Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:239

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/02548
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:253o BWArt. 19 RvArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking hof over eenhoofdig gezag in echtscheidingsprocedure wegens schending hoor en wederhoor

In deze echtscheidingsprocedure tussen de vrouw en de man staat centraal het verzoek van de man om hem eenhoofdig gezag over de kinderen toe te kennen. De vrouw maakte bezwaar tegen de laattijdige vermeerdering van verzoeken door de man in incidenteel hoger beroep. Het hof wees de bezwaren van de vrouw af en achtte de nieuwe verzoeken, waaronder het verzoek om eenhoofdig gezag, toelaatbaar. Vervolgens wees het hof het verzoek van de man toe.

De vrouw stelde cassatieberoep in en klaagde dat het hof ten onrechte de tweeconclusieregel had doorbroken zonder haar voldoende gelegenheid te geven om verweer te voeren tegen de nieuwe verzoeken. De Hoge Raad bevestigde dat de tweeconclusieregel in beginsel geldt, maar dat er uitzonderingen zijn vanwege de aard van het geschil, zoals bij gezagskwesties. Het hof mocht daarom het verzoek van de man in dit late stadium behandelen.

Echter, de Hoge Raad oordeelde dat het hof de vrouw niet uitdrukkelijk in de gelegenheid had gesteld om inhoudelijk verweer te voeren tegen het nieuwe verzoek om eenhoofdig gezag, noch had gemotiveerd waarom dit niet nodig was. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing waarbij de vrouw wel de gelegenheid krijgt zich te verweren.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug wegens schending van het hoor en wederhoor-beginsel bij het toekennen van eenhoofdig gezag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02548
Zitting6 maart 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vrouw] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. C.S.G. Janssens,
tegen
[de man] ,
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze echtscheidingszaak spelen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veel geschillen tussen partijen. In cassatie gaat het alleen nog om de nieuwe verzoeken die de man bij zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft gedaan, waaronder zijn verzoek om eenhoofdig gezag. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze laattijdige vermeerdering van de verzoeken door de man. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof de bezwaren van de vrouw ter zitting heeft afgewezen en de nieuwe verzoeken van de man toelaatbaar heeft geacht. Het hof heeft het verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen toegewezen.
1.2
De cassatieklachten van de vrouw komen in de kern erop neer dat de nieuwe verzoeken van de man in dit stadium van de procedure niet meer toelaatbaar waren. Mochten de nieuwe verzoeken van de man nog wel toelaatbaar zijn, wordt verder geklaagd dat het hof de vrouw in de gelegenheid had moeten stellen verweer te voeren tegen deze verzoeken, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hof dat niet heeft gedaan.
1.3
Tegen de uitkomst van de beslissing van het hof op de bezwaren van de vrouw tegen de nieuwe verzoeken staat ingevolge artikel 130 lid 2 Rv Pro geen hogere voorziening open, zodat daarover in cassatie niet kan worden geklaagd. In de klachten van de vrouw tegen deze beslissing op grond van artikel 283 en Pro artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 362 Rv Pro is de vrouw niet-ontvankelijk.
Voor zover geklaagd wordt over de toepassing van de tweeconclusieregel door het hof slagen de klachten niet. Het hof heeft mijns inziens terecht en voldoende gemotiveerd een uitzondering op de tweeconclusieregel aangenomen op grond van de aard van het geschil, ook ten aanzien van het nieuwe verzoek van de man om eenhoofdig gezag.
Ik meen dat de klachten van de vrouw over schending van hoor en wederhoor wel terecht zijn voorgesteld en concludeer dan ook tot vernietiging van de bestreden beschikking.
2.Feiten [1] en procesverloop [2]
2.1
De vrouw en de man zijn gehuwd op 30 april 2016 te Cadiz, Spanje.
2.2
Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [de zoon] [3] (hierna: de zoon), geboren op [geboortedatum] 2017 te [plaats] , Verenigd Koninkrijk; en
- [de dochter] (hierna: de dochter), geboren op [geboortedatum] 2020 te [plaats] ,
hierna gezamenlijk: de kinderen.
2.3
De vrouw en de man oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
2.4
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) op 22 april 2022, heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en bij wijze van nevenvoorziening te bepalen dat voortaan alleen haar het ouderlijk gezag over de kinderen zal toekomen.
2.5
De man heeft een verweerschrift ingediend en zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken en eveneens een aantal nevenvoorzieningen te treffen.
2.6
De rechtbank heeft de zaak op 23 mei 2022 mondeling behandeld. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn gehoord: de vrouw, bijgestaan door twee advocaten en een tolk, [4] de man, bijgestaan door twee advocaten, en een zittingsvertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad). Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.7
De behandeling van de zaak is aangehouden in verband met een verzoek van de vrouw tot wraking van de rechtbank. De wrakingskamer van de rechtbank heeft op 26 juni 2023 het wrakingsverzoek van de vrouw afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
2.8
De behandeling van de zaak is op 2 oktober 2023 voortgezet. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn gehoord: de vrouw, bijgestaan door twee advocaten en een tolk, [5] en de man, bijgestaan door twee advocaten. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.9
Bij beschikking van 7 november 2023 [6] heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank, voor zover van belang en kort weergegeven, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald, een co-ouderschapsregeling (‘week-op-week-af-regeling’) tussen de ouders en de kinderen vastgesteld, een vakantie- en feestdagenregeling voor onder andere de kerstvakantie vastgesteld en aan de vrouw vervangende toestemming verleend om onder voorwaarden met de kinderen naar Spanje te reizen. [7] De beschikking is – met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.1
Deze echtscheidingsbeschikking is op 2 januari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.11
De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). De man heeft verzocht, kort weergegeven, die beschikking te vernietigen en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een andere vakantieregeling voor wat betreft de kerstvakantie vast te stellen, het inleidend verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar Spanje te reizen (alsnog) af te wijzen en een verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie gedaan. [8]
2.12
De vrouw heeft een verweerschrift tevens inhoudend incidenteel appel ingediend. In principaal hoger beroep heeft zij verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep heeft zij, kort weergegeven, verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover daarin haar verzoek om haar alleen te belasten met het gezag over de kinderen is afgewezen en opnieuw beschikkende de vrouw (alsnog) te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. [9]
2.13
Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, tevens houdende nieuwe grieven, aanpassing van grieven en nieuwe verzoeken, heeft de man verzocht de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen en een aantal nieuwe verzoeken gedaan en verzoeken vermeerderd. [10] In cassatie is daarbij met name van belang dat hij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover daarbij het gezamenlijk gezag van de ouders in stand is gelaten en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat voortaan alleen aan de man het gezag over de kinderen zal toekomen. [11]
2.14
De vrouw heeft op 23 juli 2024 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de nieuwe verzoeken, tevens vermeerdering en/of verandering van de verzoeken van de man en het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken. [12] Specifiek ten aanzien van het nieuwe verzoek van de man om eenhoofdig gezag verzoekt de vrouw het hof in een (tussen)beslissing een standpunt in te nemen over dit verzoek van de man, opdat de vrouw zich tijdig kan verweren, mocht het hof beslissen dit verzoek toe te laten. [13]
2.15
Bij e-mailbericht van 30 juli 2024 heeft het hof partijen als volgt bericht: [14]
“Te zijner tijd zal de zittingscombinatie een beslissing nemen op de bezwaren.”
2.16
Op verzoek van het hof bij e-mailbericht van 8 november 2024 hebben de advocaten van partijen bij e-mailbericht van 21 november 2024 ieder afzonderlijk laten weten hun verzoeken in (incidenteel) hoger beroep te handhaven en een mondelinge behandeling te wensen.
2.17
De man heeft op 7 november 2024 een verzoekschrift strekkende tot onder meer toekenning van het eenhoofdig gezag over de kinderen aan hem ingediend bij de rechtbank.
2.18
De vrouw heeft naar aanleiding van voornoemd verzoek van de man op 18 december 2024 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingediend bij de rechtbank. [15]
2.19
Bij e-mailbericht van 7 januari 2025 heeft het hof partijen laten weten dat het hof ter zitting op de bezwaren van de vrouw zal beslissen. [16]
2.2
De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 21 februari 2025 plaatsgevonden. [17] Tijdens deze mondelinge behandeling zijn gehoord: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Engels, en een vertegenwoordiger van de raad. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.21
Bij beschikking van 16 april 2025 [18] (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 7 november 2023 gedeeltelijk vernietigd en opnieuw beschikkende bepaald dat de man voortaan alleen belast is met het gezag over de kinderen. De in cassatie relevante rechtsoverwegingen luiden als volgt:
“4.5 De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde verzoeken van de man bij zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep en het hof verzocht de bezwaren van de vrouw toe te wijzen, de man niet toe te laten in zijn nieuwe verzoeken en vermeerderingen van verzoeken dan wel de man daarin niet-ontvankelijk te verklaren en de man te veroordelen tot vergoeding van de kosten die de vrouw heeft moeten maken om zich hiertegen te verweren ter hoogte van € 1.000,- ex 21% BTW, door de man aan de vrouw per omgaande te voldoen.
4.6
Het hof heeft ter zitting de bezwaren van de vrouw afgewezen en geoordeeld dat de nieuwe verzoeken en vermeerdering van de verzoeken van de man toelaatbaar zijn. De nieuwe verzoeken en vermeerderingen van de verzoeken van de man waartegen de vrouw bezwaar maakt, zien op verzoeken van de man met betrekking tot de gezamenlijke gezagsuitoefening ex artikel 1:253a BW (waaronder de hoofdverblijfplaats en zorgregeling), het verzoek tot het toekennen van het eenhoofdig gezag en verzoeken wat betreft de kinderalimentatie. De aard van het geschil brengt echter in dit geval mee dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden, zodat het hof, zoals ter zitting is beslist, aan de bezwaren van de vrouw voorbij gaat.
(…)
5.5
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man om belast te worden met het eenhoofdig gezag kan worden meegenomen in deze procedure, nu de kwestie van het gezag aan het hof voorligt. Zoals hiervoor in rov. 4.6 al is overwogen, passeert het hof het bezwaar van de vrouw tegen het verzoek van de man om toekenning van het eenhoofdig gezag.
(…)”
2.22
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2.23
De man heeft een verweerschrift ingediend waarin hij verzoekt het cassatieberoep te verwerpen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen en is gericht tegen r.o. 4.6 en 5.5 van de bestreden beschikking, zoals hiervoor onder 2.21 geciteerd. Het eerste onderdeel bevat zes subonderdelen. Het tweede onderdeel bevat een veegklacht.
3.2
Het middel klaagt in de kern dat de nieuwe verzoeken van de man die hij bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft ingediend in dit late stadium van de procedure niet meer toelaatbaar waren. Mochten de nieuwe verzoeken van de man nog wel toelaatbaar zijn, wordt verder geklaagd dat het hof de vrouw in de gelegenheid had moeten stellen verweer te voeren tegen deze verzoeken, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hof dat niet heeft gedaan.
3.3
Hoewel het cassatieberoep, zo begrijp ik, met name ziet op het nieuwe verzoek van de man tot eenhoofdig gezag, wordt in de procesinleiding afwisselend gesproken over alle bij verweerschrift in incidenteel appel gedane nieuwe verzoeken van de man (zoals ook over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, vervangende toestemming voor inschrijving van de zoon op zwemles en kinderalimentatie door de vrouw aan de man te betalen) enerzijds en uitsluitend het nieuwe verzoek van de man tot eenhoofdig gezag anderzijds. Mede gelet op het kopje van onderdeel 1 (”Eenhoofdig gezag”) ga ik ervan uit dat in het onderdeel de nadruk ligt op het nieuwe verzoek van de man om eenhoofdig gezag, nu de beslissingen van het hof op de overige (nieuwe en vermeerderde) verzoeken van de man betreffende de kinderen voortvloeien uit de beslissing van het hof om de man te belasten met het eenhoofdig gezag.
3.4
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
Verandering of vermeerdering van een verzoek
3.5
Op grond van artikel 283 Rv Pro is, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd om het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. [19] In geval van verandering of vermeerdering van het verzoek is artikel 130 Rv Pro van overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure. Op grond van deze bepaling kan de verweerder bezwaar maken tegen de verandering of vermeerdering vanwege strijd met de goede procesorde. [20] De rechter beslist op het bezwaar. Tegen de uitkomst van deze beslissing staat ingevolge artikel 130 lid 2 Rv Pro geen hogere voorziening open. [21] Voor dit rechtsmiddelenverbod geldt ook niet de zogeheten doorbrekingsjurisprudentie. [22]
3.6
Krachtens de schakelbepaling van artikel 362 Rv Pro is artikel 283 Rv Pro ook van toepassing in hoger beroep. Het staat de oorspronkelijke verzoeker ook in hoger beroep in beginsel vrij zijn of haar verzoek te veranderen of te vermeerderen, mede gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep. [23] Een partij die in eerste aanleg een (zelfstandig) verzoek of heeft gedaan kan dit verzoek in hoger beroep dus veranderen of vermeerderen, mits voldaan is aan zowel de eisen van een goede procesorde (zoals genoemd in art. 130 Rv Pro) als, in beginsel, de tweeconclusieregel (waarover meteen hierna meer). Voor een verandering of vermeerdering van verzoek geldt dus niet de eis van connexiteit. [24]
3.7
Op grond van artikel 362 Rv Pro kan in hoger beroep echter niet voor het eerst een zelfstandig verzoek gedaan worden. De verweerder die in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek heeft gedaan kan dit dus niet herstellen door in hoger beroep alsnog een zelfstandig verzoek te doen. Op deze laatste regel geldt een uitzondering voor echtscheidingsprocedures, waarop ik hierna onder 3.18 inga.
Tweeconclusieregel en uitzondering; hoor en wederhoor
3.8
In hoger beroep geldt de tweeconclusieregel, in zowel de dagvaardings- als de verzoekschriftprocedure. Deze regel dient het belang van de concentratie van het processuele debat en van een spoedige afdoening van een geschil. In de terminologie van de verzoekschriftprocedure houdt de tweeconclusieregel in dat grieven en een verandering of vermeerdering van het verzoek in beginsel uiterlijk in het beroepschrift of in het verweerschrift naar voren moeten worden gebracht. [25]
3.9
Deze regel leidt volgens vaste rechtspraak onder meer uitzondering indien de
aard van het geschilmeebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. [26] In familiezaken is de uitzondering op deze grond door de Hoge Raad aanvaard voor de vaststelling van alimentatie [27] en voor de vaststelling van een omgangsregeling, [28] nu deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden zoals deze zijn ten tijde van de uitspraak van de rechter, en de uitspraak ter zake voor wijziging vatbaar is als nadien de van belang zijnde omstandigheden zijn gewijzigd dan wel bij het doen van de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1
In zijn uitspraak van 16 mei 2025 heeft de Hoge Raad, wederom op grond van de aard van het geschil, bovendien een uitzondering op de tweeconclusieregel aanvaard bij de beslissing op een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen (art. 1:253a BW), omdat ook deze uitspraak dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Aan deze reden, die we al kenden uit de rechtspraak over de vaststelling van alimentatie en van een omgangsregeling, voegt de Hoge Raad voor verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW met het beroep op het belang van het kind nog een reden voor een uitzondering op de tweeconclusieregel toe (onderstrepingen van mij; A-G): [29]
“3.2 Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de
aard van het geschilmeebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. [30] Evenals voor de vaststelling van alimentatie en voor de vaststelling van een omgangsregeling, geldt voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen en voor een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen, dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter.
Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt(art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW). Om deze redenen is het ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen, gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt.”
3.11
Indien de appelrechter in afwijking van de tweeconclusieregel een verandering of vermeerdering van een verzoek toestaat na beroepschrift of verweerschrift dient hij wel de andere partij uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het gewijzigde of het nieuwe verzoek. Dit vloeit immers voort uit het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv Pro) en de eisen van een goede procesorde (zoals ook genoemd in art. 130 Rv Pro, zie hiervoor onder 3.5). Ik wijs in dit verband ook op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 16 mei 2025. In deze uitspraak oordeelt de Hoge Raad dat het hof bij zijn beslissing acht kon slaan op een opmerking van de man ter zitting in hoger beroep en overeenkomstig de daarbij uitgesproken wens kon beslissen, en overweegt aansluitend (r.o. 3.4): [31]
“Wel had het hof de vrouw uitdrukkelijk in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten. Noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling noch uit de beslissing blijkt dat de vrouw die gelegenheid heeft gekregen. Aldus heeft het hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.”
Onderscheid: eisen van een goede procesorde van artikel 130 Rv Pro enerzijds en tweeconclusieregel anderzijds
3.12
In geval van een verandering of vermeerdering van een verzoek in appel geldt dus, naast de eisen van een goede procesorde van artikel 130 Rv Pro, ook de tweeconclusieregel. De Hoge Raad lijkt in het kader van een verandering of vermeerdering van een verzoek in appel een onderscheid te maken tussen deze twee regels: [32]
“3.3.3 Het hoger beroep strekt mede ertoe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Op grond van art. 353 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 130 Rv Pro komt aan de oorspronkelijke eiser de bevoegdheid toe om in hoger beroep zijn eis te veranderen of te vermeerderen. (…) Deze bevoegdheid wordt slechts beperkt door de in die bepalingen genoemde eisen van een goede procesorde, alsmede door de twee conclusie-regel.”
3.13
Gelet op dit onderscheid dat de Hoge Raad lijkt te maken tussen de eisen van een goede procesorde van artikel 130 Rv Pro enerzijds en de tweeconclusieregel anderzijds, ga ik ervan uit dat de beoordeling door de appelrechter in het kader van de tweeconclusieregel niet valt onder het rechtsmiddelenverbod van artikel 130 lid 2 Rv Pro geldt. Dat de tweeconclusieregel in de kern beschouwd ook weer een uitwerking is van diezelfde goede procesorde maakt dit mijns inziens niet anders. Anders zou in cassatie nooit meer geklaagd kunnen worden over de toepassing van de tweeconclusieregel door de appelrechter in geval van een verandering of vermeerdering van verzoek.
Nevenvoorziening in hoger beroep
3.14
In een procedure die is ingeleid met een echtscheidingsverzoek kan op grond van artikel 827 Rv Pro een nevenvoorziening verzocht worden. [33] Op grond van artikel 827 lid Pro 1, onder c, Rv kunnen nevenvoorzieningen omtrent de minderjarige kinderen van echtgenoten verzocht worden, waaronder een voorziening betreffende het gezag over minderjarige kinderen van echtgenoten. Daarbij kan het gaan om een verzoek tot eenhoofdig gezag. [34]
3.15
Het toetsingskader dat de rechter toepast bij een nevenverzoek tot eenhoofdig gezag is dat van artikel 1:251a lid 1 BW. Volgens deze bepaling kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood, op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomst indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.16
Volgens vaste rechtspraak, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, [35] kunnen nevenvoorzieningen verzocht worden in elke fase van de echtscheidingsprocedure, ook nog voor het eerst in hoger beroep en ook als in eerste aanleg geen verweer gevoerd is. [36] Deze vaste rechtspraak voorkomt dat een partij over een gevolg van de echtscheiding een aparte procedure moet starten. Dit zou vanwege de samenhang die vaak bestaat tussen de gevolgen van een echtscheiding onwenselijk zijn. Het strookt ook niet met de gedachte van de wetgever van een geconcentreerde behandeling van die echtscheidingsgevolgen in dezelfde procedure (vgl. art. 818 lid 5 Rv Pro). [37]
3.17
Indien een nevenvoorziening voor het eerst in appel wordt verzocht, wordt dit verzoek dus slechts in één feitelijke instantie beoordeeld, maar dat is nu eenmaal de consequentie van deze vaste rechtspraak die is ingegeven door de wens van een geconcentreerde behandeling. [38]
3.18
Gelet op het voorgaande impliceert deze vaste rechtspraak ook een uitzondering op de regel van artikel 362 Rv Pro dat in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek mag worden gedaan (zie hiervoor onder 3.7). Een in eerste aanleg niet verschenen verweerder in een echtscheidingsprocedure kan blijkens deze rechtspraak in hoger beroep immers wel een nevenvoorziening verzoeken hetgeen dan aangemerkt kan worden als, alsnog, een zelfstandig verzoek. [39] Ook deze uitzondering wordt gerechtvaardigd door de voordelen van een geconcentreerde behandeling in dezelfde (echtscheidings)procedure, zoals voortgezet in appel.
3.19
Voor de mogelijkheid in appel een nevenvoorziening te verzoeken, is mijns inziens irrelevant of de echtscheiding al is uitgesproken door de rechter in eerste aanleg en dat de echtscheiding ten tijde van het hoger beroep mogelijk zelfs al tot stand is gekomen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (art. 1:163 BW Pro). Ik heb in de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en literatuur geen aanwijzingen kunnen vinden die duiden op het tegendeel. Ik ga er dan ook van uit dat in een appelprocedure over uitsluitend de nevenvoorzieningen (en dus niet meer over de echtscheiding als zodanig) van een reeds uitgesproken en wellicht al tot stand gekomen echtscheiding een nieuwe nevenvoorziening op grond van artikel 827 Rv Pro verzocht kan worden. Bepalend of een verzoek een nevenvoorziening betreft, is mijns inziens of de procedure in eerste aanleg is aangevangen met een inleidend verzoek tot echtscheiding en het verzoek een gevolg van die echtscheiding betreft. Dit strookt ook weer met de gedachte van de wetgever dat de gevolgen van een echtscheiding vanwege hun mogelijke samenhang zo veel mogelijk geconcentreerd behandeld worden in dezelfde echtscheidingsprocedure (in appel) en niet een van de gevolgen in een aparte procedure wordt behandeld.
3.2
Ook voor nevenverzoeken in hoger beroep gelden de hiervoor onder 3.8 e.v. besproken tweeconclusieregel en de uitzonderingen daarop en de eisen van hoor en wederhoor.
3.21
Ik keer terug naar de bespreking van
onderdeel 1.
3.22
De klachten van dit onderdeel zal ik niet in de volgorde van de procesinleiding bespreken. Voor een deel van de klachten geldt dat de vrouw daarin op grond van artikel 130 lid 2 Rv Pro [40] niet ontvankelijk is. [41] De desbetreffende subonderdelen zal ik eerst bespreken (onder 3.23 e.v.). Daarna ga ik in op de overige klachten en licht ik eerst toe waarom de vrouw daarin wel ontvankelijk is (onder 3.30 e.v.). Bij de daarop volgende inhoudelijke bespreking van deze klachten maak ik een onderscheid tussen de subonderdelen die de toepassing door het hof van de tweeconclusieregel betreffen enerzijds (onder 3.34 e.v.) en de subonderdelen waarin geklaagd wordt over schending van hoor en wederhoor anderzijds (onder 3.47 e.v.).
Niet ontvankelijk
3.23
Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen mijns inziens op grond van artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 283 en Pro artikel 362 Rv Pro beslist op het bezwaar van de vrouw tegen de nieuwe verzoeken van de man in zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep, tevens houdende nieuwe grieven, aanpassing van grieven en nieuwe verzoeken. Gelet op het rechtsmiddelenverbod van artikel 130 lid 2 Rv Pro kan over deze beslissing als zodanig in cassatie niet geklaagd worden (zie hiervoor onder 3.5).
3.24
Mijns inziens klaagt
subonderdeel 1.1.3, eerste helftover de motivering van de uitkomst van de toetsing door het hof op grond van artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 283 en Pro artikel 362 Rv Pro. Dit subonderdeel bevat de klacht dat de motivering van het hof onvoldoende is voor het voorbijgaan aan de formele bezwaren van de vrouw tegen het toelaten van de nieuwe verzoeken van de man en aan het verzoek van de vrouw te beslissen of de nieuwe verzoeken van de man dienen te worden toegelaten.
3.25
Over de uitkomst van de beslissing op het bezwaar van de vrouw tegen de nieuwe verzoeken van de man en de motivering daarvan kan ingevolge artikel 130 lid 2 Rv Pro [42] in cassatie niet geklaagd worden, zodat de vrouw niet-ontvankelijk is in deze motiveringsklacht.
3.26
Ook bij een inhoudelijke bespreking kan deze klacht niet slagen. Voor zover subonderdeel 1.1.3 klaagt dat het hof had moeten motiveren waarom het hof voorbijging aan de formele bezwaren van de vrouw en haar verzoek om te beslissen of de nieuwe verzoeken van de man dienden te worden toegelaten, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in r.o. 4.6 uitgelegd dat het hof voorbijging aan de bezwaren van de vrouw, omdat de nieuwe verzoeken van de man betrekking hebben op respectievelijk het gezamenlijk gezag (art. 1:253a BW), het eenhoofdig gezag en de kinderalimentatie, zodat de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. Dit is, mede in het licht van hetgeen hierna ten aanzien van subonderdelen 1.1.1 en 1.3 wordt besproken, bovendien voldoende begrijpelijk. Verder heeft het hof in r.o. 5.5 met betrekking tot het verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen gemotiveerd waarom het hof heeft geoordeeld dat (ook) dit verzoek kon worden meegenomen in de procedure, namelijk omdat de gezagskwestie reeds aan het hof voorlag.
Bovendien heeft het hof, anders dan het subonderdeel betoogt, gehoor gegeven aan het verzoek van de vrouw om te beslissen op de vraag of de nieuwe verzoeken van de man dienden te worden toegelaten, nu het hof daarop ter zitting, zoals eerder aangekondigd door het hof, heeft beslist. Ook in zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.
3.27
Mijns inziens richt ook
subonderdeel 1.2zich tegen de beslissing van het hof op grond van artikel 130 Rv Pro in verbinding met artikel 283 Rv Pro en artikel 362 Rv Pro. Dit subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat op grond van artikel 283 Rv Pro in verbinding met artikel 362 Rv Pro alleen de oorspronkelijke verzoeker bevoegd is zijn verzoek na conclusiewisseling in hoger beroep te vermeerderen. Het hof kon het nieuwe verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag niet in behandeling nemen, omdat hij noch in eerste aanleg, noch in zijn beroepschrift een nevenvoorziening met betrekking tot het gezag heeft verzocht, aldus het subonderdeel.
3.28
Ook in deze klacht is de vrouw niet-ontvankelijk gelet op artikel 130 lid 2 Rv Pro. [43]
3.29
Ook bij een inhoudelijke bespreking kan deze klacht niet slagen. De klacht lijkt ten onrechte uit te gaan van een connexiteitseis die voor de verandering of vermeerdering van een verzoek niet geldt (zie hiervoor onder 3.6). Bovendien is voor het indienen van een verzoek voor een nevenvoorziening irrelevant of een partij al eerder een verzoek heeft gedaan (zie hiervoor onder 3.18).
Voor zover de klacht ervan uitgaat dat de man geen “oorspronkelijke verzoeker” was, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de man zowel in eerste aanleg als in principaal hoger beroep verzoeken heeft ingediend.
Wel ontvankelijk
3.3
De vrouw is mijn inziens wel ontvankelijk in de klachten van de overige subonderdelen. Ik licht dit als volgt toe.
3.31
Het hof heeft in de bestreden overwegingen mijns inziens ook beoordeeld of in dit geval sprake is van een uitzondering op de tweeconclusieregel. Zoals hiervoor bleek, ga ik ervan uit dat deze beoordeling niet op artikel 130 Rv Pro (i.c. in verbinding met artikel 283 en Pro artikel 362 Rv Pro) berust. In zijn uitspraak van HR 25 maart 2016 [44] maakt de Hoge Raad immers een onderscheid tussen de eisen van een goede procesorde van artikel 130 Rv Pro enerzijds en de tweeconclusieregel anderzijds, als twee regels die de bevoegdheid van een partij om in appel zijn verzoeken te veranderen of te vermeerderen kunnen beperken (zie nader hiervoor onder 3.12 en 3.13).
In cassatie kan mijns inziens dus wel geklaagd worden over de toepassing van de tweeconclusieregel door de appelrechter in geval van verandering of vermeerdering van een verzoek. Van klachten met een dergelijke inhoud is sprake in
subonderdeel 1.1.1, subonderdeel 1.3en
subonderdeel 1.4, slot, zodat de vrouw ontvankelijk is in die klachten.
3.32
Ook in de klachten die mede inhouden dat de vrouw door het hof in de gelegenheid had moeten worden gesteld om verweer te voeren tegen de door het hof toegelaten nieuwe verzoeken (
subonderdeel 1.1.2), althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hof de vrouw niet (alsnog) in de gelegenheid heeft gesteld om verweer te voeren (
subonderdeel 1.1.3, tweede helft,en
subonderdeel 1.4, grotendeels), is de vrouw ontvankelijk.
3.33
In het navolgende zal ik eerst de subonderdelen bespreken die de toepassing van de tweeconclusieregel betreffen (onder 3.34 e.v.) en vervolgens de subonderdelen waarin geklaagd wordt over het gebrek aan hoor en wederhoor of de motivering daarvan (onder 3.47 e.v.).
Tweeconclusieregel
3.34
Subonderdeel 1.1.1bevat de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat het de man weliswaar vrijstond het hof voor het eerst in hoger beroep te verzoeken om nevenvoorzieningen te treffen, maar dat de goede procesorde (meer specifiek de tweeconclusieregel) meebrengt dat de man die nieuwe nevenvoorzieningen in beginsel ten laatste in zijn beroepschrift had moeten verzoeken. Het hof had daarom geen acht mogen slaan op het pas bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep gedane nieuwe verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Het toekennen van het verzoek tot eenhoofdig gezag is een dusdanig zware maatregel, dat het hof het verzoek van de man in dit stadium van de procedure niet meer kon toestaan, aldus dit eerste subonderdeel.
3.35
Subonderdeel 1.1.1 kan niet slagen. Het hof heeft in r.o. 4.6 van de bestreden beschikking (hiervoor onder 2.21 geciteerd) geoordeeld dat de nieuwe verzoeken en vermeerdering van verzoeken van de man (waaronder het verzoek van de man om hem het eenhoofdig gezag toe te kennen) toelaatbaar zijn, omdat de
aard van het geschilin dit geval meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden, zodat het hof aan de bezwaren die de vrouw ten aanzien van die verzoeken heeft gemaakt voorbijgaat.
3.36
Anders dan het subonderdeel betoogt, getuigt dit oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de tweeconclusieregel. Het hof neemt een uitzondering op de tweeconclusieregel aan op grond van de aard van het geschil. In dit verband wijst het hof erop dat de nieuwe verzoeken en vermeerderingen van de verzoeken van de man zien op verzoeken met betrekking tot de gezamenlijke gezagsuitoefening op grond van artikel 1:253a BW (waaronder de hoofdverblijfplaats en zorgregeling), het verzoek tot het toekennen van het eenhoofdig gezag en verzoeken wat betreft de kinderalimentatie.
3.37
Uit de hiervoor onder 3.9 en 3.10 besproken vaste rechtspraak blijkt dat de Hoge Raad een uitzondering op de tweeconclusieregel heeft aanvaard op grond van de aard van het geschil voor de vaststelling van alimentatie en van omgang/zorgregeling en voor de geschillenregeling van artikel 1:253a BW. Dat laatste is weliswaar beslist in een verhuisgeschil, maar de aldaar genoemde argumenten voor de uitzondering op de tweeconclusieregel (een beslissing dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter en in het belang van het kind te zijn) gelden evenzeer voor andere gezagsgeschillen op grond van artikel 1:253a BW, zoals over de hoofdverblijfplaats.
3.38
In deze zaak draait het in het bijzonder om het nieuwe verzoek van de man om hem ingevolge artikel 1:251a BW alleen te belasten met het gezag over de kinderen. Over een dergelijk verzoek om eenhoofdig gezag heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten in het kader van de tweeconclusieregel en de uitzonderingen daarop.
3.39
Mijns inziens heeft voor een dergelijk verzoek, net als voor alimentatie- omgangs/zorg- en verhuisgeschillen, te gelden dat de rechter een oordeel moet vellen gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak, dus op basis van de meest actuele omstandigheden. Ook in dergelijke zaken zijn de ouders, en zeker ook het kind, er immers bij gebaat dat een beslissing wordt genomen op basis van een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden, alsmede dat die beslissing zoveel mogelijk is gebaseerd op actuele feiten. In dit kader plaats ik ook de overweging van het hof in de bestreden r.o. 5.5 dat het verzoek van de man om eenhoofdig gezag kan worden meegenomen, “nu de kwestie van het gezag aan het hof voorligt”. Door ook dit nieuwe verzoek van de man mee te nemen, naast het verzoek om eenhoofdig gezag van de vrouw en de beslissing van de rechtbank het gezamenlijk gezag in stand te laten, kan het hof de kwestie van het gezag over de kinderen van partijen in de volle breedte toetsen.
3.4
En ook de andere in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad genoemde elementen in verband met de aard van het geschil als uitzondering op de tweeconclusieregel gelden voor een verzoek om eenhoofdig gezag. Ook bij een dergelijk verzoek moet immers, evenals in omgangszaken en gezagsgeschillen op grond van artikel 1:253a BW, een beslissing worden genomen in het belang van het kind (zie art. 1:251a lid 1 BW). Daarnaast zijn ook voorzieningen betreffende de aard van het gezag voor wijziging vatbaar (zie naast art. 1:251a BW, o.m. ook art. 1:253o BW), net als in alimentatie- en omgangszaken. [45]
3.41
Gelet op het voorgaande brengt ook in geval van een verzoek om eenhoofdig gezag mijns inziens de aard van het geschil mee dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden, zodat ook deze categorie zaken naar mijn idee valt onder deze door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering op de tweeconclusieregel.
3.42
Dat een beslissing om het gezag aan een van de ouders toe te kennen een zware maatregel behelst, maakt het voorgaande mijns inziens niet anders. Het verzoek om eenhoofdig gezag is weliswaar verstrekkend, maar dat betekent niet dat de aard van het geschil niet zou kunnen rechtvaardigen dat een dergelijk verzoek in een later stadium nog gedaan zou kunnen worden.
3.43
Subonderdeel 1.3richt zich, met een rechtsklacht, specifiek tegen r.o. 4.6, voor zover deze rechtsoverweging zo moet worden begrepen dat de aard van de procedure met zich zou brengen dat het nieuwe verzoek van de man voor het eerst bij verweerschrift in incidenteel beroep gedaan zou kunnen worden. Geklaagd wordt dat het hof dan heeft miskend dat de man geen nieuwe grief, maar een geheel nieuw verzoek heeft gedaan, hetgeen in strijd is met de goede procesorde, waarbij ik na dat laatste, welwillend en in navolging van de gekozen formulering in subonderdeel 1.1.1, weer inlees “en meer specifiek de tweeconclusieregel”. Bij een minder welwillende lezing zou ik ook dit subonderdeel zien als een klacht over de uitkomst van de toets op grond van artikel 130 lid 1 Rv Pro aan de eisen van een goede procesorde, waardoor de vrouw niet-ontvankelijk zou zijn in deze klacht en ik aan een inhoudelijke bespreking niet toekom. Ik begrijp de klacht echter zo dat ook deze ziet op de toepassing van de tweeconclusieregel door de rechter.
3.44
Ook deze klacht faalt. Uit de hiervoor onder 3.9 e.v. besproken vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt immers van een uitzondering op de tweeconclusieregel, indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium niet alleen nog een grief kan worden aangevoerd, maar ook een verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden.
3.45
Uit de bespreking van de subonderdelen 1.1.1 en 1.3 vloeit ook voort dat de motiveringsklacht van
subonderdeel 1.4, slottevergeefs is voorgesteld. Deze klacht luidt dat het hof ongemotiveerd heeft gelaten waarom in dit specifieke geval een uitzondering op de in beginsel strakke regel zou moeten worden gemaakt die niet alleen impliceert dat de man een nieuwe grief kon aanvoeren, maar zelfs voor het eerst kon verzoeken de vrouw uit het gezag te ontzetten, waarmee het hof de rechtsstrijd tussen partijen in een zeer laat stadium heeft uitgebreid.
3.46
Naar mijn mening heeft het hof met zijn beroep op de aard van het geschil en het argument dat de kwestie van het gezag al aan het hof voorlag wel gemotiveerd waarom in afwijking van de tweeconclusieregel het latere verzoek om eenhoofdig gezag van de man toelaatbaar was. Daardoor mist de klacht feitelijke grondslag.
Hoor en wederhoor
3.47
Ik zie aanleiding de subonderdelen 1.1.2, 1.1.3, tweede helft en 1.4, eerste deel gezamenlijk te bespreken.
3.48
Subonderdeel 1.1.2klaagt dat, indien het hof van oordeel was dat het verzoek van de man een uitzondering op de tweeconclusieregel rechtvaardigde, de vrouw in de gelegenheid had moeten worden gesteld om inhoudelijk verweer te voeren tegen dat verzoek en haar standpunten te herzien, hetgeen de vrouw ook heeft verzocht. Door dit verzoek van de vrouw te negeren en haar niet toe te staan schriftelijk materieel verweer te voeren tegen het verzoek van de man heeft het hof volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu de goede procesorde en artikel 6 EVRM Pro meebrengen dat de vrouw in de gelegenheid had moeten worden gesteld zich inhoudelijk te verweren en haar standpunten te herzien.
3.49
Subonderdeel 1.1.3, tweede helftklaagt dat – mocht juist zijn dat de aard van de procedure met zich brengt dat de man de nieuwe verzoeken in dit stadium van de procedure nog kon formuleren en dat de gezagskwestie toch al aan het hof voorlag – zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom dat het hof zou ontslaan van de verplichting om de vrouw in de gelegenheid te stellen zich inhoudelijk tegen de nieuwe verzoeken te verweren.
3.5
In
subonderdeel 1.4, eerste deelwordt, kort weergegeven, ook (zie hiervoor onder 3.45 en 3.46) geklaagd dat het hof – voor zover het hof het laattijdige verzoek van de man met betrekking tot het gezag vanwege de aard van de procedure zou hebben mogen toelaten – niet alleen had moeten motiveren waarom de aard van de procedure er niet alleen toe noopte het toe te staan, maar ook had moeten motiveren waarom de aard van de procedure ertoe noopte het late verzoek van de man te honoreren zonder de vrouw in de gelegenheid te stellen inhoudelijk verweer te voeren tegen dat verzoek en vervolgens de ingrijpende beslissing te nemen de man met het eenhoofdig gezag te belasten. De motivering in r.o. 5.5 dat “de kwestie van het gezag [toch] aan het hof voorligt” is daartoe onvoldoende, nu alleen het verzoek tot eenhoofdig gezag van de vrouw voorlag, aldus, kort weergegeven, deze motiveringsklacht.
3.51
Voordat ik toekom aan de bespreking van deze subonderdelen, geef ik het procesverloop rond de nieuwe verzoeken van de man weer.
3.52
De man heeft op 10 juli 2024 zijn verweerschrift in incidenteel appel, tevens houdende nieuwe grieven, aanpassing van grieven en nieuwe verzoeken ingediend. Daarin heeft hij zoals gezegd onder andere verzocht om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
3.53
De vrouw heeft bij brief van 23 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de nieuwe verzoeken van de man in dit late stadium van de procedure. Zij heeft het hof daarbij verzocht om op haar bezwaar een beslissing te nemen en haar, indien het hof zou beslissen de verzoeken van de man toe te staan, in de gelegenheid te stellen verweer te voeren tegen deze verzoeken. [46] De vrouw heeft in genoemde brief haar formele bezwaren tegen de verzoeken van de man uiteengezet (onder andere strijd met de goede procesorde, strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en onmogelijkheid van het doen van een zelfstandig verzoek in hoger beroep op grond van artikel 362 Rv Pro). [47] Daarnaast heeft zij ook inhoudelijk gereageerd op het verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. [48] Zo is de vrouw in het kader van haar bezwaar ingegaan op een aantal kwesties die tussen partijen speelden omtrent het gezag, waaronder de stelling van de man dat de vrouw zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van het gezamenlijk gezag. [49] Verder is de vrouw ingegaan op het argument van de man dat de vrouw jegens hem een valse aangifte zou hebben gedaan en er geen sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld tussen partijen, hetgeen onder andere zou blijken uit de wijziging van de sepotcode door het Openbaar Ministerie. [50]
3.54
Ook in een latere brief aan het hof van 10 februari 2025 is de vrouw inhoudelijk ingegaan op de nieuwe verzoeken van de man, waaronder zijn verzoek om hem alleen te belasten met het gezag over de kinderen. [51] In deze brief verwijst de vrouw onder andere naar het door haar op 18 december 2024 bij de rechtbank ingediende verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken in de door de man inmiddels aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank waarin hij eveneens een verzoek heeft gedaan tot eenhoofdig gezag. [52] De vrouw heeft dat verweerschrift als productie 25 bij genoemde brief van 10 februari 2025 overgelegd, waarbij zij het hof heeft gevraagd om dit stuk mee te nemen bij de beoordeling van het verzoek van de man in hoger beroep om hem met het eenhoofdig gezag te belasten. [53]
3.55
Naar aanleiding van het bezwaar van de vrouw van 23 juli 2024 heeft het hof partijen bij e-mailbericht van 30 juli 2024 bericht dat de zittingscombinatie te zijner tijd een beslissing zou nemen op de bezwaren van de vrouw. Bij e-mailbericht van 7 januari 2025 heeft het hof partijen vervolgens laten weten dat het hof ter zitting op de bezwaren van de vrouw zou beslissen. Uit de hiervoor genoemde brief van de vrouw aan het hof van 10 februari 2025 volgt dat de vrouw ervan op de hoogte was dat het hof ter zitting op het bezwaar van de vrouw zou beslissen. [54]
3.56
Uit r.o. 4.6 van de bestreden beschikking (hiervoor onder 2.21 geciteerd) volgt dat het hof “ter zitting de bezwaren van de vrouw [heeft] afgewezen en geoordeeld dat de nieuwe verzoeken en vermeerdering van de verzoeken van de man toelaatbaar zijn.”
3.57
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 februari 2025 in hoger beroep blijkt echter niet dat en, zo ja op welk moment tijdens de mondelinge behandeling door het hof is beslist op het bezwaar van de vrouw en hoe die beslissing dan heeft geluid.
3.58
Ik keer terug naar de bespreking van
subonderdeel 1.1.2, subonderdeel 1.1.3, tweede helft en subonderdeel 1.4, eerste deel. Ik ben van oordeel dat deze slagen.
3.59
Het hof had de vrouw uitdrukkelijk in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de nieuwe verzoeken van de man, nadat het deze had toegelaten, dan wel had het hof moeten toelichten waarom het van oordeel was dat de vrouw zich al voldoende had uitgelaten over de nieuwe verzoeken. Noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling noch uit de bestreden beschikking blijkt dat de vrouw die gelegenheid tot wederhoor heeft gekregen na de beslissing van het hof over de toelaatbaarheid van de nieuwe verzoeken van de man. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal of de bestreden beschikking dat het hof kenbaar heeft beoordeeld of de vrouw schriftelijk in haar hiervoor onder 3.53 en 3.54 genoemde berichten, voorafgaand aan de beslissing van het hof over het toelaten van de nieuwe verzoeken, dan wel nadien, mondeling ter zitting, voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op de nieuwe verzoeken van de man.
Aldus heeft het hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
3.6
Dat uit de hiervoor onder 3.53 en 3.54 genoemde berichten van de vrouw en haar in appel overgelegde verweerschrift in eerste aanleg zou kunnen worden afgeleid dat zij al uit zichzelf inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de nieuwe verzoeken van de man maakt dit niet anders. Daarbij weegt voor mij mee dat uit noch uit de overwegingen van het hof in r.o. 5.4 en 5.5 noch elders in de bestreden beschikking blijkt dat het hof zich uitdrukkelijk rekenschap heeft gegeven van het op voorhand schriftelijke inhoudelijke verweer van de vrouw tegen de nieuwe verzoeken van de man, en in het bijzonder het verstrekkende verzoek om eenhoofdig gezag. Ook weegt daarbij voor mij mee dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet blijkt van mondeling verweer van de vrouw tegen specifiek de nieuwe verzoeken van de man, en in het bijzonder weer het verzoek over het eenhoofdig gezag. Wel volgt uit het proces-verbaal dat de advocaat van de vrouw ter zitting (nogmaals) heeft opgemerkt dat namens de vrouw geen officieel verweer is gevoerd tegen de nieuwe verzoeken van de man. [55]
3.61
Inzoomend op de gezagskwestie, waar het in cassatie in het bijzonder om draait: in r.o. 5.4 en 5.5 van de bestreden beschikking heeft het hof er blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met het standpunt van de vrouw over de gezagskwestie. Het hof houdt daarbij mijns inziens echter rekening met het standpunt van de vrouw omtrent de gezagskwestie
in het algemeenen niet specifiek met haar standpunt ten aanzien van het nieuwe verzoek van de man hem met het eenhoofdig gezag te belasten. Bedacht moet immers worden dat aan het hof ook voorlagen het verzoek van de vrouw haar met het eenhoofdig gezag te belasten en de bestreden beslissing van de rechtbank het gezamenlijk gezag in stand te laten. Het hof lijkt in r.o. 5.5 alle voorliggende gezagsmodaliteiten in onderlinge samenhang te hebben beoordeeld. Daarmee is als zodanig niets mis. Maar ook dan had het hof kenbaar aandacht moeten besteden aan de gelegenheid voor de vrouw zich te verweren tegen het nieuwe gezagsverzoek van de man dat pas ter zitting door het hof was toegelaten. Het hof had die gelegenheid tot verweer hetzij alsnog moeten bieden, hetzij moeten motiveren waarom de vrouw al voldoende gelegenheid tot verweer heeft gehad naar het oordeel van het hof. Die kenbare beoordeling ontbreekt echter.
3.62
Gelet op het voorgaande heeft het hof dus ten onrechte nagelaten de vrouw uitdrukkelijk de gelegenheid te bieden om (alsnog) inhoudelijk verweer te voeren tegen de nieuwe verzoeken van de man, dan wel heeft het hof in de bestreden beschikking ten onrechte nagelaten om toe te lichten waarom het de vrouw deze gelegenheid niet hoefde te bieden.

4.Onderdeel 2

Met het slagen van de klachten in de subonderdelen 1.1.2, 1.1.3, tweede helft en 1.4, eerste deel kunnen ook de beslissingen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de kinderalimentatie niet in stand blijven, zodat ook de veegklacht in onderdeel 2 slaagt.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De hierna vermelde feiten zijn ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:696, r.o. 3.2-3.4 en 3.7.
2.Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang.
3.In de bestreden beschikking wordt [naam] aldus gespeld, dus zonder accent op de a, anders dan in de naam van de vrouw. Dit geldt ook voor de spelling van de achternaam van de dochter.
4.In de beschikking van de rechtbank van 7 november 2023 staat op p. 2 vermeld dat een tolk aanwezig was, maar niet in welke taal is getolkt. Uit de uitspraak van 26 juni 2023 van de wrakingskamer van de rechtbank volgt dat het om een tolk Spaans ging.
5.Zie vorige voetnoot.
6.Rechtbank Den Haag 7 november 2023, rekestnummer: FA RK 22-2721, zaaknummer: C/09/628719 (de zaak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7.Ook is een door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie bepaald en is de verdeling van de (eenvoudige) gemeenschappen en (gezamenlijke) inboedel tussen partijen vastgesteld.
8.De man heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de partneralimentatie, verdeling en pensioenverevening. Zie voor een uitgebreide weergave de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025, ECLI:NL:GHDA:2025:696, r.o. 4.2.
9.De vrouw heeft ook verzocht een andere vakantieregeling voor wat betreft de kerstvakantie vast te stellen, verzoeken gedaan met betrekking tot de Nederlandse paspoorten en ID kaarten van de kinderen, verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen binnen Europa te mogen reizen en verzoeken gedaan met betrekking tot de kinder- en partneralimentatie en de verdeling. Zie voor een uitgebreide weergave de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025, ECLI:NL:GHDA:2025:696, r.o. 4.3.
10.Zie voor een uitgebreide weergave de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025, ECLI:NL:GHDA:2025:696, r.o. 4.2.
11.De andere nieuwe verzoeken betreffen, kort gezegd: de hoofdverblijfplaats van de kinderen, vervangende toestemming voor inschrijving voor zwemles van de zoon en kinderalimentatie van de vrouw aan de man.
12.Bezwaar van de vrouw van 23 juli 2024, petitum.
13.Bezwaar van de vrouw van 23 juli 2024, onder randnummer 23.
14.Dit bericht van het hof is in het B-dossier te vinden in ordner 6 (achter het laatste tabblad). Het bericht ontbreekt in het A-dossier.
15.Uit r.o. 3.8 van de bestreden beschikking volgt dat ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof (te weten 21 februari 2025) nog geen zittingsdatum in de zaak bij de rechtbank was gepland. Blijkens het verweerschrift van de man in cassatie (voetnoot 10) staat deze procedure “on hold”.
16.Dit bericht van het hof is in het B-dossier te vinden in ordner 6 (achter het laatste tabblad). Het bericht ontbreekt in het A-dossier.
17.Naar aanleiding van vonnis in kort geding van 7 februari 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag over de zorgregeling heeft de man een (turbo)spoedappel aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling van het (turbo)spoedappel heeft tegelijkertijd met de behandeling van de hoofdzaak op 21 februari 2025 plaatsgevonden. Het hof heeft op 21 februari 2025 mondeling uitspraak gedaan in het (turbo)spoedappel (schriftelijk uitgewerkt op 25 februari 2025). Het hof heeft daarin het vonnis van de voorzieningenrechter van 7 februari 2025 (gedeeltelijk) vernietigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende de vrouw veroordeeld om uitvoering te geven aan de bij beschikking van 7 november 2023 door de rechtbank tussen partijen vastgestelde zorgregeling op straffe van een dwangsom.
19.Artikel 283 Rv Pro is op grond van artikel 362 Rv Pro ook van overeenkomstige toepassing in appel.
20.E.L. Schaafsma-Beversluis,
21.Vgl. HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720,
22.Zie HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914,
23.Vgl. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493,
24.Zie wederom HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493,
25.Vgl. o.m. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959,
26.Zie over de uitzonderingen o.a.
27.Zie HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9917,
28.HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226,
29.HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764,
30.Deze voetnoot in het citaat bevat een vergelijkende verwijzing naar HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, r.o. 3.3.
31.HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764,
32.HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493,
33.Alsmede de procedure tot scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
34.J.C.E. Ackermans-Wijn,
36.HR 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5410 (r.o. 3.2),
37.Vgl. ook W. Dijkers, ‘Toegang tot de rechter bij echtscheiding. De onvolkomenheden van art. 827 lid 2 Rv Pro’,
38.Zo ook A.V.T. de Bie en E.E. Kraan, Hoofdstuk 3. Echtscheidingsprocesrecht, in: F. Ibili, G.M.C.M. Staats en A.H.N. Stollenwerck (red.),
39.Zie zo ook De Bie en Kraan, a.w. p. 217 (par. 3.10.8).
40.In verbinding met art. 283 Rv Pro en art. 362 Rv Pro.
41.Vgl. het verweerschrift in cassatie, onder 2, waarin met een beroep op het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 in Pro verbinding met art. 283 Rv Pro wordt betoogd dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep.
42.In verbinding met art. 283 Rv Pro en art. 362 Rv Pro.
43.In verbinding met art. 283 Rv Pro en art. 362 Rv Pro.
44.HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493,
45.Zie ook
46.Bezwaar tegen nieuwe verzoeken en tevens tegen vermeerdering en/of verandering van verzoeken d.d. 23 juli 2024, p. 4, randnummer 23.
47.Bezwaar tegen nieuwe verzoeken en tevens tegen vermeerdering en/of verandering van verzoeken d.d. 23 juli 2024, p. 2, randnummers 8 en 9.
48.Bezwaar tegen nieuwe verzoeken en tevens tegen vermeerdering en/of verandering van verzoeken d.d. 23 juli 2024, p. 2, randnummers 10 t/m 22.
49.Bezwaar tegen nieuwe verzoeken en tevens tegen vermeerdering en/of verandering van verzoeken d.d. 23 juli 2024, p. 2, randnummers 6 en 7.
50.Bezwaar tegen nieuwe verzoeken en tevens tegen vermeerdering en/of verandering van verzoeken d.d. 23 juli 2024, p. 2, randnummers 11 t/m 20.
51.10-dagen brief ter zake van de kinderen van 10 februari 2025.
52.10-dagen brief ter zake van de kinderen van 10 februari 2025, p. 3, midden.
53.Productie 25 zelf ontbreekt in het A-dossier. Het verweerschrift van de vrouw van 18 december 2024 in de rechtbankprocedure omtrent (onder andere) het eenhoofdig gezag is wel te vinden onder productie 60 bij de brief van de man aan het hof van 10 februari 2025 (productie 32 van het A-dossier). In het B-dossier in het verweerschrift van de vrouw van 18 december 2024 te vinden in ordner 9.
54.10-dagen brief ter zake van de kinderen van 10 februari 2025, p. 3, bovenaan.
55.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 21 februari 2025, p. 6 (onderaan).