Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
- art. 231 lid 1 en Pro 2 Sr:
“1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.”
Trb.1951/131 en 1954/88, hierna: Vluchtelingenverdrag):
NJ2009/531 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit verbod ook van toepassing is indien een vluchteling wordt vervolgd wegens het bezit van valse identiteitspapieren, wanneer dat bezit samenhangt met de illegale binnenkomst of het illegale verblijf. [1]
. [6]
toen zij reeds in België verbleef, omdat zij in Europa wilde werken. Uit de verklaring van de verdachte zelf volgt dus al dat zij de documenten niet in het kader van de vlucht in haar bezit had. Daarmee is van een situatie waarin een (tijdelijk) vervolgingsbeletsel aan de orde kan zijn geen sprake. Het hof was dus ook niet gehouden tot een (onverwijlde en zonder nader onderzoek gedane) beoordeling van de gegrondheid van de stelling van de verdachte dat zij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover het hof daarover wel een oordeel heeft gegeven, is dat niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de vaststellingen van het hof niet volgt dat aan dat oordeel een toets van de criteria die voortvloeien uit art. 1 van Pro het Vluchtelingenverdrag ten grondslag is gelegd. Het oordeel van het hof over verdachtes vluchtelingenstatus kan echter worden beschouwd als een overweging ten overvloede, nu de beslissing dat een vervolgingsbeletsel niet aan de orde is reeds zelfstandig wordt gedragen door de vaststelling dat geen sprake was van een situatie waarin het verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in het bezit van de verdachte was. Tot cassatie geeft dit kortom geen aanleiding.