Conclusie
hierna: de man,
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
-
primairvoor recht te verklaren of te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 juni 2023 eindigt, althans op nihil wordt bepaald, althans aanzienlijk wordt gematigd;
-
subsidiairde beschikking van het hof van 4 februari 2020 te wijzigen, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2023 op nihil wordt gesteld, dan wel te verlagen tot een bedrag niet hoger dan € 2.000,- bruto per maand, althans tot een bedrag dat aanzienlijk lager is dan € 25.377,- bruto per maand;
-
voorwaardelijk: de wettelijke indexering voor de resterende looptijd van de alimentatie uit te sluiten;
- de vrouw te veroordelen de onverschuldigd betaalde alimentatie aan de man terug te betalen, althans de man te machtigen de onverschuldigd betaalde alimentatie te verrekenen met eventueel toekomstige verschuldigde termijnen en/of het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland.
Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de op grond van deze beschikking onverschuldigd betaalde partneralimentatie aan de man moet terugbetalen, uiterlijk op de datum van de overdracht van de woning in Nieuw-Zeeland en dat de man de te veel ontvangen partnerbijdrage mag verrekenen met het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland.
De rechtbank heeft verder bepaald dat de wettelijke indexering van de te betalen partneralimentatie met ingang 1 januari 2024 wordt uitgesloten.
-
primairvoor recht te verklaren of te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man op grond van grievend gedrag met ingang van 1 juni eindigt, althans deze met ingang van die datum op nihil te stellen of te verlagen;
-
subsidiairde beschikking van het hof van 4 februari 2020 te wijzigen in die zin dat de door hem verschuldigde alimentatie met ingang van 1 augustus 2021, althans 1 juni 2023 op nihil wordt gesteld, of met ingang van een door het hof juist te achten datum wordt gesteld op een bedrag van niet hoger dan € 4.500,- bruto per maand, althans zeer aanzienlijk lager dan € 26.951,- of € 10.520,- bruto per maand;
-
voorwaardelijkde alimentatieverplichting in duur te beperken althans op nihil te stellen tot/per de datum van de feitelijke overdracht van de eigendom van de woning in Nieuw-Zeeland.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iwordt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan de orde gesteld.
Onderdelen II en IIIbevatten klachten met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw.
Onderdeel Vricht zijn pijlen op het oordeel van het hof over de draagkracht van de man.
Onderdeel VIbestrijdt het oordeel van het hof dat onvoldoende grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering.
Onderdelen IV en VIIbevatten voortbouwklachten.
Wel dient ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [14]
ex nunc. Daarbij kunnen ook omstandigheden betrokken worden die al bestonden ten tijde van de eerdere beschikking, maar die in die procedure niet werden opgevoerd. [19]
onderdeel Ikomt de man op tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.13, waarin het hof de in de vaststellingsprocedure bij beschikking van 4 februari 2020 bepaalde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw overneemt. Ik citeer, inclusief de relevante daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen:
Behoefte
subonderdeel I.1wordt geklaagd dat het oordeel van het hof, in navolging van de door het hof aangehaalde A-G, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt in het subonderdeel in de eerste plaats betoogd dat – indien in de
eerdere procedure,waarin de behoefte van de vrouw is vastgesteld, is uitgegaan van hetzij een onjuiste maatstaf ten aanzien van stelplicht en bewijslast en/of de man zich in die procedure niet naar behoren heeft kunnen verdedigen, omdat de vrouw haar behoefte op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd – per definitie sprake is van een beslissing op basis van onjuiste of onvolledige gegevens en dat de man dat in een artikel 1:401 BW Pro-procedure dus opnieuw aan de orde dient te stellen.
In vervolg daarop wordt betoogd dat in de
nieuwe wijzigingsprocedurezelfstandig en opnieuw beoordeeld dient te worden of de vrouw nu wel op grond van artikel 21 Rv Pro en artikel 149 Rv Pro aan haar stelplicht heeft voldaan en wel op een zodanige manier dat de man zich daartegen naar behoren kan verweren. Daarbij wordt, vooruitlopend op subonderdeel I.2, erop gewezen dat de rechter in de wijzigingsprocedure een complete herbeoordeling, ook van de behoefte, moet maken.
Geklaagd wordt dat, nu de vrouw in de artikel 1:401 BW Pro-procedure – andermaal – nalaat om de tot haar domein behorende stukken ter onderbouwing van haar huwelijksgerelateerde behoefte op basis van artikel 21 Rv Pro, de domeinleer en artikel 149 Rv Pro in het geding te brengen, het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd is dat
de mante weinig voor een wijziging zou hebben gesteld. Daarmee wordt de vrouw beloond voor het (stelselmatig) niet geven van inzage in de stukken die voor de uitkomst van de procedure van belang (kunnen) zijn en waarvan de vrouw, ook in de wijzigingsprocedure, een (mogelijk zelfs verzwaarde) stelplicht heeft, aldus het subonderdeel.
subonderdeel I.2.1gaat het om de
herbeoordeling door de rechterin een wijzigingsprocedure, in dit geval van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. In de kern wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.13 miskent dat als een rechter een partij ontvankelijk acht in zijn wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW Pro, een
volledige herbeoordelingdient plaats te vinden, zowel van de draagkracht als de behoefte en de behoeftigheid. Het subonderdeel betoogt verder dat het hof miskent dat in een wijzigingsprocedure het gezag van gewijsde niet van toepassing is. De man wijst erop dat de rechter, die heeft geoordeeld dat een partij ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW Pro, niet gebonden is aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht.
Ook in dit subonderdeel wordt weer aangevoerd dat de alimentatiegerechtigde in een procedure op grond van artikel 1:401 BW Pro opnieuw voldoende dient te stellen dat er (van aanvang af en nog steeds) behoefte c.q. behoeftigheid is. Dit betekent volgens de man dat de vrouw in deze wijzigingsprocedure haar behoefte en behoeftigheid naar behoren had moeten onderbouwen.
subonderdeel I.2.2staat de
stelplicht van de vrouwcentraal. In de kern wordt geklaagd dat het hof in r.o. 5.13 bij de herbeoordeling
ex nuncvan de behoefte van de vrouw is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de stelplicht van de vrouw als alimentatiegerechtigde, althans dat zijn oordeel gelet hierop onbegrijpelijk is. Volgens de man moet de vrouw als partij die alimentatie verzoekt ten aanzien van haar behoefte en behoeftigheid concreet die rechtsfeiten stellen en bij betwisting bewijzen, waaruit volgt wat die behoefte en behoeftigheid zijn en kan niet volstaan worden met het verwijzen naar een in een eerdere procedure vastgestelde behoefte.
Voor zover in de wijzigingsprocedure op de man als alimentatieplichtige de bewijslast rust dat de vrouw niet langer behoefte heeft of behoeftig is, wordt in het subonderdeel aangevoerd dat op de vrouw dan een verzwaarde stelplicht rust ten aanzien van de tot haar domein behorende feiten op grond van artikel 149 Rv Pro, de domeinleer en artikel 21 Rv Pro.
subonderdeel I.2.3draait het om de
stelplicht van de man. In het kader van de beide voorgaande subonderdelen en los daarvan, wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de man te weinig heeft gesteld voor een herbeoordeling van de huwelijksgerelateerde behoefte onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de vrouw, kort weg, niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daarnaast wordt door de man betoogd dat de herkansingsfunctie van artikel 1:401 BW Pro meebrengt dat de man, in geval van een beslissing op grond van onjuiste of onvolledige gegevens in een eerdere procedure, dit in een nieuwe procedure aan de orde kan stellen en daarbij in die eerdere procedure aangevoerde argumenten naar voren kan brengen.
Verder voert de man aan dat hij gedurende de gehele procedure wel datgene heeft aangevoerd wat hij in redelijkheid kon aanvoeren. [23] De man trekt daaruit de conclusie dat hij naar vermogen (en dus voldoende) gesteld en onderbouwd heeft dat de in de eerdere procedure door het hof vastgestelde behoefte van aanvang af niet aan de eisen heeft voldaan en dat de vrouw ook nu niet de door haar gestelde behoefte heeft. De man heeft alles aangevoerd wat binnen zijn vermogen lag, heeft op elk moment aangevoerd dat de vrouw nadere stukken in het geding moest brengen, heeft in dat verband een beroep gedaan op de artikelen 21, 22, 149 en 843a Rv, en heeft met voorbeelden aangegeven dat en waarom de vrouw kennelijk aanzienlijke bedragen moet hebben overgehouden en aan andere zaken dan kosten voor huishouding moet hebben besteed.
In dit verband is het volgens de man ook onjuist en onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de stelling van de man dat uit het feit dat de vrouw een hoog bedrag heeft gespendeerd aan proceskosten volgt dat zij meer financiële ruimte heeft dan gedacht, onvoldoende is om te spreken van feiten of omstandigheden die maken dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden aangepast. [24] Ook wordt geklaagd dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat de vrouw gemotiveerd zou hebben betwist dat zij geld heeft kunnen overhouden. De onderbouwing van de vrouw is in dit verband onvoldoende. Zij geeft daarmee geen sluitend en onderbouwd verloop van de betaalde € 1,5 miljoen aan alimentatie. Het hof miskent met zijn oordeel de maatstaf van artikel 149 Rv Pro, althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de man.
Voor zover het hof van oordeel was dat de man zijn puntsgewijze betwisting in eerste aanleg [25] ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte woordelijk had moeten herhalen, heeft het hof daarmee de devolutieve werking van het appel miskend, dan wel gelet daarop een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het slot van dit subonderdeel.
huwelijksgerelateerdebehoefte en niet op de behoeftigheid of aanvullende behoefte van de vrouw. Voor zover de klachten ervan uitgaan dat het oordeel van het hof ook ziet op de behoeftigheid of aanvullende behoefte van de vrouw falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel I.4dat lot en slaagt geen van de subonderdelen van onderdeel I.
tweede onderdeelis in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.4 dat niet gebleken is dat de vrouw zonder redelijke grond rechtsmiddelen heeft ingezet.
Het onderdeel richt zich verder tegen de oordelen in r.o. 5.15 en r.o. 5.19 inzake de verdiencapaciteit van de vrouw. Betoogd wordt dat het hof in deze rechtsoverwegingen enerzijds oordeelt dat niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij weer betaalde werkzaamheden gaat verrichten. Anderzijds, aldus het onderdeel, is het hof van oordeel dat het niet onbegrijpelijk is dat de vrouw de wens had de woning in Nieuw-Zeeland te behouden en de hoop had daar te kunnen blijven wonen en ermee inkomsten te kunnen verwerven door de B&B te (blijven) runnen. Hierdoor, zo vervolgt het onderdeel, kan het de vrouw volgens het hof niet worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te houden en acht het hof het niet redelijk om het gegeven dat de woning nog niet verkocht was op 1 juni 2023 volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan het vervolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien.
Ook richt het onderdeel zich tegen r.o. 5.25, waarin het hof oordeelt dat, in de bewoordingen van het onderdeel, “de man maar een wijzigingsprocedure moet opstarten” zodra de woning in Nieuw-Zeeland is verkocht en dat hij thans moet worden geacht de alimentatie te voldoen maar dat dat niet voor de gehele duur geldt.
Grievend gedrag/misbruik van procesrecht
maar dat niet is gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen zonder enige redelijke grond door haar zijn ingezet. Het hof neemt die overweging over en maakt die tot de zijne. Ten aanzien van de door de man gestelde beledigende uitlatingen van de vrouw overweegt het hof dat indien zou komen vast te staan dat de vrouw dergelijke uitlatingen heeft gedaan, die niet als zodanig grievend aan zijn aan te merken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt van de man. Deze door de man gestelde gedragingen kunnen ook niet als zodanig grievend worden aangemerkt dat de alimentatie niet in volle omvang in stand kan blijven en dient te worden gematigd.
De vrouw had willen terugkeren naar haar geboorteland Nieuw-Zeeland en hoopte te kunnen wonen in de woning en er bovendien inkomsten mee te kunnen verwerven door de B&B te (blijven) runnen. Dat zij de wens had om de woning te behouden, is niet onbegrijpelijk. De vrouw heeft de juridische middelen die zij had, ingezet voor dat doel en daarmee heeft zij - al dan niet bedoeld - voor vertraging gezorgd.
Dat de vrouw gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden, kan haar naar het oordeel van het hof niet worden tegengeworpen. Bovendien valt de vertraging niet alleen de vrouw te verwijten. Zo is het haar niet aan te rekenen dat, nadat zij in hoger beroep was gekomen van het vonnis van 22 juli 2020 (waarin zij was veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning), het arrest van dit hof tot 13 juni 2023 op zich heeft laten wachten. Het hof wijst erop dat ook de man in incidenteel hoger beroep grieven heeft gericht tegen het vonnis van 22 juli 2020. Ook nadat de vrouw op 11 juli 2023 een volmacht had getekend bij de notaris betreffende de verkoop van de woning, heeft het nog maanden geduurd voordat de woning daadwerkelijk door de man te koop werd gezet.
Het hof acht het dan ook niet redelijk om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 nog niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan vervolgens het gevolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien. Deze gevolgtrekking acht het hof eens te meer onredelijk, omdat de vrouw sinds het arrest van 13 juni 2023 geen zeggenschap heeft over het verkoopproces van de eigendom waarin zij voor de helft medegerechtigde is. Zij heeft dus geen invloed op het moment van verkoop en de verkoopprijs van de woning die zij in mede-eigendom heeft.
betekent dit wel dat partijen, of één van hen, opnieuw de partneralimentatie aan de orde kunnen stellen zodra de woning is verkocht. In dat kader wijst het hof er nu reeds op dat er bij de verkoop van de woning voor de vrouw niet ‘enig’ vermogen beschikbaar komt maar naar verwachting een vermogen van een substantiële omvang.”
subonderdeel II.3klaagt de man dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.4 en 5.19 het partijdebat miskent en essentiële stellingen passeert en dat dit oordeel in strijd met artikel 149 en Pro 150 Rv is, althans dat het onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd is. In dit verband wijst de man op een aantal stellingen en omstandigheden, waaraan de man – kort gezegd – de conclusie verbindt dat het hof niet tot zijn oordeel heeft kunnen en mogen komen.
klachtendat het oordeel van het hof dat de vertraging van de verkoop niet uitsluitend voor rekening en risico van de vrouw komt rechtens onjuist, onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd is. Aansluitend werpt de man de
motiveringsklachtop dat onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 5.4 het oordeel van de rechtbank overneemt dat niet zou zijn gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen zonder enige rechtsgrond zijn ingezet.
De man voert aan dat zijn stellingen niet anders kunnen worden begrepen dan dat de vrouw tegen beter weten in kansloze procedures heeft gevoerd, waarbij de woning door de vrouw in zodanige staat is gebracht dat die niet zonder nadere werkzaamheden daaraan verkocht kon worden. Daaruit volgt dat elke vertraging van de verkoop volledig door toedoen van de vrouw is veroorzaakt, waarmee de vrouw het dus zelf in de hand heeft gewerkt dat zij nog niet eerder over haar deel van de overwaarde kon beschikken. Ook deze feiten en omstandigheden hebben in cassatie hypothetische feitelijke grondslag. Als het hof deze feiten en omstandigheden in de beoordeling zou hebben meegenomen, had het hof nooit kunnen oordelen dat het de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te behouden, en dat het niet redelijk is om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 nog niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen. Het hof miskent volgens de man daarbij dat een partij die een rechtsmiddel instelt verantwoordelijk is voor de vertraging die dat met zich meebrengt.
klachtenop dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en dat het onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat het niet redelijk is om al voor het moment van verkoop rekening te houden met de opbrengst daarvan. Het gaat hier evident om een vorm van vrijwillig inkomensverlies. Als de vrouw de verkoop niet had tegengewerkt, had zij voldoende vermogen gehad om in haar levensonderhoud te voorzien. De man voert bovendien aan dat het hof de stellingen van de vrouw aangaande de betwisting van de vrouw met betrekking tot het door de man gestelde misbruik van recht kennelijk ten grondslag heeft gelegd aan de motivering van de behoeftigheid. De vraag of de procedures misbruik van recht opleveren is echter een andere dan de vraag of de vrouw de verkoop van de woning in het kader van behoeftigheid had mogen tegenhouden. Dat miskent het hof, waardoor zijn beslissing onbegrijpelijk is, aldus de man.
rechtensonjuist is dat het hof op basis van bepaalde omstandigheden niet tot zijn conclusie had kunnen komen. Dit oordeel is immers aan de feitenrechter, en kan in cassatie alleen op juistheid worden getoetst.
Als sprake is van een hypothetische feitelijke grondslag, dan moet bij de beoordeling van de klacht veronderstellenderwijs worden uitgegaan van het vaststaan van het hypothetische feit. Dit leerstuk is beperkt tot hypothetische
feiten. Gevolgtrekkingen uit een gestelde hypothetische feitelijke grondslag – zoals de gevolgtrekking in het onderdeel dat elke vertraging van de verkoop van de woning volledig door toedoen van de vrouw is veroorzaakt – vormen geen onderdeel van die hypothetische feitelijke grondslag, tenzij die feitelijke gevolgtrekking ook door eiser als feitelijke stelling in feitelijke instantie is ingenomen en door de feitenrechter buiten beschouwing is gelaten. Ook hierop stuit het subonderdeel af.
deplorabelestaat die veroorzaakt was door toedoen van de vrouw. De man stelde namelijk (slechts) dat de makelaar de man heeft verzocht om opknap- en herstelwerkzaamheden, omdat dat in zijn ogen nodig was voor een woning in de luxeklasse, dat die werkzaamheden enige tijd hebben geduurd, dat de woning opgeruimd moest worden, en dat hij de woning heeft laten
stylendoor een interieurstylist omdat de vrouw meubilair uit de woning had laten halen. In dit verband stelt de man voorts dat het presentabel en verkoopklaar maken van de woning sowieso nogal een klus was vanwege het ontbreken van de laptop met het besturingssysteem en de afsluiting van de nutsvoorzieningen door de vrouw. Uit deze stellingen kan naar mijn oordeel niet meer worden opgemaakt dan dat de vrouw het huis niet verkoopklaar heeft achtergelaten. In ieder geval bevatten de passages waarnaar wordt verwezen niet de stelling dat sprake was van een deplorabele staat en in zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatigheid door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen enkele kans van slagen hadden. Dat is hier niet aan de orde. Niet is gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen door haar zonder enige redelijke grond zijn ingezet.
De rechtbank ziet dan ook geen misbruik van recht, onrechtmatige daad en/of grievend gedrag en wijst het verzoek van de man op dit punt af.”
subonderdeel II-4is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.19 dat het de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te behouden en dat het niet redelijk is om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan het gevolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien.
De klachten in dit subonderdeel luiden dat dit oordeel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat ook gewezen echtelieden zich jegens elkaar dienen te gedragen in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, althans, is het oordeel onbegrijpelijk, gelet op de stellingen hierover, die het hof ten onrechte gepasseerd heeft. De man verwijst hierbij naar zijn stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als je een vonnis van een Nederlandse rechter negeert en naar de rechter in Nieuw-Zeeland stapt, in strijd met de waarheid stellend dat je daar woont. De man verwijst ten aanzien van deze stelling naar twee gedingstukken van de procedure in eerste aanleg: zijn pleitaantekeningen en zijn inleidend verzoekschrift. Daarbij komt, volgens de man, dat de vrouw heeft erkend dat zij de betaalde alimentatie (hoofdzakelijk) heeft gebruikt om advocaat- en proceskosten te betalen. [38] Door de verkoop van de woning al die jaren tegen te houden krijgt de vrouw in wezen dubbelop: de nog onverdeelde helft van de woning in Nieuw-Zeeland waarmee zij in haar behoefte had kunnen voorzien [39] en alimentatie van opgeteld ruim € 1,5 miljoen. [40] Ook heeft de man al in eerste aanleg gewezen op deze “filmsterrenalimentatie” van ruim € 300.000 per jaar. [41]
domiciledis). In het specifieke randnummer waarnaar de man verwijst staat echter niet dat dit naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bovendien is het randnummer onderdeel van de paragraaf “Inleiding” van het verzoekschrift, en is een en ander door de man dus niet gekoppeld aan de behoeftigheid van de vrouw. De klacht mist op dit punt dus ook feitelijke grondslag.
derde onderdeelis gericht tegen r.o. 5.20, die ik hier citeer:
Inkomsten uit B&B
eerste klachtis dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.20 miskent dat, omdat de vrouw verrijkt is met een bedrag van NZ$ 130.000,- uit de B&B door persoonlijke lasten zoals reiskosten en juridische kosten daarvan te betalen, zij dat bedrag dus aan alimentatie moet hebben overgespaard.
tweede klachthoudt in dat de bestreden beschikking rechtens onjuist en onbegrijpelijk is omdat in r.o. 5.14 tot en met 5.21 en ook elders niet kenbaar is ingegaan op de stelling van de man dat de vrouw op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in haar behoeftigheid en evenmin in haar huidige vermogenspositie, terwijl de man inmiddels € 1,5 miljoen aan alimentatie heeft betaald en daar nog een substantieel deel van over moet zijn. [43] In dit verband is het ook onbegrijpelijk dat de vrouw volgens het hof kon volstaan met een blote ontkenning van, zo begrijp ik, oversparing [44] en geen inzage hoefde te geven in haar inkomsten en uitgavenpatroon sinds de aanvang van de alimentatie en dus in de vermogensopbouw. De man voert aan dat wie de gelegenheid heeft om vermogen op te bouwen, daarop ook kan en mag interen, net zoals het hof ten aanzien van de man aanneemt met betrekking tot zijn vermogen. Voor zover het hof van oordeel is dat de vrouw niet op haar inkomen [45] zoals dat aan de orde is (maar zij niet laat zien) hoeft in te teren, maar de man wel, hoewel hij wel inzage in zijn vermogen geeft (hetgeen het hof ten onrechte als onvoldoende aanmerkt), is dit oordeel rechtens onjuist dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus de man.
feitelijk kan sparenen dat daarom ook moet doen, zodat zij vervolgens met het daardoor opgebouwde vermogen voor een deel in haar behoefte kan voorzien, miskent de man de strekking van de partneralimentatie.
vierde onderdeelbevat de voortbouwklacht dat het slagen van een of meerdere klachten van de onderdelen I tot en met III betekent dat ook r.o. 5.14 en 5.21 tot en met 7 (dictum) niet in stand kunnen blijven. Omdat onderdelen I-III worden verworpen, slaagt ook deze klacht niet.
vijfde onderdeelis gericht tegen r.o. 5.23 en 5.24 van de bestreden beschikking. Ik citeer deze, inclusief de daaraan voorafgaande r.o. 5.22:
Draagkracht van de man
subonderdeel V.1dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn in appel onbetwiste stelling dat zijn pensioen € 70.000 per jaar beloopt [48] , en zijn met een accountantsrapport van mei 2023 ondersteunde stelling dat het niet mogelijk is om onverminderd te blijven interen op zijn vermogen omdat het langer voortduren van de alimentatie ervoor zorgt dat de man dan binnen 1,9 jaar op zijn vermogen inteert en er uiteindelijk niets meer resteert. [49] Volgens de man is het onverantwoord om hem op zijn vermogen te laten interen voor het betalen van alimentatie. Het hof oordeelt weliswaar dat het
mogelijkis om nog verder in te teren, maar laat daarbij onbesproken, althans motiveert zijn uitspraak onvoldoende naar aanleiding van de stelling van de man dat dit onverantwoord is. De man heeft immers toegelicht [50] dat wanneer hij moet interen op dat vermogen, hij dat moet doen door middel van het te gelde maken van vermogensbestanddelen die nu juist bedoeld zijn om in stand te blijven en rendement te maken. Het te gelde maken levert weliswaar liquiditeit op, maar verhindert ook toekomstig rendement. Bovendien zal daarvoor nodig zijn dat dividend wordt opgenomen, waardoor het een en ander een veelvoud kost, aldus de man. [51]
Ook overweegt het hof dat het feit dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld om hun vermogens gescheiden te houden, dit niet anders maakt. Het hof acht ook van belang dat partijen tijdens hun huwelijk ook (goeddeels) al leefden van het vermogen van de man.
In r.o. 5.25 oordeelt het hof vervolgens dat bij de bepaling van de hoogte van alimentatie nog geen rekening kan worden gehouden met de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland, omdat nog onzeker is wanneer de woning zal worden verkocht en tegen welke prijs. Vervolgens overweegt het hof dat daarbij komt dat de man nu weliswaar geacht kan worden de partneralimentatie (goeddeels) te voldoen door in te teren op zijn vermogen, maar dat het de vraag is of dat mogelijk is voor de gehele resterende duur van de partnerverplichting.
Ook blijkt dat het hof heeft overwogen de zaak aan te houden tot het huis verkocht wordt. Het hof heeft daarvan afgezien omdat de man ter zitting heeft aangegeven dat de woningmarkt in Nieuw-Zeeland is ingestort en het volgens het hof niet waarschijnlijk is dat de woning binnen afzienbare tijd (voor een goede prijs) verkocht zal zijn.
Tot slot overweegt het hof dat gezien de daarvoor geschetste onzekere gebeurtenissen, dit wel betekent dat (een van de) partijen de alimentatie opnieuw aan de orde kunnen stellen zodra de woning is verkocht, en wijst het hof erop dat bij verkoop van de woning niet “enig” vermogen voor de vrouw beschikbaar zal komen maar naar verwachting een vermogen van een substantiële omvang.
Het oordeel dat de man te weinig zou hebben gesteld is ook overigens niet onbegrijpelijk. Ik wijs er in dit verband op dat het hof in aanmerking neemt dat de man stukken met betrekking tot 2024 heeft overgelegd (zo volgt uit r.o. 5.23, waarin het hof wijst op de door de man op 19 augustus 2024 ingediende vermogensopstelling), en ook dat de man prognoses over 2023 en 2024 heeft overgelegd. Het hof heeft deze stukken dus niet onbesproken gelaten, maar geoordeeld dat deze onvoldoende onderbouwing vormen. Dit is niet onbegrijpelijk en had ook niet nader gemotiveerd hoeven te worden. In dit verband merk ik op dat prognoses zien op verwachtingen en, hoe zorgvuldig ook, niet op de feitelijke actuele omstandigheden. Tot slot merk ik op dat de overweging van het hof dat geen draagkrachtberekening door de man is overgelegd, een feitelijke vaststelling van het hof is. De daartegen gerichte motiveringsklacht mist doel. Voor zover de man met zijn klacht beoogt te bepleiten dat het hof niet had mogen oordelen dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft onvoldoende heeft onderbouwd door geen draagkrachtberekening over te leggen, omdat een draagkrachtberekening niet van toegevoegde waarde zou zijn, miskent de klacht dat het hof juist vaststelt dat de man te weinig inzage heeft gegeven in de actuele inkomens- en vermogenssituatie van de man, waardoor er niet van kan worden uitgegaan dat de man geen draagkracht heeft.
subonderdeel V.3is dat het oordeel van het hof dat de man in 2023 een eenmalig regulier voordeel heeft genoten, althans in zijn IB-aangifte heeft opgenomen, onbegrijpelijk is (r.o. 5.23). De man voert in dit verband aan dat zowel in het accountantsrapport van mei 2023, als in de aangifte, als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, omstandig is uitgelegd dat de man, als gevolg van de Wet Excessief Lenen, een (straf-)dividend ontving om de lening van zijn onderneming Bailiff van € 7.000.000,- te kunnen terugbrengen naar het door de fiscus verlangde niveau (maximaal € 700.000,-). [52] Dit dividend heeft de schuld van de man aan zijn onderneming verlaagd en hem in privé geen enkel voordeel opgeleverd. Sterker nog, de man heeft ten gevolge hiervan ook in privé een deel van de dividendbelasting moeten betalen (€ 495.000,-). Het hof miskent dat een dividenduitkering ter verlaging van een rekening-courantverhouding per saldo niets anders is dan een vorm van alsnog belasting betalen over reeds genoten inkomen, hetgeen ook de achterliggende gedachte is van de Wet Excessief Lenen. [53] Het hof heeft daardoor de financiële situatie/het vermogen van de man voor € 3.842.000,- te hoog ingeschat. Daarmee is de conclusie van het hof in r.o. 5.24 dat de man kan beschikken over zodanig (liquide) vermogen dat hij op dit moment de partneralimentatie kan dragen onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd, aldus de man.
subonderdeel V.5klaagt de man dat het hof de stelling van de man dat hij in staat moet blijven om de kosten van zijn eigen levensonderhoud te betalen, terwijl niet te voorzien is hoe lang hij nog mag leven en welke kosten nog op hem zullen afkomen met het stijgen van de leeftijd, onbesproken heeft gelaten. [54]
zesde onderdeelis gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.27 dat, in weerwil van het oordeel in eerste aanleg, onvoldoende grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering. Ik citeer:
zevende onderdeelhoudt een voortbouwklacht in, die inhoudt dat het slagen van een of meerdere van de voorgaande klachten betekent dat ook r.o. 5.24 tot en met r.o. 6 en het dictum niet in stand kunnen blijven. [65] Het onderdeel faalt in het kielzog van de overige onderdelen.