Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:317

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
25/02712
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 7:1 WvggzArt. 7:7 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortzetting crisismaatregel wegens onvoldoende toetsing medische verklaring

In deze zaak ging het om een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank Limburg had een machtiging verleend op basis van een medische verklaring die volgens betrokkene niet op juiste wijze tot stand was gekomen. Betrokkene klaagde dat de medische verklaring was opgesteld door een niet-onafhankelijke psychiater en dat het onderzoek in een ongebruikelijke setting met meerdere aanwezigen had plaatsgevonden.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank had moeten beoordelen of de medische verklaring aan de wettelijke eisen voldeed, met name de eis van onafhankelijkheid van de psychiater. De rechtbank had dit niet gedaan en had ook niet gemotiveerd waarom zij de verklaring toch als voldoende achtte. Dit is een schending van het recht, omdat het gaat om een ingrijpende maatregel waarbij het grondrecht op vrijheid in het geding is.

Daarnaast werden klachten over de feitelijke beoordeling van de crisissituatie en de onderbouwing van de medische feiten door de Hoge Raad afgewezen. De Hoge Raad benadrukte dat deze feitelijke oordelen voorbehouden zijn aan de feitenrechter en slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.

De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatiemiddel slaagt en dat de beschikking tot voortzetting van de crisismaatregel vernietigd moet worden, met terugwijzing naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling waarbij de medische verklaring adequaat wordt getoetst.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voortzetting van de crisismaatregel wegens onvoldoende toetsing van de medische verklaring en wijst de zaak terug.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02712
Zitting27 maart 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Limburg,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. In
onderdeel 1wordt geklaagd dat het gebruik van de medische verklaring door de rechtbank niet juist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel voert aan dat een setting is bedacht om betrokkene voor een gesprek met zijn behandelaar naar een ruimte te krijgen waar de behandelaar aanwezig was met nog vijf andere personen en de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld. De medische verklaring is niet gebaseerd op persoonlijk onderzoek door een onafhankelijke psychiater, maar op hetgeen de psychiater al genoteerd had voor zijn contact met betrokkene op basis van informatie van de behandelaar en derden, aldus de klachten.
1.2
Deze klachten slagen. Het onderzoek door de psychiater ten behoeve van de medische verklaring heeft in een ongebruikelijke setting plaatsgevonden waarbij meerdere personen aanwezig waren. Gelet op het verweer van betrokkene dienaangaande, had de rechtbank moeten beoordelen of de medische verklaring tot stand is gekomen met inachtneming van de uit de wet voortvloeiende eisen, in het bijzonder de eis van de onafhankelijkheid van de psychiater. Uit de bestreden beschikking en het verhandelde ter zitting blijkt echter niet van een dergelijke beoordeling. De rechtbank heeft dan ook ofwel het uitgangspunt miskend dat geen machtiging verleend mag worden, indien de medische verklaring niet voldoet aan de uit de wet voorvloeiende eisen, ofwel is haar impliciete oordeel dat de medische verklaring met inachtneming van de wettelijke eisen tot stand is gekomen onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd.
1.3
In
onderdeel 2wordt geklaagd dat de rechtbank is uitgegaan van allerlei stellingen waarvoor ieder bewijs ontbreekt. Ook wordt geklaagd over het ontbreken van een crisissituatie. Ik begrijp de klachten van dit onderdeel zo dat deze zien op de situatie dat de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat de klachten van onderdeel 1 falen en de rechtbank de medische verklaring dus aan haar beslissing ten grondslag mocht leggen. Met de klachten van onderdeel 2 wordt een poging gewaagd tot een herbeoordeling van de feiten, en daarvoor leent de beoordeling in cassatie zich niet. Deze klachten falen dus.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Op 20 januari 2025 heeft de rechtbank Limburg, locatie Roermond (hierna: de rechtbank), een verzoek van de officier van justitie om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden ten aanzien van betrokkene afgewezen. [2]
2.2
Op 29 april 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Venray op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel genomen ten aanzien van betrokkene, met een geldigheidsduur van 29 april tot en met 2 mei 2025. Daarbij heeft de burgemeester de medische verklaring van 29 april 2025 in aanmerking genomen. [3]
2.3
Op 30 april 2025 heeft de officier van justitie op grond van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene te verlenen. [4]
2.4
Op 1 mei 2025 heeft de advocaat van betrokkene een e-mail gestuurd aan de geneesheer-directeur en aan de rechtbank. In de e-mail wordt onder meer geklaagd over de wijze van totstandkoming van de medische verklaring en het bevooroordeeld zijn van de psychiater die deze verklaring heeft opgesteld. [5]
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie heeft plaatsgevonden op 2 mei 2025. Verschenen zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een psychiater en een verpleegkundig specialist. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.6
Bij beschikking van 2 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 23 mei 2025. [6]
2.7
Namens betrokkene is op 4 augustus 2025 – tijdig [7] – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1
3.2
In
onderdeel 1wordt geklaagd dat de rechtbank de medische verklaring van 29 april 2025 heeft gebruikt, ondanks de uitgebreide kritiek die namens verzoeker op die medische verklaring is geuit in zowel de e-mail van de advocaat van betrokkene van 1 mei 2025 als ter zitting. Het gebruik van die medische verklaring door de rechtbank is niet juist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht. Deze klachten worden in de procesinleiding toegelicht onder 1.1-1.4.
3.3
Onder 1.1wordt geciteerd uit de e-mail van 1 mei 2025 en
onder 1.2uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 mei 2025. Naar ik begrijp daarop voortbouwend, wordt
onder 1.3(onder het kopje “Totstandkoming medische verklaring”) toegelicht waarom de medische verklaring volgens betrokkene gebrekkig is. In de kern komt het betoog erop neer dat de medische verklaring haar basis niet vindt in wat uit persoonlijk onderzoek door een onafhankelijke psychiater is gebleken, maar uit wat de betrokken psychiater al genoteerd had voor zijn contact met betrokkene op basis van informatie van derden. Daartoe wordt aangevoerd dat betrokkene naar een ruimte is gebracht voor contact met zijn behandelaar. In die ruimte – waarvan de deur zelfs open bleef staan – waren echter nog vijf andere personen aanwezig en de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld. Nergens in de verklaring is iets te vinden van informatie die verzoeker persoonlijk zou hebben gegeven, aldus het onderdeel. Ook wordt betoogd dat in de medische verklaring wordt verwezen naar het verleden van betrokkene met voorbijgaan aan de langdurige behandeling van betrokkene, welke langdurige behandeling ertoe leidde dat een eerder verzochte zorgmachtiging door de rechtbank is afgewezen. Daarbij wordt gewezen op de beschikking van de rechtbank van 20 januari 2025 (zie hierboven onder 2.1).
Onder 1.4wordt geklaagd dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de vraag of de medische verklaring is opgesteld door een onafhankelijke, niet bevooroordeelde psychiater, zodat de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt.
3.4
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.5
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met artikel 5:17 lid 3 Wvggz Pro, artikel 7:7 lid 2 Wvggz Pro en artikel 7:8 Wvggz Pro, volgt, mede gelet op artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, dat geen machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel mag worden verleend indien de medische verklaring die ten grondslag ligt aan het daartoe strekkende verzoek niet voldoet aan de uit de wet voortvloeiende eisen. [8]
3.6
Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. [9]
3.7
Verder geldt volgens vaste rechtspraak dat de psychiater het in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus dient te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. [10]
3.8
Over de aanwezigheid van derden bij het medisch onderzoek door de psychiater bestaat onder de Wvggz nog geen richtinggevende rechtspraak van de Hoge Raad. [11] In een uitspraak van 24 mei 2019 heeft de Hoge Raad nog net onder de Wet Bopz als volgt beslist over de aanwezigheid van beveiligers bij het medisch onderzoek door de psychiater en over de beoordeling door de rechter van klachten van de betrokkene over die aanwezigheid (met weglating van de voetnoot en met onderstrepingen van mij; A-G): [12]
“3.1.3 (…) Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de psychiater de betrokkene persoonlijk te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. De psychiater moet doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden.
3.1.4
Deze maatstaf laat ruimte om rekening te houden met zorg voor de veiligheid van de psychiater en eventuele andere bij het onderzoek betrokken personen. Die zorg kan meebrengen dat de betrokkene niet thuis wordt onderzocht, of slechts met beveiliging. Indien de betrokkene gedetineerd is, kan ervoor worden gekozen een of meer PIW’ers bij het onderzoek aanwezig te laten zijn.
3.1.5
Het onderzoek dient ertoe een beeld te krijgen van de psychiatrische toestand van de betrokkene. Daarmee is diens privacy in het geding.
De aanwezigheid van beveiligers bij het onderzoek vormt dan ook een inbreuk op de privacy van de betrokkene. Daarnaast kan de aanwezigheid van beveiligers bij het onderzoek de verklaringen en het gedrag van de betrokkene beïnvloeden, wat gevolgen kan hebben voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Om deze redenen dient het onderzoek alleen dan met beveiliging plaats te vinden indien daartoe uit veiligheidsoogpunt een noodzaak bestaat.
3.1.6
Het is aan de onderzoekend psychiater om aan de hand van de over de betrokkene bekende gegevens te beoordelen of het meebrengen of toelaten van beveiliging noodzakelijk is. Als dat naar zijn of haar oordeel het geval is, is daarvoor niet de toestemming van de betrokkene nodig.
Indien de betrokkene zich in de daarop volgende procedure over de aanwezigheid van beveiliging bij het onderzoek beklaagt, dient de rechter aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting te beoordelen of de psychiater voldoende grond had om de noodzaak tot beveiliging aanwezig te achten, en zijn oordeel daarover te motiveren. Dat geldt ook indien de betrokkene bij gelegenheid van het onderzoek geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van beveiliging.”
3.9
In zijn
JGz-noot onder deze uitspraak pleit Beintema ervoor dat de psychiater in de medische verklaring de reden vermeldt voor de aanwezigheid van beveiliging (onderstreping van mij; A-G): [13]
“De bespreking van de veiligheid van de psychiater heeft grote relevantie voor de praktijk. Hulpverleners doen steeds vaker hun werk onder gevaarlijke omstandigheden, met mensen die risicovol gedrag vertonen of dat vlak daarvoor hebben vertoond. Het is dus van belang dit gedrag uit het soms recente verleden goed te vermelden. Op basis daarvan kan op professionele gronden een veilige situatie worden gekozen.
Het lijkt me overigens aan te bevelen om de reden hiervoor te vermelden, juist bij het kiezen voor de aanwezigheid van derden zoals politie, PIW of andere beveiliging. Dat geeft zowel helderheid over de context waarin betrokkene onderzocht kon worden als extra helderheid over de mate waarin gevaar wordt verondersteld in de actuele situatie.
3.1
Uit de hiervoor weergegeven uitspraak van 24 mei 2019 (r.o. 3.1.6), volgt dat de rechter onder de Wet Bopz diende te beoordelen of de psychiater voldoende grond had om de noodzaak tot beveiliging aanwezig te achten, en zijn oordeel daarover te motiveren, indien de betrokkene zich in de procedure over de aanwezigheid van beveiliging tijdens het medisch onderzoek had beklaagd.
3.11
In lijn hiermee volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad onder de Wvggz dat, indien de medische verklaring dan wel de behandeling van de zaak ter zitting daartoe aanleiding geeft, de rechtbank, alvorens de verzochte machtiging te verlenen – zo nodig ambtshalve – dient vast te stellen dat het onderzoek waarop de medische verklaring als bedoeld in artikel 5:8 Wvggz Pro is gebaseerd, heeft plaatsgevonden met inachtneming van de uit de wet voortvloeiende eisen. [14] Hier is immers het grondrecht in het geding is dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 lid 1 Grondwet Pro), aldus de Hoge Raad. [15]
3.12
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
3.13
Onderdeel 1klaagt dat het gebruik van de medische verklaring door de rechtbank – ondanks de uitgebreide kritiek namens betrokkene op de medische verklaring, zowel in de e-mail van 1 mei 2025 als ter zitting – niet juist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de medische verklaring is opgesteld door een onafhankelijke, niet bevooroordeelde psychiater, zodat de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt, aldus het onderdeel (zie voor een uitgebreide weergave van dit onderdeel hiervoor onder 3.3).
3.14
Deze klachten slagen.
3.15
De advocaat van betrokkene heeft op 1 mei 2025 een e-mail aan de rechtbank gestuurd, waarin, voor zover hier van belang, staat (onderstreping van mij; A-G): [16]

Totstandkoming MV
Psychiater [naam psychiater] heeft een MV opgesteld waaraan ernstige gebreken leiden. (…). Totstandkoming: cliënt is verzocht om naar een gesprek met [naam verpleegkundig specialist] te komen echter bleek het te gaan om een gesprek met een ‘onafhankelijk’ psychiater, deze was in de zaal aanwezig evenals [naam verpleegkundig specialist] evenals 5 andere aanwezigen. De deur bleef open en het gesprek was aldus hoorbaar in het Atrium. [Naam psychiater] bleek in het gesprek haar oordeel klaar te hebben en wees cliënt direct op zijn zedenverleden en 'het nadeel van de twijfel'. Onvoorstelbaar na een periode vanaf 2025 [klaarblijkelijk is bedoeld: 2015; A-G [17] ] aldus 10 jaar behandeling, waarin er nimmer van enig delict sprake is geweest. Van een daadwerkelijk onderzoek is geen sprake geweest en slechts de informatie van de behandelaar, die pas op dat moment het argument 'wegvallen rem/filter' inbracht, werd volledig overgenomen door de psychiater.
De MV is tot stand gekomen door een bevooroordeeld psychiater.”
3.16
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 mei 2025 blijkt, voor zover hier relevant, het volgende (onderstreping van mij; A-G):
“De psychiater en de verpleegkundig specialist worden bij aanvang van de zitting in de gelegenheid gesteld het e-mailbericht te lezen dat door de advocaat enkele uren voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank is gezonden.
(…)
Advocaat:
Ik verwijs naar mijn e-mailbericht.
(…).
Bovendien is de medische verklaring niet op de juiste manier tot stand gekomen omdat die niet is opgesteld door een onafhankelijke psychiater. De psychiater was bevooroordeeld en van een daadwerkelijk onderzoek is geen sprake geweest.
Er is geen gesprek met betrokkene gevoerd en alle informatie komt vanuit de behandelaren.
Verpleegkundig specialist:
Wij hebben voor deze constructie gekozen omdat wij niet konden inschatten hoe betrokkene zou reageren. Betrokkene is bekend met agressie vanuit het verleden en we wilden het zekere voor het onzekere nemen.
Er heeft een gesprek plaatsgevonden met de psychiater. Ik heb me er niet mee bemoeid.
(…).”
3.17
De setting waarin het medisch onderzoek door de psychiater heeft plaatsgevonden is een ongebruikelijke. Dit blijkt ook uit de toelichting ter zitting door de verpleegkundig specialist – die ook bij het onderzoek door de psychiater aanwezig was – waarom voor deze constructie is gekozen. Uit de medische verklaring zelf blijkt niets over deze setting of over de aanwezigheid van derden bij het onderzoek door de psychiater en de reden daarvoor.
3.18
De e-mail van 1 mei 2025 en het verhandelde ter zitting hadden de rechtbank aanleiding moeten geven om te beoordelen of het onderzoek waarop de medische verklaring is gebaseerd, heeft plaatsgevonden met inachtneming van de uit de wet voortvloeiende eisen, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de psychiater. Betrokkene heeft zich immers beklaagd over de wijze waarop de medische verklaring tot stand is gekomen, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de psychiater bevooroordeeld en niet onafhankelijk was.
3.19
Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de rechtbank vragen heeft gesteld over de wijze waarop de medische verklaring tot stand is gekomen en over de onafhankelijkheid van de psychiater. Weliswaar heeft de verpleegkundig specialist ter zitting verklaard dat de psychiater betrokkene zelf heeft gesproken en dat zij zich er niet mee heeft bemoeid, maar de setting van het onderzoek was dermate ongebruikelijk dat de rechtbank het mijns inziens niet hierbij had kunnen laten. De rechtbank had hierover kunnen doorvragen bij de verpleegkundig specialist. Zo had de rechtbank kunnen vragen wie de overige aanwezigen waren en waarom en in welke hoedanigheid zij bij het onderzoek aanwezig waren. Ook had de rechtbank kunnen vragen of de verpleegkundig specialist of een van de andere aanwezigen iets hebben verklaard tijdens het onderzoek en zo ja, wat.
3.2
De psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, was niet ter zitting aanwezig. Het had mijns inziens voor de hand gelegen dat de rechtbank ook die psychiater om een nadere toelichting had gevraagd, desnoods telefonisch, over de totstandkoming van de medische verklaring in deze ongebruikelijke setting met vele aanwezigen, waaronder de behandelend verpleegkundig specialist van betrokkene. [18] Door de e-mail van 1 mei 2025 was de rechtbank er voor de mondelinge behandeling al van op de hoogte dat op het punt van de totstandkoming van de medische verklaring en de onafhankelijkheid van de psychiater verweer werd gevoerd. Er was dus gelegenheid om de (telefonische) aanwezigheid van de psychiater op de mondelinge behandeling vooraf te organiseren.
3.21
De rechtbank gaat ook in haar beschikking niet in op het verweer van betrokkene over de totstandkoming van de medische verklaring en dat deze niet zou zijn opgesteld door een onafhankelijke psychiater. In de bestreden beschikking wordt de e-mail van 1 mei 2025 ook niet vermeld.
3.22
Gelet op genoemd verweer van betrokkene had de rechtbank moeten beoordelen of aan de uit de wet voortvloeiende eisen voor de medische verklaring was voldaan en had zij haar oordeel daarover moeten motiveren. In die beoordeling zou het in het bijzonder moeten draaien om de wettelijke eis dat de medische verklaring is opgesteld door een onafhankelijke psychiater. Daarbij had in dit geval ook betrokken moeten worden de vraag of de aanwezigheid van derden bij het onderzoek, onder wie de behandelend verpleegkundig specialist, invloed heeft gehad op de vereiste onafhankelijkheid van de psychiater.
3.23
Uit de bestreden beschikking en uit het verhandelde ter zitting blijkt echter niet van een dergelijke beoordeling. De rechtbank heeft dan ook ofwel het uitgangspunt miskend dat geen machtiging verleend mag worden, indien de medische verklaring niet voldoet aan de uit de wet voorvloeiende eisen, ofwel is haar impliciete oordeel, dat de medische verklaring met inachtneming van de wettelijke eisen tot stand is gekomen en daarom gebruikt mocht worden, onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd. De klachten van onderdeel 1 slagen dan ook.
Onderdeel 2
3.24
Onderdeel 2richt zich tegen r.o. 4.5 tot en met 4.7 en, naar ik begrijp, r.o. 4.9 [19] van de bestreden beschikking. Deze overwegingen zouden onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Omdat in subonderdeel 2.2 ook naar r.o. 4.4 wordt verwezen, citeer ik ook die rechtsoverweging:
“4.4. Betrokkene is onweersproken op 17 augustus 2018 voor zedendelicten veroordeeld tot TBS met dwangverpleging en na enkele jaren verblijf binnen verschillende afdelingen in het FPC van [verblijfplaats 1] via de PPA en FTU terechtgekomen op de afdeling Voortgezette Behandeling van [verblijfplaats 2] . Ambtshalve is de rechtbank ook bekend met de uitspraak van 20 januari 2025 met zaaknummer C/03/337872/ BZ RK 25-34, waarin de laatste opvolgende zorgmachtiging voor betrokkene werd afgewezen. In deze procedure werd door de verpleegkundig specialist gesteld dat bij betrokkene in het verleden sprake was van exhibitionisme en middelengebruik, maar dat hiervan in de afgelopen periode niets meer was waargenomen. Wel was in die procedure de verpleegkundig specialist net voor de zitting geconfronteerd met een beschrijving van een zorgwekkende situatie over betrokkene waarin hij met een medepatiënt over zijn geslachtsdeel had gesproken, maar waarbij betrokkene dit voorval stellig ontkende. De rechtbank heeft het betreffende voorval niet meegenomen in haar beoordeling omdat het voorval zes dagen voor de zitting had plaatsgevonden en het daarna geen acuut gevolg had gekregen waarbij tot de zitting niet was onderzocht of het voorval daadwerkelijk had plaatsgevonden en ook niet met betrokkene was besproken. De rechtbank heeft in die procedure samenvattend geoordeeld dat er onvoldoende ernstig nadeel was om een zorgmachtiging te rechtvaardigen, onder meer omdat het ernstig nadeel ter zitting onvoldoende nader was toegelicht en onderbouwd.
4.5.
Betrokkene heeft - zo blijkt bij de behandeling van het onderhavige verzoek - zijn medicatie tegen het advies van de behandelaren afgebouwd door per 19 november 2024 de helft van de medicatie in te nemen, en per 1 januari 2025 geen medicatie meer in te nemen.
4.6.
In de medische verklaring wordt gesteld dat sinds het wegvallen van de medicatie, betrokkene de rem kwijt is geraakt in het contact met anderen, waarbij hij druk en oninvoelbaar is. Ook is er sprake van een recente schennispleging. Ter zitting wordt duidelijk dat betrokkene zich bij een toiletbezoek geheel ontkleed heeft en zich naakt getoond heeft aan een ander (of anderen). Een getuige heeft de gebeurtenis gezien. Van de gebeurtenis zal aangifte gedaan worden.
4.7.
Hoewel betrokkene deze gebeurtenis ontkent, hecht de rechtbank daar geen geloof aan. De rechtbank vindt het te toevallig dat in ruim drie maanden tijd twee zedenincidenten plaatsvinden die betrokkene ontkent, maar in welke gevallen er een andere getuige is die stelt dat de betreffende gebeurtenis wel heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat bij betrokkene een langere periode geen exhibitionisme heeft plaatsgevonden toen hij medicatie nam, maar bij betrokkene na het stoppen van de medicatie zich binnen korte tijd twee zedenincidenten voordoen, waarbij het laatste incident exhibitionisme betreft.
Ook is de ontremming van betrokkene op andere wijze te zien, doordat er geen duidelijke rem meer is in het contact met anderen. Ook bij de mondelinge behandeling praat betrokkene zeer snel, reageert hij op bijna alles wat anderen zeggen en moet hij meerdere malen tot stilte gemaand worden, maar helpt dat nauwelijks. Daarbij heeft betrokkene de afgelopen periode vaker conflicten met medebewoners en derden.
(…)
4.9.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Anders dan de advocaat stelt, is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van een crisissituatie omdat betrokkene zich naakt getoond heeft aan een derde. Dit gedrag is niet passend en kan agressie oproepen bij een ander, maar kan ook bij anderen een trauma veroorzaken. Voorkomen dient te worden dat betrokkene opnieuw ontremd raakt of zich wellicht nog ernstige zedendelicten plaatsvinden. De omgeving van betrokkene dient daarin beschermd te worden. Hoewel betrokkene zich verzet tegen de zorg, zijn er geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde effect hebben. Betrokkene weigert immers nog altijd medicatie en een effect van medicatie zal ook enige tijd duren.”
3.25
Ik begrijp de klachten van onderdeel 2 zo dat deze zien op de situatie dat de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat de klachten van onderdeel 1 falen en de rechtbank de medische verklaring dus aan haar beslissing ten grondslag mocht leggen.
3.26
De klachten van onderdeel 2 falen. Met het onderdeel wordt mijns inziens een poging gewaagd tot een herbeoordeling van de feiten, en daarvoor leent de beoordeling in cassatie zich niet.
3.27
Bij de bespreking van de klachten stel ik voorop dat de feitelijke oordelen in de betreffende rechtsoverwegingen voorbehouden zijn aan de feitenrechter en alleen op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.
3.28
In
subonderdeel 2.1wordt geklaagd dat rechtbank in de bestreden beschikking uitgaat van allerlei beweringen, waarvoor ieder bewijs ontbreekt.
3.29
Ten eerstewordt geklaagd dat nergens uit blijkt dat agressie door het gedrag van betrokkene is opgeroepen noch dat er personen getraumatiseerd zijn geraakt. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat hiervan daadwerkelijk sprake is. In r.o. 4.9 overweegt de rechtbank immers slechts (cursivering van mij; A-G):
“Dit gedrag is niet passend is en
kanagressie oproepen bij een ander, maar
kanook bij anderen een trauma veroorzaken.”
3.3
Ten tweedewordt geklaagd dat er door de rechtbank gesproken wordt over gebeurtenissen, die door verzoeker ontkend zijn en waarvan bewijs ontbreekt, maar die desalniettemin als belangrijke reden voor het aannemen van een crisis en voor de toewijzing van de voortzetting van een crisismaatregel worden gebruikt. In r.o. 4.7 vermeldt de rechtbank dat betrokkene de bedoelde gebeurtenissen heeft ontkend en geeft zij voldoende gemotiveerd aan waarom zij hieraan geen geloof hecht. Dit betreft mijns inziens een niet onbegrijpelijk feitelijk oordeel van de feitenrechter.
3.31
Ten derdewordt opgemerkt dat betrokkene ten tijde van de beschikking van 25 januari 2025 al geen medicatie meer nam, maar dat toen geen reden was om het verzoek om een zorgmachtiging toe te wijzen. Ik kan in deze losse opmerking geen klacht ontwaren.
Ik merk ten overvloede op dat de rechtbank in de bestreden beschikking het verzoek terecht
ex nuncheeft beoordeeld, dus (mede) op basis van de actuele situatie ten tijde van haar beslissing. [20] Dat de rechtbank in r.o. 4.5 en r.o. 4.7 aan het staken van medicatie-inname door betrokkene, in samenhang met en naast andere feiten en omstandigheden, gewicht toekent, is niet onbegrijpelijk.
3.32
Ten vierdewordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat zij geen geloof hecht aan de ontkenning van betrokkene van de schennispleging, terwijl zij ook geen bewijs heeft gezien, onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat onbekend is waar de informatie vandaan komt en dat gezegd wordt dat aangifte gedaan zal worden, maar dat betrokkene daar niets over gehoord heeft. De klacht richt zich kennelijk in het bijzonder tegen r.o. 4.7. De motivering aldaar van het oordeel waarom de rechtbank geen geloof hecht aan de ontkenning van de schennispleging is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen over de recente schennispleging blijkt uit de medische verklaring [21] en het verhandelde ter zitting. De overweging van de rechtbank in r.o. 4.6 dat van de gebeurtenis aangifte zal worden gedaan is ook niet onbegrijpelijk, gelet op de verklaring van de verpleegkundig specialist ter zitting dat aangifte wordt gedaan.
3.33
Ten vijfdewordt geklaagd over hetgeen de rechtbank in r.o. 4.7 overweegt over het gedrag van betrokkene ter zitting. In de klacht wordt erop gewezen dat de rechter het gedrag van betrokkene ter zitting ook anders had kunnen uitleggen. De interpretatie van hetgeen ter zitting is verklaard en de wijze waarop, en van de non-verbale communicatie van de aanwezigen is voorbehouden aan de feitenrechter.
3.34
Ten zesdeen tot slot wordt geklaagd dat nergens blijkt dat betrokkene vaker conflicten heeft gehad met medebewoners en derden, zoals de rechtbank in r.o. 4.7 overweegt. Deze overweging is niet onbegrijpelijk, gelet op in het bijzonder de volgende verklaring ter zitting van de verpleegkundig specialist:

Verpleegkundig specialist:
(…) Sinds het stoppen van de medicatie zien we geen filter meer bij betrokkene. Hij is heel druk in contact en verliest grip op sociale contacten. Hij gaat in discussie en komt in conflict. (…).” [22]
3.35
Gelet op het voorgaande slaagt geen van de klachten van onderdeel 2.1.
3.36
Onder
subonderdeel 2.2richt betrokkene zich
ten eerstetegen het oordeel dat sprake is van een crisissituatie.
3.37
Deze klacht faalt. Of sprake was van een crisissituatie betreft een feitelijk oordeel dat voorbehouden is aan de feitenrechter en dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid getoetst worden. Het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.9 dat sprake is van een crisissituatie is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
3.38
Ten tweedewordt geklaagd dat de veroordeling voor zedendelicten in het verleden ten onrechte en in strijd met het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 lid 1 EVRM Pro jo. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM de opmaat is geweest voor de beschikking.
3.39
Ik begrijp de klacht zo dat de rechtbank de veroordeling in het verleden niet in haar beoordeling had mogen betrekking en als opmaat voor haar beslissing had mogen gebruiken. Ook deze klacht faalt. De rechtbank steunt haar oordeel vooral op de twee recente zedenincidenten en op de ontremming van betrokkene in het contact met anderen. De rechtbank baseert zich daarbij op de medische verklaring en het verhandelde ter zitting. Dat de recente zedenincidenten mede in het licht worden geplaatst van de veroordeling voor zedendelicten in het verleden, zoals genoemd in r.o. 4.4, is niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk.
3.4
Ook subonderdeel 2.2 kan dus niet tot cassatie leiden.
Slotsom
3.41
Nu onderdeel 1 van het middel slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Feiten en procesverloop zijn ontleend aan de bestreden beschikking, tenzij anders aangegeven.
2.Rb. Limburg (locatie Roermond) 20 januari 2025, met zaaknummer C/03/337872 / BZ RK 25-34 (niet gepubliceerd).
3.Productie 4 in het procesdossier.
4.Productie 3 in het procesdossier.
5.Productie 8 in het procesdossier.
6.ECLI:NL:RBLIM:2025:5071, mondelinge uitspraak van 2 mei 2025, schriftelijk uitgewerkt op 21 mei 2025.
7.De termijn voor het instellen van cassatieberoep is ingevolge artikel 1 lid 1 van Pro de Algemene Termijnenwet verlengd tot en met maandag 4 augustus 2025.
8.Vgl. o.m. HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1887,
9.Zie HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1887,
10.Zie o.m. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075,
11.Zie voor zaken waarin hierover wel is geklaagd: HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:665,
12.HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:814,
13.J
14.Vgl. recent HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1809,
15.HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:226,
16.Productie 8 in het procesdossier.
17.Zo ook voetnoot 2 in de procesinleiding.
18.Zie art. 7:8 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:1 lid Pro 6, onder d, Wvggz.
19.Dat ook wordt opgekomen tegen rechtsoverweging 4.9 volgt uit de in onderdeel 2 geciteerde rechtsoverwegingen in samenhang met de toelichting op het subonderdeel.
20.Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017,
21.Ik bespreek de klachten immers voor het geval waarin de medische verklaring wel gebruikt mocht worden door de rechtbank. Zie hiervoor onder 3.25.
22.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 mei 2025, p. 2.