Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Jyske Finans [6] , dat de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige. Uit dat arrest kan slechts worden afgeleid dat dit vereiste geldt voor een wederverkoop van een goed dat de belastingplichtige zelf heeft gebruikt. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat het vereiste (ook) geldt voor een wederverkoop van een goed, zoals het jacht, dat de belastingplichtige zelf niet heeft gebruikt, aldus nog steeds het Hof.
3.Het geding in cassatie
Jyske Finansdat een ondernemer die gebruikte goederen verkoopt een wederverkoper is, niet alleen wanneer de wederverkoop plaatsvindt als handelsactiviteit binnen zijn bedrijf of beroep maar ook wanneer de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening als een secundair doel van de onderneming. Het blijkt geenszins uit dit arrest dat de wederverkoop in het verlengde van de normale bedrijfsuitoefening van de onderneming moet liggen, zoals het Hof heeft aangenomen. Dit blijkt evenmin uit een andere rechtsbron. Die uitleg van
Jyske Finansstrookt met doel en strekking van de margeregeling. Deze regeling is niet bedoeld als een uitputtende regeling ter voorkoming van cumulatie maar als een beperkte regeling voor beroepshandelaren. Zij is dus beperkt tot de ondernemer die gebruikte goederen verkoopt als een secundair doel van de onderneming. Daarmee in lijn ligt de opmerking in de wetsgeschiedenis dat die regeling het oog heeft op ondernemers die met enige regelmaat gebruikte goederen verkopen, aldus ook de Staatssecretaris.
Jyske Finans, de margeregeling ertoe strekt dubbele belasting te voorkomen en het in strijd is met het fiscale neutraliteitsbeginsel wanneer ondernemers weliswaar dezelfde handelingen verrichten maar verschillend worden behandeld. Daaruit blijkt bovendien dat het begrip ‘wederverkoper’ zeer ruim moet worden uitgelegd. Daaraan kan de wetsgeschiedenis van art. 2a(1)k Wet OB niet afdoen. Daarentegen is van belang of een gebruikt goed is bestemd voor de verkoop, aldus belanghebbende.
4.De wederverkoper in de wet en wetsgeschiedenis
De margeregeling
5.De wederverkoper in de richtlijn en richtlijnvoorbereiding
in het kader van de economische activiteitvan de belastingplichtige. De koop van het jacht ligt naar het oordeel van het Hof in het verlengde van de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende (zie 2.10). Daarmee heeft het Hof de koop van het jacht blijkbaar gesitueerd in het kader van de economische activiteit van belanghebbende. Dat oordeel wordt in cassatie bestreden. Het laatste vereiste is dat de koop geschiedt
met het oog op wederverkoop. [27] Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – vastgesteld dat het jacht is gekocht om het door te verkopen met winst (zie 2.3).
erenen van kunstvoorwerp
en, antiquiteit
enen voorwerp
envoor verzamelingen – dus: telkens in meervoud. Hetzelfde geldt voor de tekst van art. 311(1)5 Btw-richtlijn: die tekst omschrijft de belastingplichtige wederverkoper als iedere belastingplichtige die margegoed
erenkoopt met het oog op wederverkoop (zie 5.1 en 5.7). De meervoudsvorm roept de vraag op of art. 311(1)5 Btw-richtlijn ervan uitgaat dat de belastingplichtige al dan niet is aan te merken als belastingplichtige wederverkoper in het geval dat hij slechts incidenteel of zelfs eenmalig een margegoed (wederver)koopt. Die vraag behandel ik hierna.
elkelevering van kunstvoorwerpen, ongeacht of zij incidenteel plaatsvindt of niet. Althans, het risico op concurrentieverstoring is denkelijk niet kleiner maar juist groter bij structurele levering dan bij incidentele levering. Ik heb mij afgevraagd of het een mogelijke verklaring voor dit verschil in behandeling kan zijn dat de richtlijngever is uitgegaan van de veronderstelling dat de belastingplichtige die structureel kunstvoorwerpen levert veelal een belastingplichtige wederverkoper is, zodat de margeregeling tegemoetkomt aan het risico op concurrentieverstoring. Zelfs indien de richtlijngever is uitgegaan daarvan, volgt uit die veronderstelling nog niet –
a contrario– dat de belastingplichtige die incidenteel zulke voorwerpen levert nooit een belastingplichtige wederverkoper is. Hoezeer ook het moge bevreemden dat het verlaagde tarief toepassing mist op de structurele levering van kunstvoorwerpen, het gaat erom dat dit tarief hoe dan ook toepassing vindt op de incidentele levering van zulke voorwerpen door een belastingplichtige die niet de hoedanigheid van belastingplichtige wederverkoper heeft.
het gaat dus om een bijzondere regeling welke slechts van toepassing is op personen die zich in het kader van hun beroep speciaal op deze markten bewegen.”
verkopen. Als ik het goed zie, heeft de regering de passage aldus opgevat: zij gaat ervan uit dat de passage verwijst naar personen die beroepsmatig margegoederen opnieuw in het handelscircuit brengen (zie 4.11). Of het kan gaan om de handeling van verkrijging. Dan verwijst de passage naar personen die zich in het kader van hun beroep speciaal bewegen op die markten doordat zij zulke goederen
kopendaarop.
De hierbij voorgestelde bijzondere regeling is van toepassing op personen die beroepsmatig kopen voor doorverkoop. Aangeduid als “belastingplichtige wederverkopers”, kunnen zij evenwel slechts van de bijzondere regeling gebruik maken voor zover de doorverkochte goederen zijn verkregen van een particulier of van een belastingplichtige die bij zijn eigen verkrijging van de betrokken goederen (…) geen recht op aftrek had. Dit houdt met name in dat de bijzondere regeling geldt voor de doorverkoop van goederen die door de belastingplichtige wederverkoper van een vrijgestelde belastingplichtige of van een andere belastingplichtige wederverkoper zijn verkregen.”
iemand die koopt voor wederverkoop). Dat geldt bijvoorbeeld voor een ondernemer die een in het kader van zijn bedrijf gebruikt goed weer verkoopt. In dat geval is de normale regeling van de zesde richtlijn van toepassing (…).”
verkregenvan een niet-aftrekgerechtigde belastingplichtige of een niet-belastingplichtige. Ook de in 5.27 aangehaalde passage licht toe op welke personen de voorgestelde regeling slechts van toepassing is. Dan ligt het voor de hand om aan te nemen dat beide passages dezelfde strekking hebben. Die strekking is mijns inziens dus dat het gaat om de handeling van verkrijging: beide passages verwijzen naar personen die kopen op de markten van margegoederen en zich daarmee speciaal bewegen op deze markten.
6.Rechtspraak over de (belastingplichtige) wederverkoper
Rechtspraak van Hof van Justitie
Jyske Finans, is de margeregeling een bijzondere regeling, zodat de daartoe behorende bepalingen in beginsel strikt moeten worden uitgelegd. [39] Het strookt mijns inziens daarmee art. 311(1)5 Btw-richtlijn aldus uit te leggen dat een belastingplichtige die weliswaar in het kader van zijn economische activiteit maar in incidentele mate margegoederen koopt met het oog op wederverkoop, is aan te merken als een belastingplichtige wederverkoper. De tekst van deze bepaling verzet zich niet daartegen, net zo min als die tekst blijkens
Jyske Finanszich ertegen verzet een belastingplichtige die weliswaar in het kader van zijn economische activiteit maar in daaraan ondergeschikte mate auto’s koopt met het oog op wederverkoop, aan te merken als belastingplichtige wederverkoper.
Jyske Finans, strookt een zodanige uitleg van art. 311(1)5 Btw-richtlijn met het doel van de margeregeling. Dubbele heffing zou daarentegen (kunnen) ontstaan als deze regeling niet zou kunnen worden toegepast op de incidentele wederverkoop van een margegoed. Immers, dan moet de belastingplichtige btw berekenen over de vergoeding, waaronder de in de aankoopprijs begrepen btw, terwijl hij het margegoed heeft verkregen van (uiteindelijk) een persoon die geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. Dan zou ook nog de concurrentieverhouding (kunnen) worden verstoord tussen ‘structurele’ wederverkopers en ‘incidentele’ wederverkopers van om het even welk margegoed, doordat structurele wederverkopers wél maar incidentele wederverkopers níet de margeregeling kunnen toepassen op eenzelfde margegoed. Zowel dubbele heffing als concurrentieverstoring blijft juist achterwege als de margeregeling kan worden toegepast ongeacht of de wederverkoop plaatsvindt in incidentele mate of niet. [40] In punten 37-40 van
Jyske Finansoverweegt het Hof van Justitie in vergelijkbare zin.
Jyske Finanstot het oordeel dat de margeregeling kan worden toegepast op auto’s die de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit heeft gekocht met het oog op wederverkoop maar eerst nog leaset, ook al is de wederverkoop secundair aan het leasen. Het lijkt mij (dus) niet anders voor de incidentele wederverkoop. Het lijkt mij overigens dat de secundaire wederverkoop per definitie (ook) een incidentele wederverkoop omvat.
Jyske Finansniet (opnieuw) de gelegenheid gehad zich uit te laten over de vraag of een belastingplichtige al dan niet is aan te merken als een belastingplichtige wederverkoper. [41] En voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad überhaupt nog niet de gelegenheid gehad zich daarover uit te laten. [42] Het ligt anders voor de feitenrechters. Zij hebben zich wel (eens) voor de vraag gesteld gezien of een belastingplichtige is aan te merken als zodanig, zelfs wanneer hij weliswaar in het kader van zijn economische activiteit maar incidenteel een margegoed koopt met het oog op wederverkoop.
Jyske Finansaf dat de verkoop deel moet uitmaken van de normale bedrijfsactiviteit van de ondernemer. Dat is niet het geval. Verder ziet de rechtbank geen ruimte voor toepassing van de margeregeling op een eenmalige verkoop: [45]
7.Beoordeling van het middel
Jyske Finans(zie 6.4).
Jyske Finans, waarin het Hof van Justitie overweegt dat – in mijn woorden – een onderneming die gebruikte voertuigen leaset, is aan te merken als belastingplichtige wederverkoper, ook al is wederverkoop van zulke voertuigen secundair aan lease daarvan. Redengevend daarvoor is dat de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening van de onderneming en het doel van wederverkoop bestaat ten tijde van aankoop van de desbetreffende voertuigen (zie 6.1).
Jyske Finansformuleert. Deze vraag is of – wederom in mijn woorden – het begrip ‘de belastingplichtige wederverkoper’ uitsluitend ziet op degene die voertuigen gereedmaakt voor wederverkoop, dan wel ook op degene die voertuigen eerst nog leaset vóór hun wederverkoop (zie ook 6.1). De vraag is dus of de belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit een margegoed koopt met het oog op wederverkoop, geldt als belastingplichtige wederverkoper, zelfs nadat hij het margegoed nog zelf heeft gebruikt.
Jyske Finans, is mijns inziens dan ook beperkt tot het geval van wederverkoop van een margegoed dat de ondernemer zelf heeft gebruikt. Hetzelfde geldt voor de redengeving die het Hof van Justitie bezigt in dat punt 42. Overigens merk ik nog op dat het vereiste dat de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening, niet terugkeert in de verklaring voor recht. In
Jyske Finansverklaart het Hof van Justitie voor recht dat – kort gezegd – een onderneming kan worden aangemerkt als belastingplichtige wederverkoper, ook al heeft zij gebruikte voertuigen gekocht niet met het voornaamste doel maar met het secundaire doel van wederverkoop. Daarom meen ik dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat in dit geval niet het vereiste geldt dat de wederverkoop deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening (vgl. 6.9).
wederverkoopvan het jacht deel uitmaakt van de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende.
koopvan het jacht in het verlengde ligt van de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende. Voor zover de Staatssecretaris heeft bedoeld te klagen daarover, richt de klacht zich vergeefs tegen dat oordeel. Het Hof heeft dat oordeel erop gegrond dat de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende met name bestaat uit de exploitatie van bunkerschepen, dat de koop van het jacht niet zó ver is verwijderd daarvan dat deze koop niet eigen is aan de bestaande onderneming en dat de koop van het jacht past bij de deskundigheid die al aanwezig is in die onderneming. Gelet op die overwegingen, heeft het Hof mijns inziens de koop van het jacht kunnen situeren in het verlengde van de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.