ECLI:NL:PHR:2026:706

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03659
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a SvArt. 125i SvArt. 126aa lid 2 SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toepassing art. 98 Sv bij filteren van geprivilegieerde gegevens

In het strafrechtelijk onderzoek 'Ballycastle' zijn op 30 juni 2022 omvangrijke digitale gegevens in beslag genomen en gefilterd onder leiding van de rechter-commissaris om geprivilegieerde gegevens te verwijderen. Advocaten die zich als verschoningsgerechtigden opstellen, dienden klaagschriften in tegen de filterbeslissingen. De rechtbank Overijssel verklaarde hen niet-ontvankelijk voor het beklag op grond van art. 98 lid 4 Sv Pro, maar gegrond op art. 552a Sv.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de procedure van art. 98 Sv Pro niet van toepassing achtte op de inbeslaggenomen en vastgelegde gegevens. De rechter-commissaris had moeten beslissen over de toelaatbaarheid van het beslag en de verschoningsgerechtigden in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over hun recht. De filterprocedure voldeed niet aan de waarborgen van het verschoningsrecht, omdat niet alle bestanden met mogelijke geprivilegieerde gegevens adequaat waren verwijderd.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling conform de juiste toepassing van art. 98 Sv Pro. Daarbij moet de rechter-commissaris opnieuw filteren onder betrokkenheid van de verschoningsgerechtigden en geldt dat kennisneming van de data pas mag plaatsvinden nadat onherroepelijk over het beklag is beslist. De procedure rond art. 552a Sv blijft van toepassing voor gevorderde gegevens, maar niet voor inbeslaggenomen gegevens.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling met correcte toepassing van art. 98 Sv en nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03659 Bv
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaken
[klager 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1986,
[klager 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1958,
[klager 3] ,
geboren op [geboortedatum] 1977,
[klager 4]
geboren op [geboortedatum] 1974
en
[klager 5]
geboren op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klagers

1.Inleiding

1.1
De klagers, allen advocaat in België of Nederland, zijn bij beschikking van 6 september 2024 (RK 24-007118 ( [klager 1] ), RK 24-007150 ( [klager 2] ), RK 24-007156 ( [klager 3] ) en RK 24-007126 ( [klager 4] en [klager 5] ) door de rechtbank Overijssel niet-ontvankelijk verklaard in het door elk van hen ingediende klaagschrift voor zover dat is gebaseerd op art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv. Voor zover gebaseerd op art. 552a Sv zijn de door de klagers ingediende klaagschriften door de rechtbank (ontvankelijk en) gegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is (beperkt) ingesteld namens (elk van) de klagers.
1.3
Th.J. Kelder, advocaat, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Daarin wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de uit art. 98 Sv Pro voortvloeiende procedure in casu niet van toepassing is en de klagers daarom niet-ontvankelijk zijn in hun beklag op grond van art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv.

2.De beperking van het cassatieberoep

2.1
Alvorens in te gaan op de beschikking van de rechtbank, ga ik in op de door de klagers in de (herstel)aktes aangebrachte beperking van het cassatieberoep. Art. 429 Sv Pro, waarin is bepaald dat het beroep in cassatie ook tegen een gedeelte van het vonnis of arrest kan worden ingesteld, wordt door de Hoge Raad ook toegepast op beschikkingen. [1] Een beperking van het cassatieberoep acht de Hoge Raad evenwel ontoelaatbaar indien die beperking – kort gezegd – tot gevolg heeft dat de rechter na verwijzing niet naar behoren recht kan doen. [2]
2.2
In dit geval is het cassatieberoep blijkens de (herstel-)aktes telkens beperkt ingesteld en richt het zich uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank dat de klagers niet-ontvankelijk zijn in de door hen ingediende klaagschriften voor zover die zijn gebaseerd op art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv. Daarmee is de gegrondverklaring van het beklag van de klagers voor zover dat is gebaseerd op art. 552a Sv uitgezonderd van het cassatieberoep. Indien deze beperking toelaatbaar zou worden geacht, heeft dat tot gevolg dat deze beslissing van de rechtbank ter zake de op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschriften in rechte vast zou staan. Om de reden die hierna nog aan de orde zal komen, kan een dergelijke beperking in dit geval mijns inziens niet worden aanvaard. Dat betekent dat de cassatieakte(s) mijns inziens (telkens) aldus moet worden verstaan dat onbeperkt cassatieberoep is ingesteld en dat in de (herstel)akte(s) slechts ten overvloede is opgenomen op welk gedeelte van de bestreden uitspraak de bezwaren in het bijzonder betrekking hebben. [3]

3.De beschikking van de rechtbank

3.1
De beschikking van de rechtbank houdt (met weglating van de voetnoten) het volgende in:

beslissing van de meervoudige raadkamer op de klaagschriften op grond van artikel 98 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 552a Sv van:
[…] de klagers.
De klagers zijn allen verschoningsgerechtigden.
[…]
Inleiding
In het strafrechtelijk onderzoek ‘Ballycastle’ hebben op 30 juni 2022 op diverse locaties (netwerk)doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn meerdere gegevensdragers met daarop omvangrijke digitale bestanden in beslag genomen. Ook zijn historische administratieve gegevens gevorderd. Deze data tezamen vormen ‘de dataset’. De dataset bestaat uit vele miljoenen bestanden. In onderzoek ‘Ballycastle’ zijn [betrokkene 1] . [betrokkene 2] . [A] B.V., [B] B V. en [betrokkene 3] als verdachten aangemerkt. Hierna worden zij "de beslagenen" genoemd.
Door de beslagenen, aan wie geen verschoningsrecht toekomt, is aangevoerd dat een verschoningsgerechtigde de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van onder hen in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken, stukken of gegevens die door hen zijn uitgeleverd ter inbeslagneming dan wel gegevens die op de voet van artikel 125i Sv zijn vastgelegd.
Onder leiding van de rechter-commissaris is de dataset gefilterd, met als doel het verwijderen van mogelijk geprivilegieerde gegevens. De rechter-commissaris heeft de raadslieden van de beslagenen daarbij betrokken: zij hebben een lijst aangeleverd met zoektermen die betrekking zouden kunnen hebben op digitale bestanden/documenten waar een verschoningsgerechtigde mogelijk de bevoegdheid tot verschoning over zou kunnen uitoefenen.
Na die filtering hebben de raadslieden van de beslagenen steekproeven verricht in de overgebleven digitale bestanden. Daarbij stuitten zij op gegevens van mogelijke verschoningsgerechtigden. Naar aanleiding daarvan heeft de geheimhoudersfunctionaris opnieuw gefilterd.
Na een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris zijn alle bestanden (ook bestanden van niet-verschoningsgerechtigden) van vóór 2014 zoveel als mogelijk integraal verwijderd.
In november 2023 heeft de rechter-commissaris de filterwerkzaamheden beëindigd. Bij beschikking van 1 maart 2024 heeft de rechter-commissaris de officier van justitie toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden c.q. documenten.
Tegen die beslissing richten de klaagschriften zich.
Standpunt van de klagers
Kort en zakelijk weergegeven is het primaire standpunt van de klagers dat zij zich op grond van artikel 98 Sv Pro kunnen beklagen, omdat sprake is van een beslissing op grond van artikel 98 Sv Pro en de klagers daartegen als verschoningsgerechtigden een klaagschrift hebben ingediend.
Subsidiair menen klagers dat zij zich op de voet van artikel 552a Sv kunnen beklagen.
In het kader van het hen toekomende klachtrecht menen zij verder dat zij op grond van artikel 23 lid 5 Sv Pro de beschikking dienen te krijgen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank dient daarom de behandeling van de klaagschriften aan te houden, alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikbaar te stellen, om vervolgens de klagers in de gelegenheid te stellen naar aanleiding van die stukken een gemotiveerd standpunt in te nemen over het filterproces.
Het meer subsidiaire standpunt van de klagers is dat het aannemelijk is dat zich onder de vrijgegeven data nog steeds materiaal bevindt dat onder het verschoningsrecht van de klagers valt, zodat een nadere filtering dient te worden uitgevoerd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich kort en zakelijk weergegeven op het standpunt dat de klagers zich niet op grond van artikel 98 Sv Pro kunnen beklagen, omdat er geen sprake is van een beslissing waarin de rechter-commissaris inbeslagneming van geprivilegieerde gegevens toestaat. Wel kunnen zij zich op grond van artikel 552a Sv beklagen, nu duidelijk is geworden dat de klagers via de beslagenen hebben vernomen dat mogelijk nog van de klagers afkomstige geprivilegieerde gegevens aanwezig zijn in de al gefilterde data. Om die reden dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard en dient opnieuw te worden gefilterd.
Beoordeling
Artikel 98 Sv Pro
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3076) volgt dat wanneer een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van onder hem in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken, stukken of gegevens die door hem zijn uitgeleverd ter inbeslagneming dan wel gegevens die op de voet van artikel 125i Sv zijn vastgelegd, de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan dient gehandeld te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv Pro is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.
De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een situatie dat de rechter-commissaris gegevens bestanden van/aan een verschoningsgerechtigde heeft gezien en heeft beslist dat inbeslagneming van die gegevens is toegestaan. Uit de beschikking van de rechter commissaris en het proces-verbaal volgt juist dat het doel van het filterproces was alle mogelijk geprivilegieerde gegevens te verwijderen. Een dergelijke beslissing tot vrijgave na verwijdering kan niet worden gelijkgesteld met inbeslagneming als bedoeld in artikel 98 Sv Pro, ook al is in de aanhef van de beschikking in kwestie wel verwezen naar dat wetsartikel.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg in zo'n geval niet met zich dat gehandeld dient te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv Pro is bepaald. Ook had de rechter commissaris de verschoningsgerechtigden in dit geval niet in staat hoeven stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot de stukken en gegevens, omdat het doel van het filterproces juist was alle informatie van verschoningsgerechtigden te verwijderen, ongeacht of het al dan niet gaat om geprivilegieerde stukken en gegevens. Niet valt in te zien waarom de verschoningsgerechtigde in dat geval zou moeten worden gehoord.
Dat brengt met zich dat de rechter-commissaris zijn beslissing over het gebruik van de veilig gestelde data naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte heeft gegeven in de vorm van een beschikking op grond van artikel 98 Sv Pro. Voor zover het klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro is ingediend, is het daarom niet-ontvankelijk.
Artikel 552a Sv
De klagers beklagen zich daarnaast op grond van artikel 552a Sv over de kennisneming of het gebruik van de tijdens de doorzoeking in beslag genomen gegevens, omdat - kort gezegd - het verschoningsrecht onvoldoende zou zijn gewaarborgd.
Het wettelijk stelsel voorziet in de mogelijkheid van belanghebbenden om op grond van artikel 552a Sv beklag te doen tegen de kennisneming en het gebruik van in beslag genomen gegevens dan wel een verzoek te doen tot vernietiging daarvan. Onder die belanghebbenden kunnen ook verschoningsgerechtigden worden begrepen (ECLI:NL:HR:2024:375 r.o. 6.3.5). Omdat aannemelijk is geworden dat de klagers een of meerdere beslagene(n) hebben bijgestaan als verschoningsgerechtigde adviseurs zijn zij daarom ontvankelijk voor zover het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv is ingediend. Het is in dit geval aan de rechtbank om te beoordelen of bij de filtering het verschoningsrecht voldoende is gewaarborgd.
Het verschoningsrecht is een fundamenteel rechtsbeginsel in het Nederlandse rechtssysteem. De belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, maken het noodzakelijk dat politie en justitie doen wat nodig is om inbreuken van het verschoningsrecht
zo veel mogelijkte voorkomen, zodra het redelijk vermoeden bestaat dat het (deels) geprivilegieerde gegevens betreft (ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 7.1.2). Voor zover in een strafprocedure zal blijken dat er desondanks gebruik is gemaakt van geprivilegieerde gegevens voor het onderzoek of het vormen van het procesdossier, zijn de rechtmatigheid en de eventuele gevolgen daarvan, een discussie die in het kader van de inhoudelijke procedure dient te worden gevoerd.
De raadslieden van de beslagenen hebben tijdens de behandeling in raadkamer naar voren gebracht dat zij tijdens hun inzage op 30 maart 2023 op basis van een zoekslag met de bij de rechter-commissaris bekende zoektermen geprivilegieerde gegevens hebben aangetroffen van verschoningsgerechtigden, van wie de namen en overige relevante informatie aan de rechter-commissaris waren doorgegeven. Deze gegevens betreffen stukken van één van de klagers. Of die stukken vervolgens zijn uitgefilterd is de raadslieden niet bekend, omdat zij na de laatste filtering niet opnieuw een steekproef hebben mogen doen.
Uit het proces-verbaal blijkt dat de geheimhoudersfunctionaris tijdens het zoeken aan de hand van een lijst met zoektermen inhoudende bedrijfsnamen en achternamen van de verschoningsgerechtigden - welke lijst door de raadslieden van de beslagenen is aangeleverd - steekproefsgewijs heeft beoordeeld of het geprivilegieerde gegevens betrof. De rechtbank begrijpt uit dit proces-verbaal dat de geheimhoudersfunctionaris - in weerwil van de opdracht van de rechter-commissaris die luidde dat alle door zoektermen getroffen documenten ('hits’) moesten worden verwijderd - alleen de bestanden heeft uitgefilterd die als hit op de (door de raadslieden van de beslagenen) opgegeven zoekterm (een bedrijfsnaam of achternaam van een verschoningsgerechtigde) naar voren kwam én die door de geheimhoudersfunctionaris vervolgens in zijn steekproef zijn geopend en die hij vervolgens als potentieel geprivilegieerde gegevens heeft bestempeld. Dat betekent dat bestanden die wel als hit naar voren kwamen op de door de raadslieden van de beslagenen opgegeven zoekterm met de bedrijfsnaam of achternaam van een verschoningsgerechtigde, maar in de steekproef niet zijn geopend (en beoordeeld), in de dataset zijn achtergebleven.
Dat wordt bevestigd door de omstandigheid dat de raadslieden van de beslagenen in de al gefilterde data diverse adviezen van en correspondentie met advocaten die voorkwamen op de zoektermenlijst als ook 'legal opinion' hebben aangetroffen tijdens hun inzage op 30 maart 2023. Uit het proces-verbaal blijkt dat laatstgenoemd document wel als hit naar voren kwam bij een zoekslag op de bedrijfsnaam (die door de raadslieden van de beslagenen was opgegeven), maar niet was geopend in de steekproef van de geheimhoudersfunctionaris en daarom in de dataset was achtergebleven.
Anders dan uit de beschikking van de rechter-commissaris lijkt te volgen, zijn dus niet alle door de zoektermen geselecteerde bestanden verwijderd zonder inhoudelijk te controleren of het daadwerkelijk geprivilegieerde gegevens betreft.
De rechtbank heeft oog voor de zeer grote hoeveelheid data die gefilterd diende te worden (met een systeem dat wellicht traag en gebruiksonvriendelijk is) en ziet ook het belang van de voortgang van het opsporingsonderzoek en het daarmee samenhangende recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn. Daartegenover staan echter de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het verschoningsrecht in deze procedure onvoldoende is gewaarborgd. Er bestaat een voldoende concrete aanleiding voor het redelijk vermoeden dat zich mogelijk geprivilegieerde gegevens in de gefilterde data bevinden. Gelet daarop moet een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris plaatsvinden. De rechtbank stelt de data om die reden in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nadere filtering.
Gelet op hetgeen tijdens de behandeling in raadkamer naar voren is gekomen, geeft de rechtbank daarbij de rechter-commissaris in overweging om - na het eventueel houden van een regiebijeenkomst - te (laten) filteren op de eerder door de raadslieden van de beslagenen en tijdens de behandeling in raadkamer door de officier van justitie voorgestelde wijze. Die komt erop neer de data eerst te filteren op basis van zoektermen van het Openbaar Ministerie (verband houdend met het strafrechtelijk onderzoek) en die gefilterde data vervolgens opnieuw te filteren met door de raadslieden van de beslagenen opgegeven zoektermen (verband houdend met mogelijk geprivilegieerde gegevens).
Anders dan de procedure op grond van artikel 98 Sv Pro is in de huidige wetgeving bij een beklag tegen de kennisneming en het gebruik van in beslag genomen gegevens (als bedoeld in artikel 552a Sv) met uitzondering van de zittingsrechter die achteraf toetst geen rechtsbescherming voor een belanghebbende die zich op het standpunt stelt dat het filterproces niet deugdelijk is verlopen. In tegenstelling tot een beslissing op grond van artikel 98 Sv Pro is er namelijk geen wettelijke grondslag die de opsporing ervan weerhoudt kennis te nemen van de door de rechter-commissaris vrijgegeven data, terwijl artikel 98 lid 8 Sv Pro [
AG: ik begrijp: lid 3] bepaalt dat de opsporing alleen na het onherroepelijk worden van de beslissing van de rechter-commissaris kennis mag nemen van in beslag genomen data.
In onderhavig geval leidt dat niet tot een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, nu de officier van justitie heeft medegedeeld dat de opsporing geen kennis heeft genomen van de data en ook niet zal nemen in afwachting van de uitkomst van deze procedure en er geen reden is om daaraan te twijfelen. Ten aanzien van toekomstige gevallen waarin dit mogelijk anders kan zijn, is het wenselijk dat de rechter-commissaris, ter voorkoming van een situatie waarin de opsporing al kennis neemt van data waarvan achteraf blijkt dat die ten onrechte is achtergebleven in de vrijgegeven set, in zijn beslissing bepaalt per wanneer het de officier van justitie wordt toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven gegevens.
Verzoek stukken en aanhouding behandeling
Nu een nadere filtering wordt gelast, hebben klagers geen belang meer bij inzage in de stukken en aanhouding van de behandeling van deze zaak. De daartoe strekkende verzoeken worden daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- de klagers niet-ontvankelijk in het klaagschrift voor zover het gebaseerd is op het bepaalde in artikel 98 lid 4 Sv Pro;
- het klaagschrift gegrond voor zover gebaseerd op het bepaalde in artikel 552a Sv en stelt de data in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nadere filtering, zoals hiervoor omschreven
- wijst af het meer- of anders verzochte.”

4.Juridisch kader

4.1
Art. 98 Sv Pro luidt als volgt:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
[…]
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.
4.2
Art. 552a lid 1 Sv luidt:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”
Inbeslaggenomen en/of vastgelegde gegevens
4.3
Zoals de Hoge Raad andermaal heeft bevestigd in zijn beschikking van 23 juni 2026, bevat art. 98 Sv Pro een regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen het (professionele) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. [4] Deze procedure geldt ook als een plaats wordt doorzocht met als doel de vastlegging van gegevens die op deze plaats zijn opgeslagen of vastgelegd (artikel 125i in samenhang met artikel 98 Sv Pro). [5] Het is de rechter-commissaris die – zo nodig na kennisneming van de desbetreffende stukken of gegevens [6] – beslist of inbeslagneming is toegestaan (art. 98 lid 1 en Pro 3 Sv). Hierbij geldt – zo volgt uit een veelheid van uitspraken – als uitgangspunt dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of de stukken onder het verschoningsrecht vallen. [7] Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. [8]
4.4
Als de rechter-commissaris beslist dat de inbeslagneming (wel) is toegestaan, moet hij op grond van art. 98 lid 3 Sv Pro de betreffende verschoningsgerechtigde mededelen dat tegen zijn beslissing beklag openstaat en dat niet tot kennisneming zal worden overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist. [9] Deze beschikking dient aan de verschoningsgerechtigde te worden betekend. De verschoningsgerechtigde kan vervolgens binnen veertien dagen na die betekening op grond van art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv een klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris indienen.
4.5
Art. 98 lid 4 Sv Pro stelt de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris uitsluitend open voor de in art. 98 lid 1 Sv Pro bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning. [10] Niet-verschoningsgerechtigden hebben wel de mogelijkheid om op grond van art. 552a Sv beklag te doen tegen (onder meer) de inbeslagneming van stukken en/of gegevens. In het geval dat de beslagene of een andere belanghebbende die niet verschoningsgerechtigd is, in de beklagprocedure aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van inbeslaggenomen stukken en/of gegevens, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook in dat geval de procedure als bedoeld in art. 98 Sv Pro moet worden gevolgd. [11] De rechter-commissaris zal dan met inachtneming van die procedure – en dus ook door de verschoningsgerechtigde in de gelegenheid te stellen zich over zijn bevoegdheid tot verschoning uit te laten – moeten beslissen over het beroep op het verschoningsrecht. [12] In de beklagzaak van de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, moet het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de betreffende stukken of gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan. Als de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient, of als het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. [13]
4.6
Als de inbeslagneming betrekking heeft op een grote hoeveelheid (digitale) stukken of gegevens, terwijl bijvoorbeeld volgens de beslagene bepaalde stukken of gegevens onder het verschoningsrecht van geheimhouders vallen, ligt het doorgaans in de rede dat onder leiding van de rechter-commissaris een selectie wordt gemaakt tussen (digitale) stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen. Daarbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een – al dan niet door de beslagene te verstrekken – lijst met zoektermen die betrekking hebben op het deel van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich mogelijk uitstrekt, zoals namen en e-mailadressen of termen die specifiek kunnen duiden op het voorwerp van het ingeroepen verschoningsrecht. [14] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt af te leiden dat de verschoningsgerechtigde in het kader van een dergelijke filteringsprocedure in beginsel in staat moet worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht, in het bijzonder ten aanzien van de toelaatbaarheid van het gebruik van de na de filtering voorgeselecteerde stukken of gegevens voor strafrechtelijk onderzoek. [15] Verder dient, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, nadat de rechter-commissaris heeft beslist dat inbeslagneming is toegestaan, te worden gehandeld zoals in artikel 98 lid 3 Sv Pro is bepaald. [16]
4.7
Als sprake is van (een forensische kopie van) een gegevensdrager met daarop gegevens die deels wel en deels niet onder het verschoningsrecht vallen, kan de door of onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris te verrichten filtering ertoe leiden dat de rechter-commissaris beslist dat de gegevens die onder het verschoningsrecht vallen worden vernietigd, waarna de gegevensdrager – nadat de beschikking van de rechter-commissaris onherroepelijk is geworden – kan worden overgedragen aan de politie. [17]
4.8
Indien door de verschoningsgerechtigde een klaagschrift in de zin van art. 98 lid 4 Sv Pro wordt ingediend, dient de beklagrechter vervolgens aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer te beoordelen of bij de schifting onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. Als de beklagrechter tot het oordeel komt dat, na de schifting door de rechter-commissaris, nog stukken en gegevens onder het beslag vallen waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat deze onder het verschoningsrecht vallen, stelt de beklagrechter – naar ik begrijp: alvorens op het klaagschrift te beslissen – die stukken en gegevens zo nodig nogmaals in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nader onderzoek en, als daartoe aanleiding bestaat, nadere schifting. [18]
4.9
Hangende een onherroepelijke uitspraak van de beklagrechter op het door de verschoningsgerechtigde ingediende klaagschrift ex art. 98 lid 3 Sv Pro omtrent de vraag of bij (althans: na) de (nadere) schifting het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd, geldt op grond van art. 98 lid 3 Sv Pro dat niet tot kennisneming kan worden overgegaan totdat op het ingediende klaagschrift onherroepelijk is beslist.
Gevorderde gegevens
4.1
In zijn prejudiciële beslissing van 12 maart 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook als het gaat om gevorderde gegevens, het oordeel van de rechter-commissaris moet worden ingeroepen indien een redelijk vermoeden bestaat dat zich geheimhouderstukken onder de gevorderde gegevens bevinden en de schifting niet kan plaatsvinden zonder kennisneming van die gegevens. [19] De rechter-commissaris voert in dat geval de selectie uit van de gegevens die op grond van art. 126aa lid 2 Sv moeten worden vernietigd omdat het om geprivilegieerde gegevens gaat. De verschoningsgerechtigde dient daarbij in beginsel – dat wil zeggen: behoudens de door de Hoge Raad in rov 6.6.4 van de prejudiciële beslissing geduide situaties – in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de gegevens. Zijn standpunt (dat het verschoningsrecht van toepassing is) dient te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist. Dat oordeel komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep.
4.11
Op gevorderde gegevens is het bepaalde in art. 98 lid 4 Sv Pro (de beklagmogelijkheid voor de verschoningsgerechtigde tegen de beslissing van de rechter-commissaris) volgens voornoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad en enkele nadien gewezen beslissingen niet van (overeenkomstige) toepassing. [20] In dat geval kan – ook door de verschoningsgerechtigde – wel worden geklaagd op de voet van het bepaalde in art. 552a lid 1 Sv, zo volgt uit deze beslissingen. Op grond van lid 2 van art. 552a Sv kan de verschoningsgerechtigde tevens verzoeken om de vernietiging van de geprivilegieerde gegevens. Ook bij beklag ex art. 552a Sv door een verschoningsgerechtigde geldt overigens de ‘versnelde procedure’ als bedoeld in art. 552a lid 8 en 552d lid 3 Sv.
4.12
Dat niet kan worden geklaagd op de voet van art. 98 Sv Pro heeft tot gevolg dat de waarborgen die in de ‘artikel 98 Sv Pro-procedure’ zijn vervat in een dergelijk geval niet (rechtstreeks) van toepassing zijn. Meer in het bijzonder betekent dit dat de beperking van art. 98 lid 3 Sv Pro dat niet van de gegevens mag worden kennisgenomen totdat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist, niet automatisch van toepassing is. [21] Dat laatste betekent mijns inziens overigens niet dat het niet verstandig kan zijn dat de rechter-commissaris het oordeel van de beklagrechter afwacht, alvorens het beslag vrij te geven.

5.Het cassatiemiddel

5.1
Het cassatiemiddel klaagt als vermeld over het oordeel van de rechtbank dat op het voorliggende geval de procedure in art. 98 Sv Pro niet van toepassing is en de klagers daarom niet-ontvankelijk zijn in hun klaagschriften voor zover die zijn gebaseerd op de beklagmogelijkheid van art. 98 lid 4 Sv Pro.
5.2
De rechtbank heeft vastgesteld dat in het onderhavige opsporingsonderzoek beslag is gelegd op meerdere gegevensdragers met daarop omvangrijke digitale bestanden. Ook zijn volgens de rechtbank “historische administratieve gegevens gevorderd”. Deze data tezamen vormen ‘de dataset’. De dataset bestaat uit vele miljoenen bestanden. Door de beslagenen (niet-verschoningsgerechtigden) is aangevoerd dat zich onder het beslag, kort gezegd, geheimhouderstukken/gegevens bevinden. Onder leiding van de rechter-commissaris is de dataset gefilterd met het doel mogelijk geprivilegieerde gegevens daaruit te verwijderen.
De inbeslagneming (of vastlegging) van (digitale) stukken en gegevens
5.3
Gelet op de onder 5.2 weergegeven vaststellingen van de rechtbank is niet zonder meer begrijpelijk waarom volgens de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen gegevens geen sprake is van een situatie waarin de rechter-commissaris op grond van art. 98 Sv Pro een beslissing heeft te geven of heeft gegeven. [22] Uit die vaststellingen volgt immers dat door de beslagenen (niet-verschoningsgerechtigden) is aangevoerd dat zich onder de inbeslaggenomen gegevens geheimhouderstukken/gegevens bevonden. Redelijke wetsuitleg brengt in zo’n geval mee, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat ook in dat geval de rechter-commissaris op grond van art. 98 Sv Pro beslist over de toelaatbaarheid van het beslag (of de vastlegging van gegevens). De beslissing van de rechter-commissaris om na het selecteren en uitfilteren van geheimhouderstukken de resterende gegevens “vrij te geven”, betreft derhalve een beslissing als bedoeld in art. 98 lid 2 en Pro 3 Sv dat de inbeslagneming (en/of vastlegging) in zoverre is toegestaan omdat het naar het oordeel van de rechter-commissaris geen materiaal betreft waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt. Dat betekent ook dat de beschikking van de rechter-commissaris van 1 maart 2024 aan de klagers had moeten worden betekend – hetgeen in deze zaak is nagelaten, zo maak ik op uit de klaagschriften – en dat de beklagmogelijkheid van art. 98 lid 4 Sv Pro voor de klagers openstaat. [23] De rechtbank heeft dit alles met haar andersluidende oordeel miskend.
5.4
Volledigheidshalve merk ik daarbij op dat ook de overwegingen van de rechtbank dat niet gehandeld had hoeven worden “zoals in artikel 98 lid 3 Sv Pro is bepaald” en de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigden niet in staat had hoeven stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht, niet stroken met de hiervoor reeds genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad.
De vordering van “historische administratieve gegevens”
5.5
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat – naast de inbeslagneming van gegevensdragers – ook “historische administratieve gegevens” zijn “gevorderd” en dat deze gegevens onderdeel zijn van de dataset die door de rechter-commissaris is gefilterd. Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden blijkt mij niet op welke strafvorderlijke bevoegdheid deze vordering gebaseerd is geweest. Niettemin moet hier worden opgemerkt dat, zoals hiervoor uiteengezet, art. 98 Sv Pro volgens de beslissingen van de Hoge Raad ter zake betrekking heeft op de “inbeslagneming” van stukken en op de “vastlegging van gegevens” als bedoeld in art. 125i Sv. [24] Op het vorderen van gegevens ziet art. 98 Sv Pro volgens die beslissingen niet. [25] Daarmee is, zoals opgemerkt, niet gezegd dat bij gevorderde gegevens de rechter-commissaris niet de centrale autoriteit is om over de toelaatbaarheid van de kennisneming van de verstrekte gegevens te oordelen, noch dat het inwinnen van het standpunt van de verschoningsgerechtigde door de rechter-commissaris zonder meer achterwege kan worden gelaten. Zie hierover de genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2024. [26] Hoewel door de Hoge Raad voor de “vordering van gegevens” in hoge mate is aangesloten bij de procedure in art. 98 Sv Pro, is de beslissing van de rechter-commissaris in zo’n geval niet een beslissing die op grond van art. 98 Sv Pro is gegeven. Voor de verschoningsgerechtigde die bezwaar heeft tegen de “vrijgave” door de rechter-commissaris van de gevorderde gegevens die na de filtering resteren, staat daarom niet de beklagmogelijkheid in art. 98 lid 4 Sv Pro open. Voor hem/haar staat wél de mogelijkheid open om op grond van art. 552a lid 1 Sv bij de raadkamer te klagen over “de vordering van gegevens” en/of “de kennisneming en het gebruik van gegevens” met betrekking tot de gegevens die resteren ná de filtering door de rechter-commissaris. [27]
Conclusie
5.6
Het voorgaande betekent dat voor zover in de beschikking van de rechtbank besloten ligt dat de onderhavige klaagschriften moeten worden gezien als beklag op grond van art. 552a Sv, dat oordeel uitsluitend juist is – wat er ook zij van de motivering van de rechtbank – voor zover het beklag zich richt tegen de kennisneming en het gebruik van gegevens die niet door inbeslagneming of vastlegging maar op vordering zijn verkregen. Maar zoals hiervoor aan de orde kwam, had de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris wél moeten aanmerken als een beslissing ex art. 98 lid 3 Sv Pro voor zover die betrekking heeft op de gegevens die op de inbeslaggenomen gegevensdragers stonden of waren vastgelegd in de zin van art. 125i Sv. In zoverre is sprake van beklag op grond van art. 98 lid 4 Sv Pro.
5.7
Het cassatiemiddel is mitsdien terecht voorgesteld.
5.8
De vraag is wel welke gevolgen deze omissie van de rechtbank in dit geval in cassatie moet hebben. Want hoewel de rechtbank de wettelijke grondslag voor het beklag door de klagers in dit geval niet volledig heeft onderkend, heeft de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris – onder de vlag van beklag ex art. 552a Sv – onderworpen aan een beoordeling die als zodanig niet afwijkt van het beoordelingskader voor beklag ex art. 98 lid 4 jo Pro. 552a Sv. [28] Omdat het verschoningsrecht volgens de rechtbank na de filtering onvoldoende was gewaarborgd, heeft de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard en de data opnieuw in handen van de rechter-commissaris gesteld voor een onder diens leiding uit te voeren nadere filtering.
5.9
Dat de klagers mijns inziens niettemin belang hebben bij een uitspraak in cassatie en een oordeel over de toepasselijkheid van art. 98 Sv Pro als zodanig, volgt uit de daaropvolgende overwegingen van de rechtbank in relatie tot de door de rechter-commissaris te volgen werkwijze en al dan niet te nemen beslissingen. De overwegingen geef ik hieronder volledigheidshalve nogmaals weer.
“Gelet op hetgeen tijdens de behandeling in raadkamer naar voren is gekomen, geeft de rechtbank daarbij de rechter-commissaris in overweging om - na het eventueel houden van een regiebijeenkomst - te (laten) filteren op de eerder door de raadslieden van de beslagenen en tijdens de behandeling in raadkamer door de officier van justitie voorgestelde wijze. Die komt erop neer de data eerst te filteren op basis van zoektermen van het Openbaar Ministerie (verband houdend met het strafrechtelijk onderzoek) en die gefilterde data vervolgens opnieuw te filteren met door de raadslieden van de beslagenen opgegeven zoektermen (verband houdend met mogelijk geprivilegieerde gegevens).
Anders dan de procedure op grond van artikel 98 Sv Pro is in de huidige wetgeving bij een beklag tegen de kennisneming en het gebruik van in beslag genomen gegevens (als bedoeld in artikel 552a Sv) met uitzondering van de zittingsrechter die achteraf toetst geen rechtsbescherming voor een belanghebbende die zich op het standpunt stelt dat het filterproces niet deugdelijk is verlopen. In tegenstelling tot een beslissing op grond van artikel 98 Sv Pro is er namelijk geen wettelijke grondslag die de opsporing ervan weerhoudt kennis te nemen van de door de rechter-commissaris vrijgegeven data, terwijl artikel 98 lid 8 Sv Pro [
AG: ik begrijp: lid 3] bepaalt dat de opsporing alleen na het onherroepelijk worden van de beslissing van de rechter-commissaris kennis mag nemen van in beslag genomen data.
In onderhavig geval leidt dat niet tot een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, nu de officier van justitie heeft medegedeeld dat de opsporing geen kennis heeft genomen van de data en ook niet zal nemen in afwachting van de uitkomst van deze procedure en er geen reden is om daaraan te twijfelen. Ten aanzien van toekomstige gevallen waarin dit mogelijk anders kan zijn, is het wenselijk dat de rechter-commissaris, ter voorkoming van een situatie waarin de opsporing al kennis neemt van data waarvan achteraf blijkt dat die ten onrechte is achtergebleven in de vrijgegeven set, in zijn beslissing bepaalt per wanneer het de officier van justitie wordt toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven gegevens.
Verzoek stukken en aanhouding behandeling
Nu een nadere filtering wordt gelast, hebben klagers geen belang meer bij inzage in de stukken en aanhouding van de behandeling van deze zaak. De daartoe strekkende verzoeken worden daarom afgewezen.”
5.1
Kort samengevat komen de overwegingen van de rechtbank erop neer dat (i) de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigde klagers – die (anders dan de raadslieden van de beslagenen) blijkens de beschikking kennelijk niet eerder door de rechter-commissaris bij (of na) het selectieproces zijn betrokken – niet noodzakelijk hoeft te betrekken bij (of na) de nadere filtering van de resterende data en (ii) het bepaalde in art. 98 lid 3 Sv Pro – dat niet tot kennisneming van de data kan worden overgegaan totdat onherroepelijk op een dergelijk klaagschrift is beslist – niet van toepassing is. Kennelijk om die laatste reden geeft de rechtbank de rechter-commissaris in overweging om in “toekomstige gevallen” in zijn beslissing te bepalen “per wanneer het de officier van justitie wordt toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven gegevens”. Omdat door de rechtbank een nadere filtering is gelast, hebben de verschoningsgerechtigde klagers naar het oordeel van de rechtbank bovendien geen belang (meer) bij aanhouding van de behandeling van de zaak.
5.11
Deze door de rechtbank geschetste procedure is niet overeenkomstig het geldende recht en vormt onvoldoende waarborg tegen schending van het verschoningsrecht. [29] Meer in het bijzonder doet de beslissing van de rechtbank onvoldoende recht aan de positie van de verschoningsgerechtigde die zich op het standpunt stelt dat het filterproces niet deugdelijk is verlopen. Nu art. 98 lid 3 en Pro lid 4 Sv in het onderhavige geval wel degelijk van toepassing zijn – in ieder geval waar het gaat om inbeslaggenomen voorwerpen en vastgelegde gegevens – betekent dit immers dat (i) de rechter-commissaris de klagers mijns inziens in de gelegenheid dient te stellen zich uit te laten over hun verschoningsrecht met betrekking tot de (opnieuw) voorgeselecteerde stukken of gegevens; (ii) de beklagrechter vervolgens opnieuw – naar aanleiding van het bestaande (onderhavige) beklag – dient te beoordelen of het verschoningsrecht voldoende is gewaarborgd en (iii) op grond van het bepaalde in art. 98 lid 3 Sv Pro niet tot kennisneming van de data mag worden overgegaan dan nadat onherroepelijk over het door de verschoningsgerechtigden ingediende beklag is beslist. [30]
5.12
Dat betekent mijns inziens ook dat de door de rechtbank genomen beslissing op de klaagschriften voor zover gebaseerd op art. 552a lid 1 Sv niet in stand kan blijven (en aan de in de (herstel)akte(s) cassatie aangebracht beperking om die reden voorbij moet worden gegaan). Op grond van de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad had de rechtbank de behandeling van de klaagschriften immers moeten aanhouden en de stukken in handen moeten stellen van de rechter-commissaris: eerst
nadatde rechter-commissaris de stukken opnieuw heeft gefilterd, kan de rechtbank oordelen over de gegrondheid van het door de verschoningsgerechtigden ingediende beklag. Gedurende die procedure geldt – in ieder geval voor de inbeslaggenomen en vastgelegde gegevens – het bepaalde in art. 98 lid 3 Sv Pro dat van de geselecteerde stukken geen kennis mag worden genomen totdat onherroepelijk op het beklag is beslist.

6.Slotsom

6.1
Het cassatiemiddel slaagt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
2.Vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, rov. 2.3.
3.Vgl. HR 27 september 2016, HR:2016:2185,
4.HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007, rov. 2.4.1
5.Zie HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578,
6.Zie o.a. HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1788, 4.2.1,
7.Zie o.a. HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004,
8.HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262,
9.HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048,
10.HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007, rov. 2.4.1
11.HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007, rov. 2.4.2; HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048,
12.Zie o.a. HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007, rov. 2.4.2.
13.Zie o.a. HR 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007, rov. 2.4.1
14.Zie HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578,
15.Vgl. HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456,
16.HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048,
17.Zie HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578,
18.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314,
19.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
20.HR 12 maart 2024, ECLILNL:HR:2024:375,
21.De enkele omstandigheid dat de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad geformuleerde procedureregels niet zijn gevolgd, levert naar het oordeel van de Hoge Raad niet zonder meer een vormverzuim op waaraan een van de in art. 359a lid 1 Sv genoemd rechtsgevolg moet worden verbonden. In het bijzonder kan een rechtsgevolg achterwege blijven in gevallen waarin de betreffende procedureregels weliswaar niet (geheel) zijn gevolgd, maar waarin niet is gebleken dat een bij het opsporingsonderzoek betrokken opsporingsambtenaar of officier van justitie heeft kennisgenomen van geprivilegieerde gegevens of dat het anderszins bekend worden van geprivilegieerde gegevens van ‘bepalende invloed’ is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek, en er dus (volgens de Hoge Raad) voor de verdachte in zoverre ‘geen (wezenlijk) nadeel’ is ontstaan door het betreffende vormverzuim. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
22.De zaak is enigszins vergelijkbaar met de zaak die ten grondslag lag aan HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:60,
23.Vgl. HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560,
24.Vgl. HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578,
25.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
26.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
27.Vgl. de conclusie van AG Van Wees (ECLI:NL:PHR:2025:1098) onder 4.13 e.v. voorafgaand aan HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1788 en de annotatie van J.S. Nan bij HR12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
28.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314,
29.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314,
30.Vgl. HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560,