Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft mishandeling waarbij de verdachte de benadeelde meermalen met kracht tegen het gezicht heeft gestompt. Het hof stelde vast dat er geen objectief waarneembaar letsel was, maar achtte de normschending zo ernstig dat immateriële schadevergoeding en een schadevergoedingsmaatregel werden toegekend.
De benadeelde onderbouwde zijn schade met medische gegevens over een kaakscheurtje en psychische gevolgen zoals angst en arbeidsongeschiktheid. Het hof vond echter dat concrete onderbouwing van de aantasting in persoon achterwege kon blijven vanwege de ernst van de normschending.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is en dat de concrete gegevens voor psychische schade noodzakelijk zijn, tenzij de normschending dermate ernstig is dat nadelige gevolgen vanzelfsprekend zijn. De enkele mishandeling en de aangevoerde angst en arbeidsongeschiktheid zijn onvoldoende om de immateriële schadevergoeding en maatregel te handhaven.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het deze vordering en maatregel betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het overige van het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de immateriële schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.