ECLI:NL:PHR:2026:491

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/02885
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 27 SvArt. 27c Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsgebruik verklaring ondanks ontbreken consultatiebijstand bij voorgeleiding in cocaïnezaak

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zeven weken gevangenisstraf wegens het opzettelijk buiten Nederland brengen van meer dan honderd gram cocaïne. In cassatie werd aangevoerd dat de verklaring van de verdachte niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat hij voorafgaand aan het verhoor geen consultatiebijstand had kunnen krijgen.

De verklaring van de verdachte werd afgelegd tijdens de voorgeleiding, nadat hem de cautie was gegeven, maar zonder dat er vragen werden gesteld die een verhoor zouden vormen. Het hof oordeelde dat de verklaring spontaan was en dat er geen sprake was van een verhoor, zodat het recht op consultatiebijstand niet was geschonden.

De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat een verhoor materieel wordt bepaald door het stellen van vragen over betrokkenheid bij een strafbaar feit. Het enkele feit dat de cautie is gegeven, betekent niet automatisch dat er sprake is van een verhoor. De klacht van de verdediging wordt verworpen en het cassatieberoep afgewezen.

De uitspraak verduidelijkt het onderscheid tussen spontane verklaringen en verhoren in het kader van het recht op consultatiebijstand en bevestigt dat verklaringen die spontaan worden afgelegd buiten een verhoor om, als bewijs kunnen worden gebruikt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verklaring van de verdachte mag als bewijs worden gebruikt omdat er geen sprake was van een verhoor zonder consultatiebijstand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02885
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 24 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000905-23) [1] wegens "opzettelijke handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot zeven weken gevangenisstraf.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het recht van de verdachte op consultatiebijstand niet is geschonden.
2.2
Ten laste van de verdachte is - kort gezegd - bewezenverklaard dat hij iets meer dan honderd gram cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de verdachte met zijn auto, waarin de cocaïne was verstopt, op weg was vanuit Nederland naar België. De bewezenverklaring stoelt onder andere op het volgende proces-verbaal van bevindingen:

1. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022, pag. 2-4, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op woensdag 5 januari 2022 waren wij belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg […] .
AanleidingDie dag om 23.11 uur kregen wij een melding van de ANPR (Automatic Number Plate Recognition) op onze diensttelefoons. Wij zagen dat het een Belgisch voertuig betrof voorzien van [kenteken] . Dit was een Volkswagen Polo, grijs van kleur. Het voertuig was in de ANPR-lijst gezet in verband met het aantreffen van een kleine hoeveelheid verdovende middelen en een cash geldbedrag van 8.500,- euro eerder die dag.
Controle WegenverkeerswetNadat het voertuig tot stilstand was gebracht bij tankstation [A] , gelegen aan de rijksweg […] ter hoogte van hectometerpaal […] , toonde de bestuurder mij, [verbalisant 2] , desgevraagd zijn rijbewijs. Uit het aan mij verstrekte rijbewijs bleek mij dat de houder van het rijbewijs was genaamd:
[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] .
Aantreffen verdovende middelenIk, [verbalisant 1] , onderzocht het voertuig vanaf de bestuurderszijde. Ik kon met mijn zaklamp achter het gedeelte van de stuurkolom schijnen, waar verschillende plastic kappen zitten en een deel van de middenconsole. Ik zag hierachter een blok van wit poeder liggen omwikkeld met folie. Ik zag dat de inhoud van het blok qua samenstelling en uiterlijke kenmerken sterk overeenkwam met de kenmerken van cocaïne. Ik heb dit vervolgens in beslag genomen. Hierna heb ik aan collega [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aangegeven dat [verdachte] kon worden aangehouden als verdachte voor het overtreden van de Opiumwet.
Voorgeleiding [verdachte]Ik, [verbalisant 2] , hoorde [verdachte] verklaren, nadat hij de cautie had medegedeeld gekregen, dat hij honderd (100) gram voor eigen gebruik had gekocht. Ik hoorde [verdachte] verder verklaren dat hij wat meer had gekocht om niet steeds heen en weer te rijden.
[…]”
2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 juli 2024 heeft de raadsman over deze verklaring het volgende gezegd:
“Mijn cliënt zou een verklaring hebben afgelegd toen er nog geen advocaat in beeld was. […] Ik vraag uw hof om deze door mijn cliënt afgelegde verklaring niet mee te nemen in uw oordeel, nu aan hem middels Google Translate zijn rechten zijn uitgelegd. Er staat genoteerd dat hij dat vervolgens zou hebben begrepen. Op het politiebureau heeft hij via een tolk laten weten dat hij contact wilde hebben met een advocaat voor het afleggen van een verklaring. De wijze waarop dit is gegaan is in strijd met het bepaalde in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ik lees in een relaas van een verbalisant iets over deze verklaring, maar op pagina 10 van het dossier zie ik het niet terug.
[…]
Mijn cliënt heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij contact wenste op te nemen met een advocaat. Die advocaat was er toen nog niet, hetgeen een schending oplevert van het recht op verhoorbijstand alsmede van het consultatierecht. Daarnaast is hetgeen is opgeschreven geen woordelijke verklaring van de verdachte. Derhalve kan deze verklaring niet worden gebezigd tot het bewijs.”
2.4
Het hof heeft hierover als volgt overwogen:
“De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof de verdachte vrijspreekt van het aan hem tenlastegelegde opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van de verdachte “dat hij wat meer (drugs) had gekocht om niet steeds heen en weer te rijden” (hierboven opgenomen onder bewijsmiddel 1) moet worden uitgesloten van de bewijsvoering.
De raadsman wijst erop dat volgens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de verdachte zijn verklaring zou hebben afgelegd tijdens de voorgeleiding, maar dat in het proces-verbaal van voorgeleiding die verklaring niet is opgenomen. Dat maakt naar de mening van de raadsman dat betwijfeld moet worden of de verdachte deze verklaring heeft afgelegd en, zo dat al het geval is, of dat in de vermelde bewoordingen is gebeurd. Nu de verklaring is opgenomen in een overzichtsproces-verbaal, lijkt het erop dat sprake is van een geparafraseerde weergave van de verklaring, aldus de raadsman.
Indien de verdachte bovengenoemde verklaring al in de vermelde bewoordingen zou hebben afgelegd, dan geldt, zo stelt de raadsman, dat de verdachte dat heeft gedaan buiten de aanwezigheid van een raadsman- of vrouw, terwijl de verdachte volgens het proces-verbaal van voorgeleiding heeft aangegeven een advocaat te willen raadplegen. In de visie van de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft geen redenen te twijfelen aan het feit dat de verdachte bovengenoemde verklaring heeft afgelegd in de vermelde bewoordingen, nu deze verklaring door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] in een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen is vastgelegd. Naar het oordeel van het hof is voorts geen sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro. De verdachte heeft zijn verklaring kennelijk spontaan afgelegd tijdens de voorgeleiding. Er was toen (nog) geen sprake van een verhoorsituatie, immers er werden door de opsporingsambtenaar op dat moment geen vragen gesteld aan de verdachte betreffende diens betrokkenheid bij het geconstateerde strafbare feit (vgl. HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8773, rov. 3.5.-3.6. en HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:764), zodat de verdachte geen recht had op consultatie- en verhoorbijstand. Blijkens het proces verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte zijn verklaring afgelegd nadat hem de cautie was medegedeeld. Volgens dit proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant 2] bij de aanhouding van de verdachte door middel van de vertaal applicatie Google translate aan de verdachte duidelijk gemaakt dat hij niet tot antwoorden verplicht was en heeft de verdachte op de vraag van verbalisant [verbalisant 2] of hij dit begreep aangegeven dat dit het geval was.
Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.”
2.5
Volgens art. 28 lid 1 Sv Pro heeft een verdachte het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van het wetboek, te doen bijstaan door een raadsman. Voor een aangehouden verdachte omvat dit recht in ieder geval de gelegenheid om voorafgaand aan zijn eerste verhoor een onderhoud te hebben met deze raadsman (art. 28c lid 1 Sv; consultatiebijstand). Bovendien mag de raadsman desgewenst de verhoren bijwonen en daaraan deelnemen (art. 28d lid 1 Sv; verhoorbijstand). Van zijn recht op rechtsbijstand bedoeld in art. 28 lid 1 Sv Pro wordt de aangehouden verdachte onverwijld na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor schriftelijk mededeling gedaan (art. 27c lid 3 aanhef en onder b jo. lid 2 Sv). Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dienen de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, te worden uitgesloten van het bewijs. [2]
2.6
Over de vraag wanneer in dit verband sprake is van een verhoor heeft de Hoge Raad overwogen:
“Voor de beoordeling van het cassatiemiddel is het volgende van belang. Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt als verdachte aangemerkt de persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853.)” [3]
2.7
Uit het bovenstaande volgt dat niet iedere tegenover de politie afgelegde (bekennende) verklaring van een verdachte als een verhoor kan worden aangemerkt. Een geheel op eigen initiatief afgelegde verklaring valt daar niet onder. [4]
2.8
In het middel wordt niet geklaagd dat het hof is uitgegaan van een andere rechtsopvatting dan hiervoor beschreven. De steller van het middel keert zich enkel tegen de (feitelijke) vaststelling van het hof dat geen sprake was van een verhoorsituatie op het moment dat de verdachte zich uitliet over de bij hem aangetroffen cocaïne. Deze klacht wordt niet onderbouwd met een verklaring van de verdachte over de gang van zaken tijdens de voorgeleiding. Wel wordt aangevoerd dat het bestaan van een verhoorsituatie volgt uit het feit dat aan de verdachte de cautie was gegeven. Daarnaast zou het “logisch” zijn dat er bij gelegenheid van de voorgeleiding zaaksinhoudelijke vragen worden gesteld. Tijdens de voorgeleiding wordt volgens art. 56a lid 1 Sv immers beslist of de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, terwijl dit onderzoek volgens deze wetsbepaling mede (de voorbereiding van) het verhoor omvat.
2.9
Zoals uit het weergegeven juridisch kader volgt, is een verhoor materieel en niet formeel gedefinieerd. Het enkele feit dat een verdachte de cautie is gegevens, wil nog niet zeggen dat de politie de verdachte ook vragen heeft gesteld. [5] Ik wijs erop dat art. 27c lid 3 aanhef en onder c jo. art. 29 lid 2 Sv Pro de mededeling van de cautie aan de verdachte voorschrijft “onverwijld na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor”. Ook daarin ligt besloten dat de cautie los van een verhoor kan worden gegeven. Een dergelijke tijdige cautie kan overigens het effect hebben de verdachte ervan te weerhouden spontane mededelingen te doen over het feit waarvan hij wordt verdacht.
2.1
Verder is het niet zo dat uit de wet al volgt dat tijdens de voorgeleiding een verhoor plaatsvindt. Art. 56a Sv luidt:
“1. Nadat de aangehouden verdachte aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie is voorgeleid, kan deze bevelen dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek dan wel in vrijheid wordt gesteld. De hulpofficier van justitie kan voorts beslissen om de verdachte onverwijld voor te geleiden aan de officier van justitie.
2. De verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten kan ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek; de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten ten hoogste zes uur. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend. De ophouding vindt plaats in het belang van het onderzoek.
3. Voor het einde van de periode, bedoeld in het tweede lid, of zoveel eerder als het onderzoek dat toelaat, wordt de verdachte in vrijheid gesteld of in verzekering gesteld.
4. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat mede de identificatie van de verdachte, de voorbereidingen voor het verhoor, het verhoor en het uitreiken van mededelingen in persoon over het vervolg van de strafzaak.
5. Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte verhoord op de wijze bepaald in de artikelen 29 en 29a.”
2.11
Volgens deze wetsbepaling kan na een voorgeleiding bij de (hulp)officier van justitie, deze een bevel tot het ophouden van de verdachte geven zodat onderzoek kan worden gedaan. Dit onderzoek kan mede bestaan uit (de voorbereiding van) een verhoor. Anders dan bijvoorbeeld bij een bevel tot inverzekeringstelling (art. 57 Sv Pro), bevat de wet geen verplichting om de verdachte te (ver)horen voorafgaand aan een bevel tot ophouding.
2.12
Het oordeel van het hof dat geen sprake was van een verhoorsituatie omdat de verdachte geen vragen zijn gesteld, hetgeen het hof kennelijk afleidt uit de weergave van de verklaring in het proces-verbaal van bevindingen, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, rov. 2.7. Ook HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:341, rov. 2.3.
3.HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1781. Deze definitie van verhoor is ook al, in iets andere bewoordingen, te vinden in HR 2 oktober 1979,
4.HR 8 maart 1988,
5.Vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9008, rov. 2.3 over het geval waarin de rechter-commissaris tijdens een doorzoeking de verdachte de cautie geeft.