ECLI:NL:PHR:2024:887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping verweer matiging betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk voordeel wegens waardevermindering BMW
Het gerechtshof Den Haag heeft vastgesteld dat de betrokkene een bedrag van €58.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat moet betalen. De betrokkene stelde in hoger beroep dat het hof de betalingsverplichting uit billijkheidsoverwegingen zou moeten matigen vanwege de waardevermindering van zijn BMW tijdens het conservatoir beslag, omdat deze niet verbeurd was verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit verweer terecht heeft verworpen. In ontnemingszaken ligt het risico van waardevermindering van in beslag genomen voorwerpen bij de betrokkene. Bovendien is het doel van het in mindering brengen van de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen het voorkomen van dubbele aansprakelijkheid.
De Hoge Raad benadrukt dat de ontnemingsrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van de matigingsbevoegdheid van artikel 36e lid 5 Sr en dat het hof zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast staat het de betrokkene vrij om via artikel 6:6:26 lid 1 Sv Pro een verzoek tot matiging in te dienen na executoriale verkoop van de BMW.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht geen matiging van de betalingsverplichting toegepast ondanks waardevermindering van de BMW.