Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
1. Een proces-verbaal van aangifted.d. 11 januari 2021 met nr. PL1500-2021007623-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 8 e.v.):
rechtstreeksmoet volgen uit de bewijsmiddelen is onjuist. Het recht kent deze eis niet. [2] Ook het argument dat “in het arrest ten node [wordt] gemist een nadere motivering waarin vaststellingen worden [gedaan] over het tijdstip van de celcontrole op 29 december 2020, wat die controle precies inhield en dat en waarom daaruit in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat requirant het raam (opzettelijk) vernield heeft” volg ik niet. Wat mij betreft, kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die het raam opzettelijk heeft vernield. Ik wijs erop dat blijkens het proces-verbaal van het tapgesprek de verdachte jegens [betrokkene 1] heeft verklaard: “Ik heb mijn raam open broer”, hetgeen, in combinatie met het in de cel aangetroffen beschadigde bestek, op een opzettelijke handeling duidt.
kunnenzijn voor de bewezenverklaring. [3] Dat is in de onderhavige zaak het geval. Uit het tot het bewijs gebezigde tapgesprek volgt dat de verdachte met [betrokkene 1] spreekt over de inzet van een drone om dingen binnen te brengen, kennelijk in zijn cel. Dit geeft zicht in het motief van de verdachte voor het opzettelijk vernielen van het raam. Het hof kon dus, mede gezien hetgeen ik in het vorige randnummer heb overwogen, oordelen dat het gesprek redengevend is voor de bewezenverklaarde vernieling.
3.Het tweede middel
Vordering tot schadevergoeding - Dienst Justitiële Inrichtingen ( [PI] )
31 december 2020.”