ECLI:NL:PHR:2025:844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt opzettelijke invoer cocaïne en wijst verzoek videoconferentie af
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens opzettelijke invoer van cocaïne op Schiphol. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en oordeelde dat de verdachte willens en wetens de cocaïne had ingevoerd.
Namens de verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend: het eerste gericht tegen de afwijzing van het verzoek om via videoconferentie deel te nemen aan de terechtzitting vanuit Curaçao, het tweede tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet. De Hoge Raad verwierp beide middelen.
Het hof had het verzoek tot aanhouding afgewezen omdat de verdachte bewust naar Curaçao was vertrokken en daarmee het risico nam de schorsingsvoorwaarde te overtreden en niet aanwezig te zijn. De Hoge Raad bevestigde dat het recht op aanwezigheid via videoconferentie geen absoluut recht is en dat het belang van een voortvarende afdoening kan prevaleren.
Ten aanzien van het opzet oordeelde de Hoge Raad dat de bewijsvoering, waaronder de algemene ervaringsregel dat een passagier geacht wordt kennis te hebben van zijn bagage, voldoende was gemotiveerd en niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn en achtte dat reden voor strafvermindering, maar zag geen reden tot vernietiging van het arrest voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzettelijke invoer van cocaïne en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.