Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaak en de reden voor selectie
nietonder het uitgezonderde loon op grond van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB of op grond van een beleidsbesluit uit 2014 (Besluit 2014) en daarop betrekking hebbende mededelingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
eerste vraagontkennend beantwoord (rov. 4.1-4.2). Het acht aannemelijk dat de bijzondere juridische positie van belanghebbende als rijnvarende, in combinatie met de in de aangiften geclaimde vrijstelling voor premieheffing, de reden is geweest om de aangiften IB/PVV 2016 en 2018 aan een controle te onderwerpen. Die risicoselectie leidt jegens belanghebbende niet tot een schending van een grondrecht (het verbod op discriminatie). Van een selectie louter vanwege (de aard van) belanghebbendes beroep of het behoren tot een bepaalde beroepsgroep zonder concrete aanleiding voor een controle is niet gebleken, aldus het Hof.
vierde vraagnegatief beantwoord (rov. 4.8-4.9). Er kan volgens het Hof geen sprake zijn van strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, aangezien Nederland zich houdt aan de op basis van art. 19(2) Verordening (EG) nr. 987/2009 (Toepassingsverordening) gegeven onherroepelijke A1-verklaring en daarmee wordt bereikt wat met de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Basisverordening) en de Toepassingsverordening dwingend wordt voorgeschreven en waarbij dus een discretionaire bevoegdheid ontbreekt.
zesde vraagomvat verschillende geschilpunten. Voor zover in cassatie van belang heeft het Hof daarover als volgt geoordeeld:
zevende vraagontkennend beantwoord (rov. 4.18-4.19). De uitlating in de brief van 8 februari 2021 [8] waar belanghebbende een beroep op doet, ziet op een te ruime toepassing van het Besluit 2014 ten aanzien van Luxemburgse pensioenpremies (‘cotisations pension’). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in Liechtenstein geheven premies (‘Pensionskasse CH Variabel Sparanteil’ en ‘Pensionskasse CH Variabel Risikoanteil’) vergelijkbaar zijn met die Luxemburgse pensioenpremies.
nietis bestreden het oordeel van het Hof, in het kader van de tweede vraag, dat belanghebbende in 2016 en 2018 verplicht verzekerd is voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving (rov. 4.3-4.4).
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling middelen
Middel I
eerste onderdeelbestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ een bijdrage betreft die vergelijkbaar is met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in art. 11d Wet LB. Het klaagt erover dat niet valt in te zien wat ‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ anders zou kunnen zijn. Het gaat dus kennelijk om een klacht dat het bewijsoordeel van het Hof onbegrijpelijk is. Deze klacht faalt reeds omdat niet met concrete verwijzingen naar stellingen voor het Hof is uiteengezet waarom het oordeel onbegrijpelijk is.
tweede onderdeelfaalt ook. De toelichting zet aan de hand van (i) hetgeen in het proces-verbaal van de zittingen in andere zaken is vermeld en (ii) het verloop van diverse procedures in Rijnvarendenzaken een redenering uiteen waarom het oordeel van het Hof dat het beroep op de meerderheidsregel niet slaagt, onbegrijpelijk is. Het oordeel van het Hof dat “[b]elanghebbende (…) niet aannemelijk [heeft] gemaakt dat er een meerderheid van concrete gelijke gevallen is geweest waarin de ‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ niet tot het loon is gerekend en waar ook nadien geen correctie heeft plaatsgevonden”, steunt evenwel op het oordeel dat “belanghebbende (…) niet [heeft] gepreciseerd in welke gevallen de ‘Krankenkasse Arbeitgeber Beitrag’ niet tot het loon is gerekend”. Dat oordeel is als zodanig niet bestreden, althans niet met concrete verwijzingen naar wat voor het Hof is aangevoerd. De voormelde uiteenzetting kan belanghebbende niet baten, omdat in cassatie geen plaats is voor een nieuwe beoordeling van een feitelijk geschilpunt.
nietheeft plaatsgevonden louter vanwege (de aard van) het beroep of het behoren tot een bepaalde beroepsgroep.