Conclusie
1.Inleiding
2.De middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
Het eerste middel
1. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) d.d. 21 september 2020, pagina 14 en 15 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
het hof begrijpt: [slachtoffer]) te zijn. Wij zagen dat zij bloed op haar gezicht had.
het hof begrijpt: [verdachte]).
het hof begrijpt telkens: de [verdachte]) boven op een ander persoon lag. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter gebalde vuist slaande bewegingen maakte naar de persoon die onder hem lag. Ik zag dat de onderste persoon zich hevig verzette. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de persoon onder zich op het hoofd sloeg en hoorde die persoon roepen: "Nee niet doen, help help”. Ik hoorde toen aan de stem dat het een vrouw betrof. Ik zag dat de vrouw een trui of een hemd over het hoofd had. Ik zag dat de armen van deze vrouw hierin verstrikt waren. Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerhand haar bij het hoofd aan haar trui of T-shirt vasthield, hij met zijn rechtervuist twee of drie maal op het hoofd sloeg en met zijn rechterhand weer probeerde de benen van de vrouw uit elkaar te krijgen. Toen dat niet lukte zag ik dat [verdachte] haar weer sloeg op haar hoofd. Ik zag dat [verdachte] zijn broek en onderbroek tot zijn knieën had afgetrokken. Ik zag dat [verdachte] met zijn middel tussen de benen van de vrouw lag. Ik besefte toen dat er iets ergs aan de hand was. Ik heb [verdachte] vervolgens van het slachtoffer afgetrokken. Ik zag toen dat [verdachte] een erectie had. Ik riep tegen [verdachte] dat wanneer hij iets zou doen ik hem zou slaan. [verdachte] heeft toen snel zijn broek en onderbroek opgetrokken en is weggerend.
het hof begrijpt: [getuige 2] , bewijsmiddel 7), toen de politie er was voor onderzoek en de verdachte weg was en voor [slachtoffer] de ambulance er was, stond een van de cliënten van de Dag en Nacht opvang bij ons. Dit was [getuige 4] (
het hof begrijpt: [getuige 4] , bewijsmiddel 9). Hij vertelde ons: " [bijnaam verdachte] heeft verteld, hij heeft haar geslagen en geneukt." [getuige 2] heeft nog langer met [getuige 4] gesproken.
het hof begrijpt: de getuige) navolgende te vertellen:
het hof begrijpt telkens: [getuige 3]), twee Hollanders en twee Turken bier te drinken bij het kantoor van de bus;
Bewijsoverwegingen
NJ2023/106 m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe), te herzien.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
NJ2023/106 m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe), heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité van 26 juli 2022:
2. Voorafgaande beschouwing
De controle door de Hoge Raad van de bewijsvoering van de feitenrechter kan zich niet alleen uitstrekken tot de beoordeling of sprake is van wettig bewijs (vgl. bijvoorbeeld artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering) maar ook of de bewezenverklaring kan worden afgeleid uit de door de feitenrechter gebruikte bewijsmiddelen. Daarbij kan de Hoge Raad ook onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Bovendien kan de Hoge Raad beoordelen of de feitenrechter toereikend heeft gereageerd op door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over de bewijsbeslissing, zoals standpunten over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de aannemelijkheid van door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s.
De inhoudelijke beoordeling door de strafkamer van de Hoge Raad – die ook bij toepassing van artikel 80a RO of 81 lid 1 RO plaatsvindt door een zetel van (ten minste) drie raadsheren – is in het geval dat aan die bepalingen toepassing wordt gegeven niet anders dan wanneer daaraan geen toepassing wordt gegeven. (Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1732.)
4.Het middel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
Vordering benadeelde partij