ECLI:NL:PHR:2026:5

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
23/03804
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Profijtontneming in verband met deelname aan criminele organisatie gericht op phishingfraude

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag op 20 september 2023 een arrest gewezen waarin de betrokkene is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met phishingfraude. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 119.466,28, en heeft hem de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van € 100.000,-. De betrokkene heeft in cassatie twee middelen ingediend, waarbij het eerste middel slaagde en het tweede middel faalde. Het hof heeft geoordeeld dat de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de bewezen deelneming aan de criminele organisatie, en dat de schatting van het voordeel kan worden gedaan op basis van de transactiemethode. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag. De zaak is ook verbonden met andere strafzaken tegen de betrokkene.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03804 P
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 20 september 2023 (rolnr. 22-001983-19) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 119.466,28 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 100.000,-. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. Bij herstelbeslissing van 20 september 2023 heeft het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat naar € 116.185,62 gecorrigeerd en het bedrag waarvoor de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd tot betaling aan de staat naar € 98.000,- gecorrigeerd.
1.2
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 23/03787 en met de zaken 23/03890, 23/03767, 23/03766. In de strafzaak tegen de betrokkene concludeer ik vandaag ook. In de zaken 23/03890, 23/03767 en 23/03766 zijn geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan op 26 augustus 2025.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is in deze zaak gebaseerd op de veroordeling van de betrokkene bij arrest van 20 september 2023 in de strafzaak (rolnr. 22-001928-19) ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. In de strafzaak is vastgesteld dat de betrokkene heeft deelgenomen aan een organisatie die zich gedurende een langere periode op grote schaal en op professionele wijze bezighield met “phishingfraude”. De betrokkene en zijn medeverdachten hebben de beschikkingsmacht over bankrekeningen van een aantal klanten van de Rabobank verkregen en geld overgemaakt naar bankrekeningen van vooral juweliers en autohandelaren om horloges en auto’s aan te schaffen. In de ontnemingszaak wordt in cassatie met twee middelen opgekomen tegen het oordeel van het hof over de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en andere leden van de criminele organisatie.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel slaagt en strekt tot verwerping van het tweede middel.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer aan de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden ontleend, althans niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel van het hof over de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de betrokkene en de andere leden van de criminele organisatie.
3.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 heeft de raadsvrouw van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Deze houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten):
“3. Ten aanzien van de formele verweren verwijs ik naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg, welke ik u verzoek als herhaald en ingelast te beschouwen (zie bijlage).
Verklaring cliënt
4. Cliënt heeft ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals verklaard dat hij nooit geld heeft verdiend. Hij heeft nogmaals benadrukt hoeveel geldproblemen hij heeft. Over het totale bedrag dat door uw Hof werd genoemd, verklaarde cliënt dat hij dat nooit heeft gehad. Sinds 13 jaar in Nederland is hij al in dezelfde situatie. Hij verklaarde: wanneer ik echt zoveel geld zou hebben verdiend, dan zou ik toch niet meer in deze kamer wonen.
Geen geld/goederen bij cliënt aangetroffen
5. Graag wijs ik nogmaals op het feit dat bij verschillende instanties is gezocht naar vermogen en/of bezittingen, maar er is niets naar voren gekomen in het onderzoek.
6. Er is bovendien ook onderzocht of cliënt verdachte transacties zou hebben gedaan. Uit dat onderzoek is gebleken dat er tweemaal, via Money Transfer, een bedrag Uit Frankrijk (van [betrokkene 1] ) is verstuurd naar cliënt. Dat was op 11 januari 2011 een bedrag van € 1.000,-- en op 8 januari 2014 € 1.050,00. En eenmaal heeft cliënt een bedrag van € 2.500,- naar haar in Frankrijk gezonden op 6 december 2011. Dat cliënt dit bedrag naar haar verzond is overigens van drie jaar vóór de ten laste gelegde periode. En toen in zijn verhoor werd gevraagd hoe hij aan geld kwam, heeft hij verklaard dat hij soms financiële ondersteuning krijgt van zijn broer in Amerika en zijn vrouw in Frankrijk.
7. Geconcludeerd kan dus worden dat er geen verdachte transacties zijn geweest én er geen geld en dure goederen bij cliënt zijn aangetroffen. Dit moet uw Hof, mijns inziens, sterken in de overtuiging dat cliënt echt geen 180.000,-- aan voordeel heeft genoten.
[…]
Hoeveelheid mensen – meer kosten
12. In de berekening van, zowel de rechtbank, als het Advocaat-Generaal, wordt mijns inziens vervolgens het voordeel berekend tussen te weinig mensen die hiervan hebben genoten. Inmiddels is wel duidelijk dat er mensen nooit zijn aangehouden en dat ervan vermoedelijk veel mensen helemaal niets bekend is.
13. Allereerst uiteraard [medeverdachte 8] , welke als hoofdverdachte is aangewezen en wie (vermoed ik) het meeste voordeel heeft genoten. Ik verzoek uw Hof om hem mee te nemen in de berekening als degene die het meeste heeft verdiend.
14. Daarnaast ging de rechtbank uit van kosten ten bedrage van € 52.128,04. Dit is geschat en lijkt erop (zoals de AG al zei) dat voor dit bedrag is gekozen om vervolgens tot een rond bedrag van € 600.000 aan voordeel te komen.
15. Maar het geld moest met veel meer verdeeld worden of er waren meer kosten, omdat meer betaald moesten worden. Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de vermeende verdeelsleutel welke in het dossier is aangetroffen en waarop meerdere namen vermeld staan, zoals de naam
[betrokkene 2]en
[betrokkene 3].
16. Over [betrokkene 2] heeft [medeverdachte 1] bij de RHC bijvoorbeeld verklaard dat hij ook een van de mannen was welke informatie aanleverde.
17. Ook is [getuige] (vriendin [betrokkene 4] ) gehoord en opmerkelijk genoeg heeft zij verklaard over hetgeen volgens haar de rolverdeling was binnen de vermeende organisatie. Als zij het over de groep heeft, spreekt zij over en ik citeer: ‘
[betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9]en nog een paar andere. Ook eentje met een klein hoofdje een donkere jongen. Ja, die heet [betrokkene 10] . [betrokkene 5] is de leider, om het maar even zo te zeggen. Er is ook nog iemand in [plaats] . Die in [plaats] is volgens mij een tweeling. Een van de tweeling is niet helemaal goed. Ik weet hun naam niet. Er is ook een meisje. Dat is de ex van [betrokkene 5] . Zij belt. Ze heet [betrokkene 11] . Ze woont in [wijk] . Ze noemen haar [bijnaam betrokkene 11] of [bijnaam betrokkene 11] ’. Volgens haar is [betrokkene 5] de leider en hij geeft de opdrachten.
18. Nog meer namen welke betrokkenheid zouden hebben. Maar ook in de tapgesprekken worden komen meer namen naar voren:
a. [medeverdachte 6] wacht op
[betrokkene 12]:
b. Of iemand aan [betrokkene 13] kan vragen of hij [medeverdachte 6] wil bellen; Over deze
[betrokkene 13]heeft [medeverdachte 6] ook verklaard dat het iemand uit de groep is.
Geld katvangers
19. De AG gaat er vanuit dat elke katvanger € 500,- heeft gekregen en dat bij achttien zaaksdossiers en acht overige dossiers is € 13.000,- (500 x 26).
20. Uit een tapgesprek van [medeverdachte 6] blijkt dat hij zelf belt met een potentiële tussenpersoon/ronselaar. Hij vertelt hem dat die jongen een katvanger moet zoeken welke een dag een auto op naam krijgt en dat zowel hij als degene die hij vindt, dan 5 barkies krijgen (500 per persoon per auto). Ook vertelt hij dat diegene 5 barkjes (500) kan krijgen voor een dagje werken.
21. Ik ben het eens met de berekening van de AG dat een katvanger dus € 500,- krijgt, maar uit het dossier blijkt bovendien dat de auto’s en/of horloges vaak werden opgehaald door een tweetal. Dit maakt dat de kosten voor de katvangers dan al moeten worden vastgesteld op € 26.000,-.
22. En dat daarnaast, zoals [medeverdachte 6] aan de telefoon uitlegde, ook de tussenpersoon nog € 500,- krijgt. Dit zou nog eens € 13.000,- aan extra kosten opleveren.”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2023 houdt niet in dat de voorzitter van het hof ermee heeft ingestemd dat de pleitnota in eerste aanleg als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Aan deze pleitnota moet daarom mijns inziens worden voorbijgegaan.
3.4
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang in:

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van 20 september 2023 heeft het hof bewezen verklaard dat de betrokkene in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling (feit 2).
Hoewel de betrokkene door de rechtbank is vrijgesproken van de oorspronkelijk onder 1 tenlastegelegde oplichtingen, is het hof van oordeel wel degelijk aannemelijk is dat dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de in de bewezen verklaarde periode door de criminele organisatie verrichte criminele activiteiten, waar de betrokkene een voorname rol in had. Dat bij de betrokkene geen geld of dure goederen zijn aangetroffen doet daar niet aan af. De betrokkene is gedurende ongeveer vier maanden samen met onder meer [medeverdachte 2] betrokken geweest bij phishingactiviteiten op grote schaal, waarbij steeds gebruik is gemaakt van min of meer dezelfde modus operandi. Hierbij zijn telkens aanzienlijke geldbedragen van de gedupeerden van hun bankrekeningen afgeschreven en verdwenen. De betrokkene en [medeverdachte 2] hadden een belangrijke rol in de criminele organisatie die zich met deze activiteiten bezighield, welke rol de rechtbank op grond van de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen kernachtig omschrijft op pagina 24 van het vonnis in de strafzaak van de betrokkene. Het hof acht aannemelijk geworden dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de schatting van dat voordeel is van belang dat de ontneming is gebaseerd op de bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie en niet op de afzonderlijk ten laste gelegde- oplichtingen. De vrijspraak van dat feit staat daaraan niet in de weg. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt immers dat de omstandigheid dat het voordeel door die organisatie is verkregen uit zaken waarvan de betrokkene zelf is vrijgesproken, niet afdoet aan de mogelijkheid van ontneming. Voor deelneming aan een criminele organisatie is immers niet vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij concrete strafbare feiten waarop het oogmerk van die organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. In een geval als het onderhavige is het voordeel aan ze merken als verkregen door middel van de deelneming aan de criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane concrete misdrijven, waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk (als medepleger) heeft deelgenomen.
Het hof stelt vast dat de betrokkene geen verklaring heeft afgelegd over zijn verdiensten uit zijn deelname aan de criminele activiteiten waarvoor hij is veroordeeld. Het hof is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel onder deze omstandigheden kan worden geschat op basis van de zogenoemde transactiemethode. Dit betekent dat uitgegaan wordt van de bedragen die zijn verworven door middel van de door de criminele organisatie gepleegde oplichtingen (de bedragen die zijn afgeschreven van de bankrekeningen van de slachtoffers). Het hof gaat daarbij uit van de in de zaak van de betrokkene bewezen verklaarde periode. Overigens maakt de omstandigheid dat de waarde van de buit verminderde gedurende het witwassen daarvan niet dat het door de criminele organisatie waar de betrokkene deel van uitmaakte verkregen voordeel op een lager bedrag dient te worden geschat.
In de in de strafzaak van de betrokkene bewezen verklaarde periode zijn de volgende zaaksdossiers aan de orde.
Opbrengsten
Zaaksdossier
Benadeelde partij
Bedrag
18
[benadeelde 1] / [A]
€ 39.400,00
19
[benadeelde 2]
€ 44,950,00
22
[benadeelde 3]
€ 48.950,00
23
[benadeelde 4]
€ 47.250,00
24
[benadeelde 5]
€ 44.950,00
26
[benadeelde 6]
€ 49.950,00
27
[benadeelde 7]
€ 37.700,00
28
[benadeelde 8]
€ 29.500,00
35
[benadeelde 9]
€ 11.36000
37
[benadeelde 10]
€ 6.501,95
38
[benadeelde 11]
€ 24.750,00
Totaal bedrag
€ 388.261,95
Verdeling
Ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel over de drie personen ten aanzien van wie de deelneming aan de criminele organisatie is bewezen verklaard, overweegt het hof dat uit het dossier is gebleken dat de betrokkenen ieder een eigen rol en taak hadden en dat ten aanzien van hen verschillende pleegperioden bewezen zijn verklaard.
De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. [medeverdachte 1] heeft dat wel gedaan en op grond daarvan heeft het hof in haar zaak aannemelijk geacht dat zij niet gelijkelijk heeft gedeeld in de opbrengsten. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt voorts geen indicatie te ontlenen voor de verdere verdeling van de opbrengst. Voor wat betreft de verdeling van het behaalde voordeel tussen de betrokkene, en de andere hoofdrolspelers in de criminele organisatie (waaronder de niet voor zijn kennelijke aandeel in de organisatie veroordeelde [medeverdachte 8] ) zijn naar het oordeel van het hof geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel dan op basis van gelijke verdeling. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen toerekenen. Daarbij zal het hof rekening houden met het in de relevante periode aan [medeverdachte 1] toe te rekenen deel en enige kosten.
Kosten
De betrokkene is als deelnemer aan de criminele organisatie (gelet op de bewezen verklaarde periode) bij elf zaaksdossiers betrokken geweest. Het hof zal per zaaksdossier € 1.000,- aan kosten op de opbrengst in mindering brengen. Dit betreft een schatting van de kosten waarvan het hof aannemelijk acht dat die per oplichting zijn gemaakt, hoewel de betrokkene niets heeft aangevoerd over gemaakte kosten. Het hof gaat er met de rechtbank van uit dat katvangers (degenen die de horloges en auto’s hebben opgehaald) en hun begeleider(s) een (bescheiden) vergoeding hebben gekregen en dat daarnaast ook andere kosten, zoals kosten voor de aanschaf van ICT-apparatuur en telefoonkosten, zijn gemaakt. Voorts zal het hof het deel van de [medeverdachte 1] (gelet op de totale opbrengst van de criminele activiteiten van de organisatie in de in haar strafzaak bewezen verklaarde periode en de daarvoor in totaal aan haar uitgekeerde vergoeding: omgerekend 5% van het totaal) van de opbrengst aftrekken.
Voornoemde levert de volgende berekening op.
Totale opbrengt: € 388.261,95
minus € 11.000,- (11 maal € 1.000,- per zaaksdossier)
minus € 18.863,10 (5% deel [medeverdachte 1] )
= € 358.398,85
Dit resterende bedrag dient gelijkelijk over de drie betrokkenen (betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] ) verdeeld te worden.
€ 358.398,85 / 3 =
€ 119.466,28
Het hof zal het in de strafzaak toegewezen bedrag aan schadevergoeding niet in mindering brengen op het ontnemingsbedrag, reeds omdat die beslissing thans nog niet onherroepelijk is.”
3.5
De herstelbeslissing van het hof van 20 september 2023 houdt onder meer in:
“Het hof heeft geconstateerd dat dit arrest een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478). Deze fout is niet in het nadeel van de verdachte.
Onder het kopje
‘Opbrengsten’op pagina 4 in het arrest is abusievelijk bij zaaksdossier 35 als benadeelde partij [benadeelde 9] opgenomen (met een bedrag van € 11.360,00). Dit bedrag dient derhalve afgetrokken te worden van het totaalbedrag aan opbrengsten ad € 388.261,95, waarna er een bedrag van € 376.901,95 resteert.
Na aftrek van de kosten (minus € 10.000,- (10 maal € 1.000,- per zaaksdossier) en minus € 18.345, 10 (5% deel [medeverdachte 1] ) ) resteert een bedrag ad € 348,556,85.
Dit resterende bedrag dient gelijkelijk over de drie betrokkenen (betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] ) verdeeld te worden.
€ 348.556,85 / 3 =
€ 116.185,62
Bij het opnieuw vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel is opnieuw rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat door de in beginsel op te leggen ontnemingsmaatregel van € 116.185,62 wordt gematigd tot € 98.000,-.”
3.6
De vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het vonnis van de rechtbank Den Haagd.d. 29 april 2019 met parketnummer 09-842210-14. Dit vonnis houdt onder meer in dat ten aanzien van betrokkene bewezen verklaard is dat:
hij in de periode van 4 januari 2014 tot en met 7 mei 2014 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een (samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder meer verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting en (gewoonte)heling en (gewoonte)witwassen, welke bewezenverklaring is bevestigd door het hof bij arrest van 20 september 2023 met rolnummer 22-001928-19.
2. Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delictd.d. 4 juli 2017 van de politie Team Financieel-economische Criminaliteit (DH) met nr. 2013154740. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als relaas van rapporteur [verbalisant] :
5.1.2.
Modus operandi
Uit analyse van de, aan de groep verdachten te koppelen, oplichtingen en gerelateerde strafbare handelingen, is vast komen te staan dat de criminele Organisatie volgens een bepaalde structuur en planmatige wijze te werk ging. Kort en bondig weergegeven was de werkwijze als volgt:
De groep verdachten verstuurde e-mails uit naam van de Rabobank naar slachtoffers waarin stond vermeld dat:
 Er een nieuwe update van het internetbankieren moest plaatsvinden, of dat;
 Er een beveiligingsrisico was omdat er misbruik van hun internetbankieren-account werd gemaakt, of dat;
 Er in verband met de invoering van de IBAN-code een nieuwe update moest komen.
Door op een link in de e-mail te klikken kwamen slachtoffers op een zogenaamde website van de Rabobank terecht. Op deze site werd gevraagd (persoonlijke) gegevens in te vullen. Nadat slachtoffers hun gegevens hadden ingevuld, werden zij gebeld door een vrouw, die zich voordeed als medewerkster van het hoofdkantoor van de Rabobank. De genoemde vrouw gebruikte diverse aliassen tijdens de telefoongesprekken met de slachtoffers, zoals:
 [alias 1] ;
 [alias 2]
 [alias 3] ;
 [alias 4] ;
 [alias 5] ;
 [alias 6]
 [alias 7]
In dit telefoongesprek ontfutselde de ‘medewerkster’ de inlog- en signeercodes van het internet bankieren van het Rabobank-account van de slachtoffers. Vervolgens werd er ingelogd op de Rabobank internetbankieren-accounts van de slachtoffers en werd het saldo van hun bankrekeningen bekeken.
Uit onderzoek bleek dat, alvorens de groep verdachten onrechtmatig geld overboekten vanaf de Rabobankrekeningen van de slachtoffers, zij via de mail en/of de telefoon contact hadden gelegd met een juwelier of een autohandelaar. Via de mailberichten werd door een vrouw bij juweliers en autohandelaren geïnformeerd naar te koop aangeboden horloges/auto’s en werd aangekondigd dat er geld overgemaakt werd voor de aanschaf van de horloges/auto’s. De betaalde horloges/auto’s zouden vervolgens door een ‘familielid’ of iemand anders opgehaald worden. De namen, die als afzender van de e-mailberichten naar de juweliers en autohandelaren werden gebruikt, waren: [alias 1] , [alias 8] en [alias 6] . Later werden de namen van de slachtoffers gebruikt als afzender van de e-mailberichten.
Op een later tijdstip werden de slachtoffers nogmaals door dezelfde vrouw gebeld, die zich voordeed als een medewerkster van de Rabobank. Wederom werden de inlog- en signeercodes van internetbankieren-accounts van de slachtoffers ontfutseld door de nepmedewerkster van de Rabobank. Vervolgens logde een lid van de groep verdachten wederom in op de internetbankier accounts van de slachtoffers en boekte middels een (spoed)overboeking geld over naar de reeds benaderde juwelier of autohandelaar. In het overboekingsprogramma werden de volgende velden ingevuld:
 Het bedrag;
 De rekeninghouder:
 Het rekeningnummer van de tegenrekening (juwelier/autohandelaar);
 Omschrijving (gegevens van de bestelde goederen);
Na de valselijk opgemaakte overboeking werd contact opgenomen met de ontvangers van het geld om te verifiëren of het geld ontvangen was en om afspraken te maken met betrekking tot het ophalen van de bestelde en betaalde goederen.
Kort na de overboeking werden de bestelde en betaalde goederen opgehaald door zogenaamde katvangers. Zij legitimeerden zich bij de juweliers. Bij de autohandelaren lieten zij de bestelde en betaalde auto’s op hun naam zetten.
In eerste instantie gebruikte de groep verdachten juweliers als ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld. Nadat de branchevereniging van juweliers een waarschuwing had laten uitgaan naar hun aangesloten leden bleek dat er vanaf 14 november 2014 nauwelijks nog gebruik gemaakt werd van de juweliers als ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld. De groep verdachten pasten hun werkwijze aan en werden autohandelaren de ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld.
Later werden de namen van de potentiële slachtoffers gebruikt in het contact met de autohandelaren.
5.2.1.
Verdachtengroepen
In dit rapport wordt een onderverdeling van verdachtengroepen gemaakt om de rolverdeling te duiden. Dit rapport behelst de ontneming van de leden van verdachtengroep 1. Voor de volledigheid worden verdachtengroepen 2 en 3 ook benoemd.
Verdachtengroep 1
De kenmerken van verdachtengroep 1 zijn:
 Lijsten met cliëntgegevens van de bank ontvangen;
 Uit naam van de Rabobank telefonisch/via e-mail contact opgenomen met de slachtoffers; Ingekeken op de bankrekeningen van de- slachtoffers;
 Onrechtmatig geld overgeboekt vanaf bankrekeningen van de slachtoffers naar de bankrekeningen van de leveranciers van de bestelde goederen (juweliers/autohandelaren);
 Contact opgenomen met de ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld (juweliers/autohandelaren) over de bestelde goederen (met name auto’s en horloges) en de betaling;
 Verdachtengroep 2 aansturen om de met het van misdrijf afkomstige geld, aangekochte goederen op halen.
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] behoren tot verdachtengroep 1.
Verdachtengroep 2
De kenmerken van de verdachtengroep 2 zijn:
 Contact houden met leden van verdachtengroep 1;
 Zorg dragen voor het ophalen van de bestelde en betaalde goederen (bij juweliers/autohandelaren).
 Personen zoeken (ronselen) die bereid zijn om bestelde en betaalde goederen op te halen (bij juweliers/autohandelaren);
Tot verdachtengroep 2 behoren: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] .
5.2.5.
Rol [verdachte]
Samenvattend stuurt [verdachte] verdachten uit verdachtengroep 2 aan om auto’s op te halen en op naam te zetten en geeft ze opdrachten om mensen te regelen die horloges kunnen ophalen. Daarnaast neemt [verdachte] het geld in ontvangst van de verkochte spullen en betaalde hij de verdachten uit verdachtengroep 2 en 3.
5.3.
Zaakdossiers
In deze ontnemingsrapportage worden de 18 zaakdossiers (van de genoemde 38 zaakdossiers) beschreven waaruit wederrechtelijk verkregen voordeel ontstond. De nummering van de zaakdossiers van deze ontnemingsrapportage wijkt derhalve af van de nummering van de strafzaak. Deze oplichtingzaken zijn aan de groepering te koppelen door een overeenkomst qua:
 Modus operandi;
 Veelal gebruik van een mailbericht voorafgaand aan veelal meerdere telefoongesprekken;
 Gebruik van dezelfde telefoonnummers en imeinummers door de zogenaamde medewerkster van de Rabobank;
 Gebruik van dezelfde hamen van de belster naar slachtoffers/juweliers/autohandelaren;
 Gebruik van een mailbericht aan de ontvangers van het overgeboekte, geld;
 Gebruik van dezelfde aangestraalde zendmast;
 Ontvangers van het onrechtmatig overgeboekte geld zijn juweliers, autohandelaren of verwante handelaren.”
3.7
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat niet aan de bewijsmiddelen kan worden ontleend dat de betrokkene daadwerkelijk € 116.185,62 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat de verdeling onbegrijpelijk is, omdat de rechtbank in het door het hof in de hoofdzaak bevestigde vonnis heeft vastgesteld dat niet alle schakels binnen het samenwerkingsverband konden worden blootgelegd en het brein achter de organisatie niet bekend is geworden, terwijl het hof het voordeel enkel aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en de betrokkene heeft toegerekend.
3.8
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. In verband met de reparatoire aard van de ontnemingsmaatregel moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft verkregen. [1] Dat geldt ook als meerdere personen hebben verdiend aan een strafbaar feit. [2] In een dergelijk geval zal de rechter op grond van de omstandigheden van het geval die hem bekend zijn, zoals de rol die de betrokkene heeft gespeeld bij het delict of het aantreffen van het voordeel bij de betrokkene, moeten vaststellen welk deel van het totale voordeel aan elk van de daders kan worden toegerekend. De feiten en omstandigheden die de rechter ten grondslag legt aan de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene hoeven niet te berusten op wettige bewijsmiddelen. Voldoende is dat deze feiten en omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. [3] Als de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een concrete vaststelling van ieders voordeel kan het voordeel pondspondsgewijs aan de deelnemers worden toegerekend. De rechter is echter niet verplicht tot een (pondspondsgewijze) verdeling. [4]
3.9
Of en in welke mate de rechter zijn keuze voor een bepaalde verdeelsleutel nader moet motiveren hangt af van de procesopstelling van de betrokkene en hetgeen door of namens de betrokkene naar voren is gebracht. [5] Een nadere motivering ligt bijvoorbeeld in de rede als het naar aanleiding van hetgeen door of namens de betrokkene naar voren is gebracht aannemelijk is geworden dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. [6] Verder moet de rechter bij afwijking van een door of namens de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het bijzonder de redenen opgeven die tot afwijking van dit standpunt hebben geleid. [7]
3.1
Wanneer de rechter aan zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten grondslag heeft gelegd dat de betrokkene is veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie, geldt dat de omstandigheid dat het door een criminele organisatie verkregen wederrechtelijk voordeel mede afkomstig is uit concrete strafbare feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet in de weg staat aan de mogelijkheid om het voordeel te ontnemen dat de betrokkene heeft verkregen uit zijn deelneming aan die criminele organisatie. [8] Het voordeel moet wel op basis van zijn deelneming aan de criminele organisatie mede aan de betrokkene zijn toegekomen. [9] De rechter moet vaststellingen doen over het aandeel van de betrokkene in de organisatie en kan in geval van een criminele organisatie niet volstaan met de enkele constatering dat de betrokkene geen inzicht heeft willen geven in zijn aandeel in de criminele organisatie en dat niet is gebleken dat de betrokkene een ander aandeel heeft gehad dan zijn medeveroordeelden. [10]
3.11
Tot slot verdient nog aandacht dat de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Wel mag de ontnemingsrechter een zelfstandig oordeel vellen over verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk kan worden geschat. [11]
3.12
Het hof heeft in de onderhavige zaak de ontneming gebaseerd op de in de hoofdzaak bij arrest van 20 september 2023 ten laste van de betrokkene bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie welke als oogmerk had het plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling. Het hof heeft vastgesteld dat het aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit zijn deelneming aan de criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen door leden van die organisatie begane concrete misdrijven waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen. Het hof heeft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de criminele organisatie heeft verkregen in de periode die in de strafzaak van de betrokkene is bewezenverklaard aan de hand van de transactiemethode geschat op € 388.261,95. [12]
3.13
Het hof heeft vastgesteld dat van het totaalbedrag ter hoogte van € 388.261,95 dat de criminele organisatie in de bewezenverklaarde periode heeft verkregen, € 119.466,28 aan de betrokkene is toegevloeid. [13] Het hof is als volgt tot dit bedrag gekomen. Het hof heeft allereerst vastgesteld dat de betrokkene geen inzicht heeft gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel, maar dat de medeveroordeelde [medeverdachte 1] dit wel heeft gedaan en dat het hof op grond daarvan in haar zaak aannemelijk heeft geacht dat zij niet gelijkelijk heeft gedeeld in de opbrengsten, terwijl aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie is te ontlenen voor de verdere verdeling van de opbrengst. Het hof heeft daarom het deel van [medeverdachte 1] (vastgesteld op 5%) afgetrokken van de totale opbrengst van de criminele organisatie. Vervolgens heeft het hof per zaaksdossier € 1.000,- in mindering gebracht op het totaalbedrag in verband met kosten die de organisatie heeft gemaakt voor de vergoeding van “katvangers (degenen die de horloges en auto’s hebben opgehaald) en hun begeleider(s)”. Het resterende bedrag heeft het hof pondspondsgewijze verdeeld tussen de betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] . Aan deze laatste verdeling heeft het hof ten grondslag gelegd dat geen concrete aanknopingspunten voorhanden zijn voor een afwijkende verdeelsleutel dan op basis van gelijke verdeling.
3.14
Voor wat betreft de rol van de betrokkene heeft het hof verwezen naar pagina 24 van het vonnis in de strafzaak van de betrokkene. Ook heeft het hof het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank van 29 april 2019 in de strafzaak tegen de betrokkene in de ontnemingszaak als bewijsmiddel gebruikt (bewijsmiddel 1). Pagina 24 van dit vonnis houdt voor zover van belang in:

Rolverdeling [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1]
Hoewel het onderzoek niet alle schakels in het samenwerkingsverband heeft kunnen blootleggen (zo is niet duidelijk geworden wie het brein achter de organisatie was en waar de initiële contactgegevens van de rekeninghouders van de Rabobank vandaan kwamen) is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] over een langere periode hebben deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en daarin elk hun eigen rol en taak hadden, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.”
Het hof heeft in de strafzaak door deze overweging van de rechtbank te bevestigen vastgesteld dat er behalve [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 1] en de katvangers en hun begeleiders nog andere “schakels” in de criminele organisatie waren die niet zijn achterhaald, waarbij kennelijk wordt verondersteld dat zich onder die onbekende schakels ook “het brein achter de organisatie” kan bevinden. Weliswaar sluit de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank niet uit dat een van de verdachten “het brein achter de organisatie” was, maar de formulering laat er alle ruimte voor en wijst er mijns inziens zelfs vooral op dat ervan wordt uitgegaan dat dit “brein” een onbekend gebleven persoon betreft. In het licht van de vaststelling van de rechtbank, waaraan het hof in de ontnemingszaak gebonden was, acht ik het daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom het hof bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de organisatie geen rekening heeft gehouden met een extra persoon die als “brein achter de organisatie” heeft gefungeerd. [14] Dat er nog meer mensen betrokken waren bij de criminele organisatie wil weliswaar niet zeggen dat zij ook aan de oplichtingen in de bewezenverklaarde periode hebben verdiend, maar gezien de aanduiding als “het brein” zijn er mijns inziens aanwijzingen dat een dergelijk persoon een rol van betekenis heeft gehad binnen de criminele organisatie en daadwerkelijk heeft gedeeld in het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hieraan kon dan ook niet zonder motivering worden voorbijgegaan. Gelet hierop is de mate van toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene niet begrijpelijk gemotiveerd.
3.15
Bovendien blijkt uit het door het hof in de ontnemingszaak gebezigde bewijsmiddel 2 dat de betrokkene “de verdachten uit verdachtengroep 2 en 3” betaalde. Volgens bewijsmiddel 2 bestaat verdachtengroep 2 uit personen die contact houden met leden van verdachtengroep 1, zorg dragen voor het ophalen van de bestelde en betaalde goederen en personen zoeken (ronselen) die bereid zijn om bestelde en betaalde goederen op te halen. Dit betreffen dus de “katvangers (degenen die de horloges en auto’s hebben opgehaald) en hun begeleider(s)” voor wiens vergoeding het hof per zaaksdossier € 1.000,- als kosten heeft afgetrokken. Wat de personen uit verdachtengroep 3 hebben gedaan wordt niet beschreven in bewijsmiddel 2, maar het hof heeft met deze personen geen rekening gehouden bij de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie en de aftrek van kosten, terwijl deze personen blijkens bewijsmiddel 2 wel betaald zijn. Ook in zoverre is de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene ontoereikend gemotiveerd.
3.16
Het middel slaagt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich in de kern tegen de toerekening van 5% van het totaalbedrag dat de criminele organisatie in de bewezenverklaarde periode heeft verkregen aan [medeverdachte 1] .
4.2
Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in het ontnemingsarrest heeft verwezen naar pagina 24 uit het vonnis in de strafzaak tegen de betrokkene, terwijl de rechtbank op die pagina heeft vastgesteld dat de betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ieder een cruciale rol hadden en uit die pagina geen kleinere of ondergeschikte rol van [medeverdachte 1] naar voren komt. Ook zou uit bewijsmiddel 2 blijken dat de betrokkene, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] alle drie tot dezelfde verdachtengroep behoren. Tot slot zou niet aan het verhandelde ter terechtzitting te ontlenen zijn dat [medeverdachte 1] slechts 5% van de totale opbrengsten heeft genoten. Het hof zou zich op dit punt uitsluitend hebben gebaseerd op het arrest in de zaak tegen [medeverdachte 1] dat na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingszaak tegen de betrokkene is gewezen en dus niet hebben beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.
4.3
Pagina 24 van het door het hof bevestigde vonnis in de strafzaak tegen de betrokkene houdt voor zover van belang in:

Rolverdeling [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1]
Hoewel het onderzoek niet alle schakels in het samenwerkingsverband heeft kunnen blootleggen (zo is niet duidelijk geworden wie het brein achter de organisatie was en waar de initiële contactgegevens van de rekeninghouders van de Rabobank vandaan kwamen) is naar het oordeel van de rechtbank wel komen vast te staan dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] over een langere periode hebben deelgenomen aan dit samenwerkingsverband en daarin elk hun eigen rol en taak hadden, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.
Zo was [medeverdachte 2] degene die zich (onder meer) bezighield met het selecteren en verkrijgen van vertrouwelijke informatie van rekeninghouders en het verspreiden van e-mailberichten die van een bank afkomstig leken. Op de bij [medeverdachte 2] aangetroffen zwarte iPhone zijn bestanden aangetroffen met daarop de bankrekeninggegevens (rekeningnummers, telefoonnummer, geboortedata en pasnummer) van een groot aantal gedupeerden in de onderhavige zaak. Deze informatie bleek onmisbaar te zijn voor het plegen van de oplichtingen.
[verdachte] hield zich bezig met het uitzoeken van aan te schaffen goederen en was daarnaast degene die ervoor zorgde dat potentiële katvangers werden gevonden, geronseld en geïnstrueerd. Ook zorgde hij voor de snelle doorverkoop van de aangeschafte goederen en nam hij de opbrengst in ontvangst van de katvangers.
[medeverdachte 1] ten slotte was degene die de rekeninghouders van de Rabobank benaderde en hen de informatie wist te ontfutselen waarmee de organisatie toegang verkreeg tot de rekening. Daarnaast onderhield zij contact met de juweliers en autodealers en stuurde zij de katvangers aan die op pad werden gestuurd om de horloges, auto's en motoren op te halen.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] alle drie een substantieel aandeel gehad in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Zoals hiervoor is overwogen en uit de bewijsmiddelen blijkt, was sprake van een handelwijze die een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen vergde. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat tot doel had om misdrijven te plegen.”
4.4
Het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] niet gelijkelijk heeft gedeeld in de opbrengsten van de criminele organisatie. Het hof heeft geoordeeld dat aan [medeverdachte 1] 5% van het door de criminele organisatie verkregen wederrechtelijk voordeel is toegekomen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.5
Daarbij is allereerst van belang dat het hof in de strafzaak tegen de betrokkene een brief van [medeverdachte 1] aan het hof van 4 december 2020 en een verklaring die van [medeverdachte 1] op 2 juni 2021 heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris voor het bewijs heeft gebruikt (respectievelijk bewijsmiddel 1 en 2). Bewijsmiddel 1 houdt onder meer in: “Het verschilde wanneer ik geld kreeg voor de telefoontjes die ik had gepleegd. Ook waren daar geen vaststaande bedragen voor. Ik moest het doen met wat ze me gaven. Ik heb in totaal om en nabij tussen de 20.000 en 30.000 euro ontvangen.” Bewijsmiddel 2 luidt onder meer: “De dynamiek was niet gelijkwaardig. Er werd mij verteld wat ik moest doen door [verdachte] en [betrokkene 14] ” In de ontnemingszaak heeft het hof het vonnis in de strafzaak tegen de betrokkene en de bevestiging van dit vonnis door het hof bij arrest van 20 september 2023 als bewijsmiddel opgenomen (bewijsmiddel 1). Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingszaak van 16 februari 2023 blijkt dat de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] en haar verklaringen afgelegd bij de raadsheer-commissaris op die terechtzitting aan de betrokkene zijn voorgehouden. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de feiten en omstandigheden die het hof kennelijk ten grondslag heeft gelegd aan de mate van toerekening van het voordeel aan [medeverdachte 1] uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. De klacht dat het hof niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting faalt dan ook.
4.6
De mate van toerekening aan [medeverdachte 1] is ook toereikend gemotiveerd, nu dit niet hoefde te berusten op wettige bewijsmiddelen, maar voldoende is dat de feiten en omstandigheden die de rechter ten grondslag legt aan de mate van toerekening zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. [15]
4.7
Dat uit door het hof in de strafzaak bevestigde (promis)bewijsoverwegingen blijkt dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] alle drie een substantieel aandeel hadden in de criminele organisatie en de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie, betekent mijns inziens niet zonder meer dat zij ook een gelijkwaardige rolverdeling en (hiërarchische) positie hadden en dus in gelijke mate hebben gedeeld in de opbrengst. Deze overwegingen maken het oordeel van het hof over de mate van toerekening aan [medeverdachte 1] dan ook niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat uit bewijsmiddel 2 blijkt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de betrokkene alle drie tot verdachtengroep 1 behoren. Dat [medeverdachte 1] en de verdachten tot dezelfde verdachtengroep behoorden, wil niet zeggen dat zij ook dezelfde (hiërarchische) positie hadden en dezelfde vergoeding kregen. Zo blijkt uit de bewijsoverwegingen dat zij verschillende taken hadden. Ook in zoverre faalt het middel.
4.8
Het middel faalt.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene op 2 oktober 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld
5.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. onder meer HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821,
2.Vgl. bijv. HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1921, r.o. 2.4.
3.HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142,
4.Bijv. HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977, r.o. 2.3.2.
5.HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667,
6.HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667,
7.Dit geldt ook in ontnemingszaken. Op grond van art. 511e Sv zijn de bepalingen van Titel IV van het tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering, waartoe art. 359 lid 2 Sv behoort van overeenkomstige toepassing. Art. 511g jo. 415 Sv verklaart art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep. Vgl. HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3593,
8.HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977, r.o. 2.3.1, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878,
9.HR 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD15180,
10.Vgl. HR 10 december 2012, ECLI:NL:HR:2019:1921,
11.HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501,
12.In zijn herstelbeslissing van 20 september 2023 heeft het hof dit bedrag bijgesteld tot € 376.901,95.
13.In zijn herstelbeslissing van 20 september 2023 heeft het hof dit bedrag bijgesteld tot € 116.185,62.
14.Vgl. A-G Jörg, HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8778,
15.HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142,