dat bedrijf 2.365 kg fosfaatrechten toegekend. De pachtovereenkomst is op enig moment in onderling overleg geëindigd, waarna de pachter de voorheen gepachte opstallen met erf en ondergrond alsmede een aantal percelen cultuurgrond heeft gekocht. Later heeft pachter zijn melkveebedrijf beëindigd. In de pachtovereenkomst was niets geregeld over de vraag aan wie de fosfaatrechten toekomen bij het einde van de pacht. Verpachter vorderde een verklaring voor recht dat zij aanspraak heeft op de fosfaatrechten van pachter tegen betaling van de helft van de waarde ervan.
De eisen van redelijkheid en billijkheid
Verkoop van bedrijfsgebouwen en deel van de grond bij einde pacht
ASR/ […], als algemene regel van aanvullend recht aangenomen dat de pachter verplicht is de aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter, tegen betaling van 50% van de marktwaarde daarvan aan de pachter. Het hof heeft niet miskend dat de bijzondere omstandigheden van het geval kunnen noodzaken tot afwijking van die regel.’
ASR/ […], dat de verpachter geen belang heeft bij de fosfaatrechten bij het einde van een hoevepachtovereenkomst, omdat de verpachter niet boert en het gepachte ook niet opnieuw gaat verpachten. Het hof overwoog dat de omstandigheid dat verpachter zelf niet meer boert, geen opvolger heeft of de intentie niet meer heeft om de hoeve aan een melkveebedrijf te verpachten niet relevant is, omdat het waardedrukkende effect van de afwezigheid van fosfaatrechten ook bij een overdracht een rol kan spelen. [17]
ontstaanvan een aanspraak van de verpachter.
ontstaanen het
opeisbaar wordenvan de aanspraak van de verpachter behoeven immers niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment plaats te vinden. In het verband van goederenrechtelijke vragen rond levering of verpanding van bestaande onderscheidenlijk toekomstige vorderingen is dát een uitgemaakte zaak, anders dan de vraag waar precies de scheidslijn ligt tussen vorderingen waarvan alleen de opeisbaarheid ontbreekt en vorderingen die ook nog niet bestaan (en dus toekomstig zijn). [18] Over die laatste vraag dadelijk. Ook art. 6:38 BW veronderstelt dat een verbintenis kan bestaan waaraan de opeisbaarheid voorlopig nog ontbreekt.
ASR/ […]beperkt de pachtkamer van het gerechtshof de aanspraak van de verpachter tot gevallen waarin sprake is van grotere pachtobjecten, zoals een hoeve, melkveestallen en/of gronden ter grootte van 15 ha of meer. [20] Een opvolgend gebruiker die melkvee gaat houden, zal in die gevallen aanzienlijk in fosfaatrechten moeten investeren. In die gevallen zal bij uitstek sprake zijn van een waardedaling van het agrarisch onroerend goed, doordat er verminderde mogelijkheden bestaan voor de verpachter om het onroerend goed zelf te exploiteren of aan een opvolgend gebruiker ter beschikking te stellen.
ASR/ […], en wel tegen gelijktijdige betaling door de verpachter van 50% van de waarde van de over te dragen fosfaatrechten. [25] Daaruit volgt dat de aanspraak van de verpachter in beginsel eindigt als het fosfaatrechtenstelsel zou worden ingetrokken, omdat anders sprake zou zijn van een vordering tot levering van niet langer bestaande vermogensrechten. Dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten zal komen te vervallen is ook niet onredelijk, omdat bij het intrekken van het fosfaatrechtenstelsel ook de waardevermindering van het agrarisch onroerend goed die samenhangt met de invoering en het bestaan van dat stelsel normaal gesproken tenietgedaan zal worden, zodat in zoverre de rechtvaardiging voor het bestaan van de aanspraak niet langer aan de orde is.
ASR/ […]aanvaarde regel van aanvullend recht daarom mee dat de aanspraak van de verpachter ten aanzien van de fosfaatrechten reeds bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel is ontstaan. Als ik het goed zie, spoort deze uitleg ook met reeds gevestigde rechtspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad met betrekking tot het melkquotum. [28] Ook de rechtspraak van de pachtkamer van het gerechtshof met betrekking tot melkquotum veronderstelde steeds dat de aanspraak van de verpachter met betrekking tot dat quotum vanaf de toekenning ervan bestond (hoewel nog niet meteen opeisbaar). Dit blijkt in het bijzonder ook uit de wijze waarop die kamer besliste over tussentijdse vervreemding van het melkquotum door de pachter, met of zonder toestemming van de verpachter. In het geval van tussentijdse vervreemding met toestemming van de verpachter was de pachter 50% van de verkoopopbrengst aan de verpachter verschuldigd, hoewel de pachtovereenkomst dus gewoon doorliep. [29] Dat veronderstelt dat de aanspraak van de verpachter op het melkquotum reeds voor einde van de pacht bestond. In het geval van tussentijdse vervreemding zonder toestemming van de verpachter paste de pachtkamer van het gerechtshof art. 6:80 BW toe (
anticipatory breach). [30] Volgens art. 6:80 BW treden de gevolgen van niet-nakoming soms reeds voor het moment van opeisbaarheid in. Uiteraard veronderstelt niet-nakoming het bestaan van een verbintenis en dus ook de actieve zijde daarvan, de aanspraak van de verpachter.
ontstaandus niet bepalend of de pacht is geëindigd, in welke zin dan ook, laat staan of (vervolgens) de pachter het feitelijk gebruik van de verpachte gronden en/of gebouwen heeft beëindigd.
opeisbaarheidvan die aanspraak.
het einde van de pachtals het moment waarop de aanspraak van de verpachter opeisbaar wordt en het moment waarop de waarde van de fosfaatrechten en de door de verpachter te betalen vergoeding moeten worden vastgesteld. De formulering ‘het einde van de pacht’ laat mijns inziens beide lezingen toe. (Over de lezing van de Staat dat het einde van de pachttermijn in de zin van art. 7:325 lid 5 BW is bedoeld, hierna 3.47.)
oplevert, met de nadruk van het hof op het laatste woord, is mijns inziens niet een heel sterk argument. Het hof kent in mijns inziens te veel gewicht toe aan het gebruik van dat woord. Het enkele feit dat een van de redenen voor het toekennen van de aanspraak van de verpachter is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter als de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert, sluit op zichzelf niet uit dat de aanspraak al opeisbaar kan zijn voordat daadwerkelijk oplevering van het verpachte aan de verpachter plaatsvindt.
ASR/ […]die spreken over het ‘het einde van de pachtovereenkomst’. Zo overweegt de pachtkamer van het gerechtshof aan het slot van het tussenarrest (onder 3.26) dat het in het algemeen heeft beslist onder welke voorwaarden de pachter verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter
bij het einde van de pachtovereenkomst. Ook aan het begin van het eindarrest (onder 2.1) schrijft de pachtkamer van het gerechtshof dat het in het tussenarrest de vraag heeft beantwoord of de verpachter
bij het einde van de pachtovereenkomstrecht heeft op overdracht van fosfaatrechten.
ASR/ […]was het geval aan de orde waarin de pachter en verpachter bij het einde van de pachtovereenkomst voor een deel van het verpachte een koopovereenkomst hadden gesloten. Daardoor zijn aan het einde van de pacht de gebouwen en een deel van de grond niet aan de verpachter opgeleverd. In die context overweegt de pachtkamer van het gerechtshof dat deze keuze van partijen niets afdoet aan de verplichting van de pachter tot overdracht van zijn fosfaatrechten bij het einde van de pacht:
het ijkpunt blijft namelijk het einde van de pachtovereenkomst. Wat de verpachter vervolgens doet – een deel doorverkopen aan de oorspronkelijke pachter of het geheel opnieuw in pacht uitgeven – doet er niet toe, aldus de pachtkamer van het gerechtshof. Ook in de zaak die heeft geleid tot het arrest van uw Raad van 15 december 2023 overwoog het hof uitdrukkelijk dat de gronden voor het ontstaan van een aanspraak van de verpachter niet worden aangetast door de feitelijke invulling die de verpachter
na het einde van de pachtovereenkomstgeeft aan het voorheen verpachte. (Terzijde: hieruit volgt dat om nog andere reden dan hiervoor 3.23 genoemd de formulering van ‘beëindiging van het feitelijk gebruik’ als moment waarop de opeisbaarheid van de aanspraak van de verpachter een aanvang zou nemen, oneigenlijk is. Die aanspraak kan ook opeisbaar worden zonder dat het feitelijk gebruik door de voormalige pachter eindigt, zoals in het geval dat de verpachter het verpachte aan de pachter verkoopt.)
obiter dicta(overwegingen ten overvloede). Zelfs in een strikt precedentenstelsel als dat van de
common lawzou van binding daaraan dus geen sprake kunnen zijn.
ASR/ […]volgt dat een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een aanspraak door de verpachter is dat tussen verpachter en pachter op 2 juli 2015 een reguliere pachtovereenkomst bestond of een geliberaliseerde pachtovereenkomst die bij het aangaan twaalf jaar of langer duurt. De onderstaande tabel over de situatie in 2015 is ontleend aan gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). [32] Deze tabel geeft een overzicht van landbouwgrond (in ha) naar gebruikstitel in Nederland. Ik kies ervoor het eerste en laatste jaar waarvan gegevens beschikbaar zijn (2008 en 2024) en het jaar dat in deze zaak relevant is (2015) weer te geven.
ASR/ […]komen alleen de rijen ‘reguliere pacht’ en ‘geliberaliseerde pacht (> 6 jaar)’ in aanmerking. Ik merk op dat in laatstgenoemde categorie uiteraard ook pachtovereenkomsten kunnen vallen van langer dan zes jaar, maar korter dan twaalf jaar, en dat van beide categorieën niet bekend is welk aandeel van de verpachte gronden wordt gebruikt door melkveehouderijen en in hoeverre deze vervolgens voldoen aan de overige voorwaarden uit het arrest
ASR/ […]. Ik merk nog op dat geliberaliseerde pacht alleen ten aanzien van los land mogelijk is (art. 7:397 BW) en dus niet ten aanzien van gebouwen. Hoewel de precieze verhoudingen niet kunnen worden vastgesteld, is op grond van deze gegevens van het CBS duidelijk dat in het overgrote deel van de gevallen waarvoor de leer van
ASR/ […]geldt, in 2015 sprake was van reguliere pacht en slechts voor een relatief zeer klein aantal gevallen van geliberaliseerde pacht voor twaalf jaar.
ASR/ […]volgens welke
na afloop van de pachtovereenkomstde aanspraak van de verpachter ter zake van fosfaatrechten opeisbaar wordt (in plaats van
na afloop van de pachtverhouding). Uitgaande van die opvatting dreigt dat een pachter die argeloos een nieuwe pachtovereenkomst sluit die de bestaande pachtverhouding bestendigt, vervolgens wordt overvallen door een vordering van de verpachter met betrekking tot de fosfaatrechten. [36] Natuurlijk zijn niet alle pachters argeloos en hebben zij vaak een adviseur, zodat velen van hen zo verstandig zullen zijn om voor het sluiten van een nieuwe pachtovereenkomst (en daarmee het prijsgeven van de veiligheid van de oude) als voorwaarde te stellen dat de aanspraak van de verpachter ter zake van de fosfaatrechten wordt doorgeschoven. Maar een opvatting van een regel van aanvullend recht die potentieel pachters kan verrassen omdat zij niet aansluit bij de gewone bescherming die het pachtrecht hen biedt, kan mijns inziens toch niet de juiste opvatting zijn.
na afloop van de pachtverhoudingover de fosfaatrechten tussen verpachter en pachter wordt afgerekend, past mijns inziens goed bij de overweging van de pachtkamer van het gerechtshof in
ASR/ […]dat de grond en/of gebouwen ‘na het einde van de pachtovereenkomst’ potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. [37] Die reden (één van de drie door het hof genoemde samenhangende redenen, zie het citaat hiervoor 3.16) doet zich eerst aan het einde van de
pachtverhoudingvoor en niet in het geval van een eerder formeel einde van de lopende pachtovereenkomst.
ASR/ […]heeft beslist, en dan daaruit overschrijft dat de verpachter ‘bij het einde van de pachtovereenkomst’ aanspraak heeft op de fosfaatrechten, [40] maar dat is nog niet een (doordachte) keuze voor de ene dan wel andere opvatting. [41]
subonderdelen 2.1-2.2(hiervoor 3.2 reeds weergegeven). Hoewel de klachten niet onderscheiden tussen het moment van het ontstaan van de aanspraak van de verpachter ter zake van de fosfaatrecht en de opeisbaarheid van die aanspraak, is duidelijk dat de klachten veronderstellen dat die aanspraak opeisbaar is bij het einde van de pachtovereenkomst en wat betreft reguliere pacht zelfs reeds bij het einde van de lopende pachttermijn. Die veronderstelling is onjuist (uitvoerig hiervoor). In plaats daarvan is de bedoelde aanspraak eerst opeisbaar op het moment van het einde van de pachtverhouding.
opeisbaarheidvan de verbintenis het einde van de pachtverhouding bepalend is. Die opvatting is juist. Daarom moeten de klachten falen.
subonderdeel 2.4mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de Staat in het geheel geen aanspraak ter zake van de fosfaatrechten heeft, maar alleen dat die aanspraak nog niet opeisbaar is.
ASR/ […]ook zouden kunnen of moeten gelden in het geval van erfpacht. De Staat heeft in zijn schriftelijke toelichting verzocht om eventueel in een overweging ten overvloede die vraag tot te beslissen. [45] Waar het hof de vraag geheel in het midden heeft gelaten (met de daaraan verbonden gevolgen voor de inhoud van het partijdebat in cassatie), ligt dat mijns inziens niet zeer voor de hand. Zou uw Raad de vraag tóch willen beslissen, dan ben ik bereid om aanvullend te concluderen.