Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Voor zover geklaagd wordt over de toepassing van de tweeconclusieregel door het hof slagen de klachten niet. Het hof heeft mijns inziens terecht en voldoende gemotiveerd een uitzondering op de tweeconclusieregel aangenomen op grond van de aard van het geschil, ook ten aanzien van het nieuwe verzoek van de man om eenhoofdig gezag.
Ik meen dat de klachten van de vrouw over schending van hoor en wederhoor wel terecht zijn voorgesteld en concludeer dan ook tot vernietiging van de bestreden beschikking.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
aard van het geschilmeebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. [26] In familiezaken is de uitzondering op deze grond door de Hoge Raad aanvaard voor de vaststelling van alimentatie [27] en voor de vaststelling van een omgangsregeling, [28] nu deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden zoals deze zijn ten tijde van de uitspraak van de rechter, en de uitspraak ter zake voor wijziging vatbaar is als nadien de van belang zijnde omstandigheden zijn gewijzigd dan wel bij het doen van de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
aard van het geschilmeebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. [30] Evenals voor de vaststelling van alimentatie en voor de vaststelling van een omgangsregeling, geldt voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen en voor een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen, dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter.
Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt(art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW). Om deze redenen is het ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen, gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt.”
onderdeel 1.
subonderdeel 1.1.3, eerste helftover de motivering van de uitkomst van de toetsing door het hof op grond van artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 283 en Pro artikel 362 Rv Pro. Dit subonderdeel bevat de klacht dat de motivering van het hof onvoldoende is voor het voorbijgaan aan de formele bezwaren van de vrouw tegen het toelaten van de nieuwe verzoeken van de man en aan het verzoek van de vrouw te beslissen of de nieuwe verzoeken van de man dienen te worden toegelaten.
Bovendien heeft het hof, anders dan het subonderdeel betoogt, gehoor gegeven aan het verzoek van de vrouw om te beslissen op de vraag of de nieuwe verzoeken van de man dienden te worden toegelaten, nu het hof daarop ter zitting, zoals eerder aangekondigd door het hof, heeft beslist. Ook in zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.2zich tegen de beslissing van het hof op grond van artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 283 Rv Pro en artikel 362 Rv Pro. Dit subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat op grond van artikel 283 Rv Pro in verbinding met artikel 362 Rv Pro alleen de oorspronkelijke verzoeker bevoegd is zijn verzoek na conclusiewisseling in hoger beroep te vermeerderen. Het hof kon het nieuwe verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag niet in behandeling nemen, omdat hij noch in eerste aanleg, noch in zijn beroepschrift een nevenvoorziening met betrekking tot het gezag heeft verzocht, aldus het subonderdeel.
Voor zover de klacht ervan uitgaat dat de man geen “oorspronkelijke verzoeker” was, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de man zowel in eerste aanleg als in principaal hoger beroep verzoeken heeft ingediend.
In cassatie kan mijns inziens dus wel geklaagd worden over de toepassing van de tweeconclusieregel door de appelrechter in geval van verandering of vermeerdering van een verzoek. Van klachten met een dergelijke inhoud is sprake in
subonderdeel 1.1.1, subonderdeel 1.3en
subonderdeel 1.4, slot, zodat de vrouw ontvankelijk is in die klachten.
subonderdeel 1.1.2), althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hof de vrouw niet (alsnog) in de gelegenheid heeft gesteld om verweer te voeren (
subonderdeel 1.1.3, tweede helft,en
subonderdeel 1.4, grotendeels), is de vrouw ontvankelijk.
aard van het geschilin dit geval meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden, zodat het hof aan de bezwaren die de vrouw ten aanzien van die verzoeken heeft gemaakt voorbijgaat.
subonderdeel 1.4, slottevergeefs is voorgesteld. Deze klacht luidt dat het hof ongemotiveerd heeft gelaten waarom in dit specifieke geval een uitzondering op de in beginsel strakke regel zou moeten worden gemaakt die niet alleen impliceert dat de man een nieuwe grief kon aanvoeren, maar zelfs voor het eerst kon verzoeken de vrouw uit het gezag te ontzetten, waarmee het hof de rechtsstrijd tussen partijen in een zeer laat stadium heeft uitgebreid.
subonderdeel 1.4, eerste deelwordt, kort weergegeven, ook (zie hiervoor onder 3.45 en 3.46) geklaagd dat het hof – voor zover het hof het laattijdige verzoek van de man met betrekking tot het gezag vanwege de aard van de procedure zou hebben mogen toelaten – niet alleen had moeten motiveren waarom de aard van de procedure er niet alleen toe noopte het toe te staan, maar ook had moeten motiveren waarom de aard van de procedure ertoe noopte het late verzoek van de man te honoreren zonder de vrouw in de gelegenheid te stellen inhoudelijk verweer te voeren tegen dat verzoek en vervolgens de ingrijpende beslissing te nemen de man met het eenhoofdig gezag te belasten. De motivering in r.o. 5.5 dat “de kwestie van het gezag [toch] aan het hof voorligt” is daartoe onvoldoende, nu alleen het verzoek tot eenhoofdig gezag van de vrouw voorlag, aldus, kort weergegeven, deze motiveringsklacht.
subonderdeel 1.1.2, subonderdeel 1.1.3, tweede helft en subonderdeel 1.4, eerste deel. Ik ben van oordeel dat deze slagen.
Aldus heeft het hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
in het algemeenen niet specifiek met haar standpunt ten aanzien van het nieuwe verzoek van de man hem met het eenhoofdig gezag te belasten. Bedacht moet immers worden dat aan het hof ook voorlagen het verzoek van de vrouw haar met het eenhoofdig gezag te belasten en de bestreden beslissing van de rechtbank het gezamenlijk gezag in stand te laten. Het hof lijkt in r.o. 5.5 alle voorliggende gezagsmodaliteiten in onderlinge samenhang te hebben beoordeeld. Daarmee is als zodanig niets mis. Maar ook dan had het hof kenbaar aandacht moeten besteden aan de gelegenheid voor de vrouw zich te verweren tegen het nieuwe gezagsverzoek van de man dat pas ter zitting door het hof was toegelaten. Het hof had die gelegenheid tot verweer hetzij alsnog moeten bieden, hetzij moeten motiveren waarom de vrouw al voldoende gelegenheid tot verweer heeft gehad naar het oordeel van het hof. Die kenbare beoordeling ontbreekt echter.