Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
1. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022, pag. 2-4, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] .
De raadsman wijst erop dat volgens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de verdachte zijn verklaring zou hebben afgelegd tijdens de voorgeleiding, maar dat in het proces-verbaal van voorgeleiding die verklaring niet is opgenomen. Dat maakt naar de mening van de raadsman dat betwijfeld moet worden of de verdachte deze verklaring heeft afgelegd en, zo dat al het geval is, of dat in de vermelde bewoordingen is gebeurd. Nu de verklaring is opgenomen in een overzichtsproces-verbaal, lijkt het erop dat sprake is van een geparafraseerde weergave van de verklaring, aldus de raadsman.
Indien de verdachte bovengenoemde verklaring al in de vermelde bewoordingen zou hebben afgelegd, dan geldt, zo stelt de raadsman, dat de verdachte dat heeft gedaan buiten de aanwezigheid van een raadsman- of vrouw, terwijl de verdachte volgens het proces-verbaal van voorgeleiding heeft aangegeven een advocaat te willen raadplegen. In de visie van de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro.