Conclusie
acta iure imperii.
forum necessitatisen het
forum arresti. (rov. 5.8-5.9).
acta iure imperii), waarvoor immuniteit wordt toegekend, en rechtshandelingen die de vreemde staat op voet van gelijkheid met particulieren is aangegaan (
acta iure gestionis), waarvoor geen immuniteit wordt verleend.
engagesin a commercial transaction” gebruikt en niet “a State enters into a commercial transaction”. ‘To engage in’ zou een iets ruimer begrip kunnen zijn dan ‘to enter into’, waardoor het toepassingsgebied van art. 10 wellicht Pro iets ruimer is dan op het eerste gezicht aan de orde lijkt te zijn. Echter veel speelruimte wordt op deze wijze niet gecreëerd. Daarbij komt dat in dit verband mede van belang is dat de (niet-authentieke) Nederlandse vertaling van de desbetreffende zinsnede is “[i]ndien een staat een commerciële transactie aangaat”, in plaats van (bijvoorbeeld) ‘betrokken is bij’ een commerciële transactie. Naar het oordeel van het hof moet dan ook worden geconcludeerd dat de gedragingen van Irak (kort gezegd: de weigering om toestemming te verlenen dat de schepen van Mammoet de MEZ verlaten) niet inhouden dat Irak ‘has
engagedin a commercial transaction' met
commerciëleovereenkomst of een transactie. Art. 2 lid 2 van Pro het VN-Verdrag bepaalt over het begrip ‘commercieel’ primair dat de
aardvan de transactie in aanmerking moet worden genomen bij het antwoord op de vraag of sprake is van een commerciële transactie. Het
doelvan de transactie is slechts van belang indien dat doel in de praktijk van de forumstaat (Nederland) relevant is om het niet-commerciële doel van de transactie vast te stellen. (Vgl. HR 25 november 1994, NJ 1995, 650 en HR 28 mei 1993, NJ 1994, 329, alsmede de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag).
acta iure imperii. Overeenkomstig het internationaal recht moet, volgens Mammoet, op autonome en objectieve wijze invulling worden gegeven aan het begrip ‘aard’ van de handeling. De omstandigheid dat Irak haar handelen beschouwt als ‘soeverein’, betekent nog niet dat dit naar maatstaven van internationaal recht ook het geval is, aldus Mammoet.
acta iuri imperiizijn.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
onderdeel Aheeft het hof bij de beoordeling van het beroep op immuniteit van jurisdictie ten onrechte het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen in plaats van het internationale gewoonterecht zelf tot uitgangspunt genomen.
Onderdeel Bbeklaagt zich over het oordeel van het hof dat de specifieke bepalingen uit het VN-verdrag die het hof bespreekt het internationale gewoonterecht zoals dat in Nederland geldt, reflecteren en neemt daarbij tot uitgangspunt dat het hof
uitsluitendaan het VN-verdrag heeft getoetst waardoor het ook de grenzen van de rechtsstrijd van partijen heeft miskend, althans een verrassingsbeslissing heeft gegeven.
Onderdeel Cbepleit een contextuele benadering en klaagt dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van ‘typisch publiek’ handelen van Irak dient te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
Onderdeel Dvoert aan dat het betoog van Mammoet waarom de gewraakte handelingen van Irak geen
acta iure imperiizijn ten onrechte is gepasseerd, althans zonder toereikende motivering is verworpen. Volgens
onderdeel Eis het hof ten onrechte voorbijgegaan aan Mammoets verwijten met betrekking tot het handelen van het Iraakse Ministerie van Olie, althans is ontoereikend gemotiveerd waarom Irak (ook) immuniteit van jurisdictie zou toekomen ter zake deze handelingen.
Onderdeel F, ten slotte, klaagt dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken, voor zover nodig onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, of Mammoets recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM Pro wordt geschonden indien Irak immuniteit van jurisdictie wordt verleend.
opinio iuris).
acta iure imperii) en dat die immuniteit zich ook uitstrekt tot functionarissen van die staat voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie (zogeheten functionele immuniteit of immuniteit
ratione materiae). [12]
acta iure imperii, maakt onderdeel uit van het internationaal gewoonterecht [16] . Staten genieten volgens het internationaal gewoonterecht dus alleen immuniteit van jurisdictie voor
acta iure imperiien niet voor handelingen die de staat op voet van gelijkheid met particulieren is aangegaan,
acta iure gestionis [17] genoemd. Dit onderscheid wordt in het Oxford-commentaar bij het VN-verdrag inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen kernachtig verwoord als volgt: [18]
acta jure imperii, or acts of an inherently sovereign character, and
acta jure gestionis, or acts that, although performed by a State in the instant case, are the sort of thing a private party could do.’
acta iure imperiiis ook neergelegd in de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten [19] . Dit verdrag is op het onderhavige geschil met Irak echter niet van toepassing [20] . Ik laat de Europese Overeenkomst hier dan ook verder onbesproken.
acta iure imperii(die immuniteit van jurisdictie genieten) en
acta iure gestionis(waarvoor geen immuniteit van jurisdictie geldt). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de
aardvan de handeling beslissend wordt geacht en niet het
doelof het (achterliggende) motief van de handeling [27] . De achtergrond daarvan is dat uitgaande van het doel van de handeling in te veel situaties een beroep kan worden gedaan op immuniteit van jurisdictie [28] .
acta iure imperiien
acta iure gestionis [31] . Volgens de CAVV staat het VN-verdrag niet eraan in de weg dat Nederland zijn praktijk op dit punt – dat wil dus zeggen de aard van de handeling beslissend achten bij de vraag of sprake is van
acta iure imperiidan wel
acta iure gestionis– kan handhaven [32] .
acta iure imperiien
acta iure gestionisdus geen rol meer [35] . Het VN-verdrag bevat met art. 16 een Pro
specifieke bepaling over immuniteit van jurisdictie in geval van schepen in het bezit van of geëxploiteerd door een staat [36] . Het eerste lid van genoemde bepaling bevat een uitzondering op immuniteit van jurisdictie in het geval schepen van de staat op dat moment worden gebruikt voor andere dan publieke niet-commerciële doeleinden [37] . Art. 16 lid 2 VN Pro-verdrag regelt dat de uitzondering van het eerste lid
nietgeldt, en aan staten dus
welimmuniteit van jurisdictie toekomt, met betrekking tot oorlogsschepen, hulpschepen, en andere schepen van de staat die op dat moment alleen worden gebruikt voor niet-commerciële overheidsdiensten [38] . Over de vraag of art. 16 VN Pro-verdrag internationaal gewoonterecht reflecteert, bestaat als ik het goed zie weinig discussie [39] . Wel kan men zich afvragen of voor toepassing van de bepaling de relevante gedragingen betrekking moeten hebben op een of meer specifieke schepen of dat ook het handelen van in dit geval ‘de Iraakse marine’ als zodanig, dus niet gekoppeld aan een of meer specifieke marineschepen, onder art. 16 VN Pro-verdrag kan vallen [40] . Hoe dat ook zij [41] , Mammoet voert in cassatie op zichzelf terecht aan dat het hof geen oordeel over deze kwestie heeft gegeven [42] . Irak heeft in eerste aanleg wel een beroep gedaan op de bijzondere regels die gelden als het overheidshandelen verband houdt met de exploitatie van staatsschepen [43] . De rechtbank heeft dit beroep van Irak onderkend in haar vonnis, maar is bij de stand van zaken dat naar haar oordeel sprake is van
acta iure imperiiaan beoordeling van deze ‘lex specialis’ niet toegekomen (zie 2.4 hiervoor). Nu deze kwestie feitelijk (nog) niet is beoordeeld, meen ik dat de stelling van Irak [44] dat Mammoet gelet op de status van de schepen geen belang heeft bij de behandeling van (een deel van) haar cassatieklachten niet juist is [45] . Het is echter wel goed om het bestaan van de voor staatsschepen in art. 16 VN Pro-verdrag gecodificeerde immuniteitsregels voor ogen te houden.
Cape Mayen
Altairop: [46]
Marokko/De Trappenberg-uitspraak lijkt te volgen dat de Hoge Raad het onderscheid tussen
acta iure imperiien
acta iure gestioniseveneens beslissend acht in een onrechtmatige daad-procedure [47] . In de literatuur wordt echter eveneens onderkend dat dit onderscheid in op onrechtmatige daad gestoelde procedures niet altijd goed bruikbaar is [48] . In dat verband wijs ik nog op art. 12 VN Pro-verdrag waarin een beperkte uitzondering is opgenomen op het uitgangspunt dat aan staten immuniteit van jurisdictie toekomt [49] . Deze uitzondering heeft betrekking op rechtsgedingen inzake persoonlijke letselschade en schade aan eigendommen [50] . Het onderscheid tussen
acta iure imperiien
acta iure gestionisis in het kader van deze bepaling, evenals voor staatsschepen in het kader van art. 16 VN Pro-verdrag, irrelevant [51] . Voor de goede orde: Mammoet kan zich al niet op de uitzondering van art. 12 VN Pro-verdrag beroepen, omdat de aard van de door haar van Irak gevorderde schade niet onder het bereik van deze bepaling valt [52] .
acta iure imperiiworden beschouwd. Daarover bestaat volgens mij welbeschouwd ook geen discussie [53] . Mammoet bepleit echter dat in een
contextuelebenadering, waarin de rechter de aard van de handeling in het licht van het doel of de motivatie van de transactie interpreteert, toch geen sprake is van
acta iure imperiien aan Irak dus geen immuniteit van jurisdictie zou toekomen [54] . Volgens de door Mammoet ingeschakelde expert Ryngaert zijn in de Nederlandse rechtspraak al aanwijzingen te vinden voor een dergelijke contextuele benadering [55] . Een aanwijzing voor deze contextuele benadering zie ik in de genoemde vindplaats niet [56] . Ryngaert onderbouwt de contextuele benadering verder met name met verwijzingen naar het al aangehaalde Oxford-commentaar bij het VN-verdrag [57] . Ik citeer de relevante passage uit dit commentaar: [58]
c)(iii). In such circumstances, what is usually by far the more difficult task than characterizing and categorizing the contract or transaction is,
as a precondition to such characterization and categorization, identifying precisely the subject-matter to which the proceeding, and therefore to which the questions of the State’s immunity from jurisdiction, is referable – or, putting it another way, determining whether, in the words of Article 10(1)’s embodiment of the commercial transaction exception, the proceeding is one ‘arising out of [a] commercial transaction’. This task, performed by courts often ‘unconsciously and without much reflection’, is referred to in the literature as ‘individuation’, and requires the court to differentiate between, on the one hand, the immediate or proximate and, on the other, the remote or ulterior aspects of the claim.
c)(iii) that is most likely to lead to divergence between courts, even within the same jurisdiction, and (where permitted) among individual judges in the same case. As in some national case-law outside the confines of the Convention, it may be that whether a given contract or, more likely, other transaction is to be considered commercial, industrial, trading, or professional in nature will depend on a sort of preponderance test, according to which the chief aspects of the contract or other transaction are taken to determine its nature. Equally, it may be possible, particularly in cases involving change in the nature of a transaction over time, to tease apart distinct stages or other elements of the transaction and to focus on that state or element out of which the claimant’s cause of action most directly arises. Either way, the Convention itself provides no guidance on the question.’ (onderstreping toegevoegd en voetnoten weggelaten, A-G)
I Congreso del Partido-zaak – ‘what is the relevant act?’ [63] In de onderhavige zaak staat echter niet ter discussie
welkhandelen moet worden beoordeeld. Dat is het handelen van de Iraakse marine vanaf 18 augustus 2015 (zie ook 1.5 hiervoor) [64] en dus niet eerdere handelingen en/of gedragingen van andere partijen zoals BOC of het Iraakse ministerie van Olie (zie over dat laatste nader de bespreking van onderdeel E).
is]
gebaseerd opeen ‘commercial transaction’ in de zin van art. 10 jo Pro. art. 2 lid 2 van Pro het VN-verdrag’ (cursivering toegevoegd, A-G). Dat lijkt mij een verwijzing naar het element ‘arising out of’ in art. 10 lid 1 VN Pro-verdrag (zie de onderstreepte passage in 3.11 hiervoor), dat het hof heeft geciteerd in rov. 5.7 [65] . Dit oordeel van het hof over ‘individuation’ wordt in cassatie als zodanig niet bestreden en daarmee is het pleit al voor een belangrijk deel beslecht.
verfijningvan de aardtoets (die op grond van art. 2 lid 2 VN Pro-verdrag tot uitgangspunt moet worden genomen), ofwel weer in de woorden van Lord Wilberforce in de
I Congreso del Partido-zaak, dat ‘the court must consider the whole context in which the claim against the state is made’ [66] . Lord Wilberforce bedoelt daarmee dat ‘the purpose (…) is not decisive but it may throw some light upon the nature of what whas done’ [67] . Deze [68] contextuele benadering moet echter niet verward worden met de daaraan
voorafgaande‘individuation’-kwestie [69] . Bij de beoordeling van het relevante handelen van in dit geval de Iraakse marine kan het achterliggende doel of motief weliswaar worden betrokken, maar – zo onderkent ook Lord Wilberforce in de
I Congreso del Partido-zaak – dit gaat niet zover dat ‘the existence of a governmental purpose or motive will (…) convert what would otherwise be an act jure gestionis, or an act of private law, into one done jure imperii (…)’ [70] . Anders gezegd kan de contextuele benadering de aard van het handelen wel inkleuren, maar niet van kleur doen verschieten. Dit laatste is wel wat Mammoet kennelijk met de toepassing van de contextuele benadering beoogt. Het inzetten van de Iraakse marine met volgens Mammoet het doel om de commerciële belangen van staatsonderneming BOC veilig te stellen, zou het op zichzelf duidelijke overheidshandelen van Irak alsnog van kleur doen verschieten in een commerciële transactie [71] .
I Congreso del Partido-zaak gepropageerde contextuele benadering wordt weliswaar toegepast in Engeland en andere common law-staten [74] en Mammoet beroept zich in cassatie verder op uitspraken uit enkele andere staten (zoals België [75] , Zweden [76] en Frankrijk [77] ), maar zij onderkent tegelijkertijd ook dat wat de toepassing van deze contextuele benadering betreft (nog) geen sprake is van een algemene statenpraktijk en van een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging [78] . De zogeheten
opinio iurusdie noodzakelijk is om een regel van internationaal gewoonterecht aan te nemen [79] , ontbreekt (vooralsnog).
niet allebepalingen uit het VN-verdrag een codificatie van internationaal gewoonterecht behelzen [82] .
acta iure imperiiop grond waarvan aan Irak immuniteit van jurisdictie toekomt.
commerciëletransactie. Op grond van art. 2 lid 2 VN Pro-verdrag moet het commerciële karakter van de transactie primair aan de hand van de aard van de transactie worden bepaald. De twee in de bepaling genoemde uitzonderingen daarop zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde. Niet gesteld of gebleken is dat Mammoet en Irak zijn overeengekomen (‘if the parties to the contract or transaction have so agreed’) dat het doelcriterium moet worden toegepast. De tweede uitzondering doet zich evenmin voor. Zoals blijkt uit onder meer de al aangehaalde HR-rechtspraak inzake
Russische Federatie/Pied-Richen
Marokko/De Trappenbergwaar het hof in rov. 5.12 naar verwijst, wordt het doelcriterium in de praktijk van de forumstaat (lees: Nederland) niet gehanteerd (‘if, in the practice of the State of the forum, that purpose is relevant to determining the non-commercial character of the contract or transaction’).
acta iure gestionis [88] . Dat het VN-verdrag op dit punt een codificatie van het internationale gewoonterecht betreft, wil niet zeggen dat
allebepalingen uit het VN-verdrag als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt. Ook dat kan worden beschouwd als vaste rechtspraak van de Hoge Raad [89] . Het hof heeft in rov. 5.6 derde zin dan ook terecht overwogen dat het VN-verdrag weliswaar een gezaghebbende bron is, maar dat de rechter steeds zal moeten onderzoeken of de voor het geschil relevante bepalingen van het VN-verdrag het internationaal gewoonterecht reflecteren. Hier loopt de klacht al op stuk.
losvan de bepalingen van het VN-verdrag – dus
directgetoetst aan het (ongeschreven) internationaal gewoonterecht – sprake is van
acta iure imperii. Mammoet onderkent dat het hof op deze kwestie ingaat in rov. 5.15-5.16 (s.t. Mammoet 3). Volgens Mammoet zijn deze overwegingen echter ‘dubbelzinnig’ (s.t. Mammoet 4), maar dat zie ik niet. Het hof geeft in rov. 5.16, eerste zin, weer dat Mammoet kennelijk het oog heeft op ongeschreven regels van internationaal gewoonterecht (los van de bepalingen van het VN-verdrag [92] ) waaruit zou (kunnen) volgen dat het handelen van de Iraakse marine geen
acta iure imperiizou betreffen. De primaire respons van het hof op dat betoog van Mammoet is in rov. 5.16 tweede zin, onder verwijzing naar rov. 5.6, dat het VN-verdrag dat internationale gewoonterecht op dit punt codificeert en dat dat tot uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling of terecht een beroep wordt gedaan op immuniteit van rechtsmacht. Het hof heeft daaraan in rov. 5.16 laatste zin nog toegevoegd dat het ook anderszins – ‘in aanvulling op, of in afwijking van de bepalingen van het VN-verdrag’ – oftewel:
directgetoetst aan het internationaal gewoonterecht, ‘geen aanleiding’ ziet te oordelen dat ‘de gedragingen van de Iraakse marine – alle omstandigheden in aanmerking genomen – geen
acta iure imperiizijn’. Laatstgenoemd oordeel houdt, zoals hierna in de verdere bespreking zal blijken, volgens mij stand in cassatie. Daarmee kan in het midden blijven in hoeverre art. 10 jo Pro. art. 2 VN Pro-verdrag 100% internationaal gewoonterecht reflecteren. Voor zover wordt vooruitgelopen op de onderdelen B en C, deelt de klacht het lot van die klachten, aan welke bespreking ik hierna toekom.
uitsluitendheeft getoetst aan het VN-verdrag, terwijl het gaat om de vraag of Irak een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt op grond van het internationale gewoonterecht als zodanig. Er is geen plaats voor het toekennen van immuniteit van rechtsmacht op grond van ‘enige verdergaande ‘Nederlandse’ invulling van immuniteit van jurisdictie dan het internationale gewoonterecht vereist’, aldus de klacht. Door de beoordeling te beperken tot een toetsing aan het VN-verdrag heeft het hof bovendien de grenzen van de rechtsstrijd miskend, althans een verrassingsbeslissing gegeven. Geen van partijen heeft immers gesteld dat de vraag of Irak immuniteit van jurisdictie toekomt uitsluitend aan de hand van het VN-Verdrag moet worden beoordeeld of dat de rechter bij zijn beoordeling van deze kwestie het VN-verdrag tot uitgangspunt moet nemen.
acta iure imperiiop grond waarvan Irak zich op immuniteit van rechtsmacht kan beroepen. De klacht neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof uitsluitend aan het VN-verdrag heeft getoetst, zoals al is besproken bij onderdeel A. Van ‘enige verdergaande ‘Nederlandse’ invulling’ door het hof is geen sprake, zodat dat deel van de klacht ook feitelijke grondslag mist. Van miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd of een verrassingsbeslissing is hier geen sprake.
acta iure imperii) dient te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moet met andere woorden de context worden meegewogen [94] . Het is wellicht mogelijk om, zonder kennis te nemen van de omstandigheden van het geval, te bepalen of de
handelende partijeen zeker karakter heeft (zoals van een oorlogsschip), maar niet (zonder meer) of
de handelingtypisch publiek handelen betreft. De klacht doet verder een beroep op de ratio van het door de Hoge Raad aanvaarde ‘aard’-criterium, namelijk dat het motief als criterium te weinig onderscheidend vermogen heeft [95] . Het beslissend achten van de aard en niet het motief van de handeling is niet bedoeld om, spiegelbeeldig, casusposities waarin immuniteit van jurisdictie wordt aangenomen, te verruimen.
I Congreso del Partido-zaak, is dat tevergeefs om de redenen uiteengezet in 3.14-3.15. Wat het onderscheid tussen de
handelende partijen de
handelingbetreft, verwijs ik kortheidshalve terug naar 3.12. De klacht voert verder op zichzelf terecht aan dat het motief als criterium te weinig onderscheidend vermogen heeft. Dat laat zich ook aan de hand van de onderhavige casus illustreren. Mammoet stelt dat het motief voor het handelen van de Iraakse marine het veiligstellen van de commerciële belangen van BOC is, wat dan zou moeten leiden tot het niet-toekennen van immuniteit van rechtsmacht hier. Het hof heeft echter ook op een ander motief voor de weigering gewezen, namelijk dat de Iraakse marine in het kader van de uitoefening van overheidstaken toezicht hield op het scheepsverkeer (rov. 5.9). Het laatste motief duidt op typisch publiek handelen, terwijl het eerste daar mogelijk niet op duidt, als Mammoet hierin al gelijk zou hebben. Niet direct duidelijk is welk motief dan zwaarder zou moeten wegen [96] . Het argument dat de aard-toets niet is bedoeld om casusposities waarin immuniteit van jurisdictie wordt toegekend te verruimen, kan Mammoet ook niet baten. Het is op zichzelf juist dat de aard-toets daar niet voor is bedoeld. Als naar de aard duidelijk sprake is van typisch publiek handelen, is dat echter geen verruiming van casusposities waarin immuniteit van jurisdictie wordt aangenomen, maar wordt immuniteit juist toegekend waarvoor dat is bedoeld: typisch overheidshandelen.
acta iure imperiizijn maar
acta iure gestionis, althans dat zonder toereikende motivering verworpen. Met de overweging in rov. 5.13 dat de feiten en omstandigheden die Mammoet heeft aangevoerd bij cva incident p. 23-33 geen nadere bespreking behoeven, laat het hof ten onrechte Mammoets stellingen over de in onderdeel C bedoelde context van de gewraakte handelingen van Irak buiten beschouwing [97] . Voor zover het hof deze stellingen niet buiten beschouwing heeft gelaten, maar van oordeel is dat zij nog niet maken dat de gewraakte handelingen van Irak geen
acta iure imperiizijn, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. In het licht van de uitgebreid gemotiveerde stellingname door Mammoet was een nadere onderbouwing vereist dan de overweging in rov. 5.13 dat de stellingen van Irak er nog niet toe leiden dat de gedragingen van Irak een commercieel of privaatrechtelijk karakter hebben, althans dat de gedragingen in overwegende mate commercieel of privaatrechtelijk van aard zijn.
iure gestionis, zoals hiervoor in de inleiding is besproken. Dat Mammoet uitgebreid gemotiveerd anders heeft betoogd doet daaraan niet af. Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering. Hier loopt de motiveringsklacht op stuk.
voorvraag van ‘individuation’, hiervoor besproken in 3.12. Wanneer (ook) handelen van het Ministerie van Olie in de onderhavige zaak zou voorliggen, dan ligt het relevante handelen mogelijk vroeger dan het optreden van de Iraakse marine vanaf 18 augustus 2015, dat ook ‘dichter’ zit op de overeenkomst tussen Mammoet en BOC [99] .
buitende grenzen van de rechtsstrijd zoals die door partijen in hoger beroep zijn getrokken, te onderzoeken of art. 6 EVRM Pro wordt geschonden door aan Irak immuniteit van jurisdictie te verlenen. Dat lijkt mij niet (in deze zaak). Het EVRM bevat geen plicht tot ambtshalve toetsing en ook volgens het EHRM bestaat voor de nationale rechter geen verplichting ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen of aan de door het EVRM beschermde grondrechten te toetsen [106] . In de literatuur wordt wel gewezen op de mogelijkheid dat een
evidenteschending van een EVRM-bepaling ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd moet kunnen worden geconstateerd [107] . Van een evidente schending van art. 6 EVRM Pro lijkt mij in dit geval geen sprake. Het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro, is niet absoluut. Een beperking van dit recht is dus mogelijk en moet een
legitiem doelhebben
proportioneelzijn ten opzichte van dat doel (de proportionaliteitstoets) [108] . Het EHRM heeft geoordeeld dat het toekennen van immuniteit van jurisdictie aan een staat zo’n legitiem doel kan zijn en dat er in beginsel geen sprake is van een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro, indien de maatregelen die de verdragsstaat heeft getroffen in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde volkenrechtelijke regels inzake de immuniteit van jurisdictie [109] .
binnende grenzen van de rechtsstrijd onderzoeken of art. 6 EVRM Pro wordt geschonden door aan Irak immuniteit van jurisdictie te verlenen? Op grond van art. 25 Rv Pro is de rechter verplicht ambtshalve rechtsgronden aan te vullen. De rechter moet toepassing geven aan art. 25 Rv Pro bij kwesties die van openbare orde zijn. In hoger beroep wordt de toepassing van art. 25 Rv Pro verder beperkt door het grievenstelsel. Het hof mag in beginsel de rechtsgronden alleen op de voet van art. 25 Rv Pro aanvullen
binnen het door de grieven ontsloten gebied [110] .
nietvan openbare orde is [111] . Voor de vraag of het hof art. 25 Rv Pro in dit verband heeft geschonden, komt het dus aan op het partijdebat. Zoals door Mammoet zelf wordt onderkend [112] , stond haar beroep op art. 6 EVRM Pro in eerste aanleg in de sleutel van haar betoog over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als het
forum necessitatis. De rechtbank heeft dat betoog uitdrukkelijk buiten beschouwing gelaten in rov. 5.9 van haar vonnis (zie 2.4 hiervoor). Mammoet heeft hiertegen geen grieven gericht (zo ook s.t. Irak 9.2-9.3). Mammoet heeft verder onderkend dat zij zich pas bij pleidooi in appel [113] uitdrukkelijk heeft beroepen op art. 6 EVRM Pro voor de vraag of Irak immuniteit van jurisdictie toekomt. In Mammoets plta HB staat hierover het volgende:
rechtsmacht van de Nederlandse rechter als het
forum necessitatisstellingen had moeten ontwaren over de onaanvaardbaarheid van het voorleggen van de zaak aan de Iraakse rechter, die het had moeten beoordelen als feitelijke grondslag voor het beroep op art. 6 EVRM Pro in het kader van de vraag of aan Irak immuniteit van jurisdictie toekomt. Dat lijkt mij niet. Ten eerste betreft dit een aan de feitenrechter toekomende uitleg van de gedingstukken [114] . Het komt mij niet onbegrijpelijk voor dat het hof de stellingen over onaanvaardbaarheid van het voorleggen van de zaak aan de Iraakse rechter niet in de sleutel van art. 6 EVRM Pro heeft geplaatst. Daarvoor is ook illustratief plta HB Mammoet, waarin deze stellingen uitdrukkelijk in een andere sleutel staan, te weten van het
forum necessitatis-betoog:
VI. FORUM NECESSITATIS EN FORUM ARRESTI
forum necessitatis-bepaling. Onder de in haar processtukken zeer uitgebreid weergegeven omstandigheden – nog eens samengevat in hoofdstuk IV. in de pleitaantekeningen in eerste aanleg – is het onaanvaardbaar om van Mammoet te verlangen dat zij haar geschil met de Republiek Irak aan de Iraakse rechter voorlegt. Het gebrekkige Iraakse rechtssysteem is simpelweg niet toegerust om Mammoet een eerlijk proces te bieden, laat staan een onafhankelijk oordeel te laten vellen in een politieke en economisch beladen zaak. Bovendien leent de ernstige veiligheidssituatie van Irak zich niet voor het door een Nederlandse onderneming voeren van een procedure ter plaatse. De situatie is dermate precair en onveilig dat het onaanvaardbaar is om Mammoet in Irak te laten procederen.
[…] /Voormalige Israëlische legerfunctionarissenuit de EHRM-rechtspraak heeft afgeleid dat ‘in dit verband [in het kader van de vraag of (functionele) immuniteit van jurisdictie een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert, A-G] niet van belang [is] of de rechtzoekende een alternatief forum ter beschikking staat’ (rov. 3.5.2, hiervoor geciteerd in 3.2). Die zaak ging weliswaar over functionele immuniteit (de immuniteit die overheidsfunctionarissen genieten in verband met de gedragingen die zij in een officiële hoedanigheid verrichten [116] ), terwijl de aangehaalde EHRM-rechtspraak betrekking heeft op immuniteit van jurisdictie van staten, maar dat maakt geen verschil voor de vraag of art. 6 EVRM Pro wordt geschonden door toekenning van immuniteit van rechtsmacht, zo ook de conclusie van A-G Vlas voor
[…] /Voormalige Israëlische legerfunctionarissen [117] . Mammoet probeert hier nog een draai aan te geven met het betoog dat de Hoge Raad in
[…] /Voormalige Israëlische legerfunctionarissen‘een te verstrekkende uitleg van de rechtspraak van het EHRM’ heeft gegeven (s.t. 64), maar dat kan in het midden blijven hier [118] . Ook als de ‘minder verstrekkende’ uitleg van de EHRM-rechtspraak die door Mammoet wordt voorgestaan wordt gevolgd, geldt immers dat zij in de onderhavige zaak onvoldoende heeft gesteld om schending van art. 6 EVRM Pro te kunnen aannemen. In bedoelde uitleg van Mammoet heeft te gelden dat de
enkele omstandigheiddat de rechtzoekende geen redelijk alternatief heeft niet maakt dat daardoor sprake is van strijd met art. 6 EVRM Pro [119] . Voor zover al aangenomen zou moeten worden dat een alternatieve rechtsgang voor Mammoet ontbrak [120] , is dat ook volgens deze minder verstrekkende uitleg van de EHRM-rechtspraak van Mammoet
niet voldoendevoor het kunnen aannemen van een schending van art. 6 EVRM Pro.
[…] /Nederlandniet mee begonnen). Hoewel immuniteit van jurisdictie naar zijn aard de toegang tot de overheidsrechter beperkt, is dat volgens de huidige stand van de EHRM-rechtspraak zowel
legitiem, als
proportioneel [121] , zodat dat geen schending van art. 6 EVRM Pro oplevert. Uit de in voetnoot 119 vermelde EHRM-rechtspraak volgt dat het niet ter beschikking staan van een andere rechtsgang (nog) niet als uitzondering is aanvaard op de toepassing van immuniteit van jurisdictie voor vreemde staten [122] .
niethet geval lijkt te zijn), kan hier van schending van dat artikel geen sprake zijn, omdat het verlenen van immuniteit van jurisdictie een
legitiemdoel dient en
proportioneelis – voor zover al een proportionaliteitstoets zou moeten worden uitgevoerd; althans heeft Mammoet onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat geen sprake is van proportionaliteit, gegeven de besproken vaste EHRM-rechtspraak over proportionaliteit in dit verband (tot nu toe).