ECLI:NL:PHR:2025:294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling verweer civiele procedure wegens nemo tenetur-beginsel bij strafzaak
In deze zaak vordert de eiser schadevergoeding van de verweerder naar aanleiding van een steekincident tijdens een familiefeest. De eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor zware mishandeling, maar heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. In de civiele procedure hebben rechtbank en hof geoordeeld dat de eiser de stellingen onvoldoende heeft betwist, waardoor de vordering is toegewezen.
De eiser klaagt in cassatie dat het hof heeft miskend dat het nemo tenetur-beginsel, zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro, hem vrijstelt van de verplichting tot gemotiveerd verweer in de civiele procedure, omdat dit verweer tegen hem gebruikt kan worden in de strafzaak. Tevens stelt hij dat de civiele procedure ambtshalve had moeten worden aangehouden tot de strafzaak is afgerond.
De Hoge Raad overweegt dat het nemo tenetur-beginsel geen onvoorwaardelijk recht is en dat de civielrechtelijke regels van stelplicht en bewijslast ook gelden voor een partij die verdachte is in een strafzaak. De rechten van de wederpartij in de civiele procedure wegen in beginsel zwaarder dan het nemo tenetur-beginsel. Wel kan het nemo tenetur-beginsel leiden tot een rechterlijke restrictie dat bepaalde informatie niet strafrechtelijk gebruikt mag worden, maar dat is hier niet aan de orde gesteld.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de civiele procedure niet ambtshalve hoeft te worden aangehouden. De eiser heeft geen voldoende onderbouwing gegeven van zijn belangen en heeft zich niet expliciet op het nemo tenetur-beginsel beroepen. Daarmee blijft de civiele procedure voortgezet en is de schadevergoedingsvordering van de verweerder terecht toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de civiele procedure wordt voortgezet en de schadevergoedingsvordering toegewezen.