Conclusie
Nummer24/00378 W
Inleiding
Procesverloop
De middelen
Het juridisch kader
denial of justice. De rechtbank heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat:
denial of justice. Er is geen sprake geweest van een eerlijk Moldavisch proces, welk proces voldeed aan de minimum vereisten zoals bedoeld in artikel 6 Europees Pro verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De veroordeelde is
in de eerste plaatsnimmer inhoudelijk verhoord en heeft geen bijstand van een tolk gehad bij politieverhoren en tijdens de zitting. Hij ontkent dat hij de Roemeense taal voldoende beheerst om de procedure te kunnen begrijpen.
In de tweede plaatsis hij ten tijde van de voorlopige hechtenis afgeperst, mishandeld, slachtoffer geworden van bedreiging, van aanranding en van discriminatie. Italië heeft zijn uitlevering aan Moldavië geweigerd op grond van artikel 3 EVRM Pro.
In de derde plaatsis er vanaf 20 november 2015 geen relatie meer geweest met zijn advocaat, die hem afperste en financieel uitkneep. Hij is in augustus 2015 uit voorarrest vrijgelaten, met toestemming van de rechtbank van Chişinău naar Nederland gegaan en in november 2015 heeft hij zich weer bij de rechtbank van Chişinău gemeld. De zitting is toen niet doorgegaan en nadien heeft hij geen oproepingen meer ontvangen. Deze zijn gestuurd naar een adres in Moldavië waar hij niet verbleef. De procedure is buiten zijn aanwezigheid gevoerd en zijn advocaat heeft hem niet vertegenwoordigd. Hij is door de Moldavische autoriteiten ook niet op de hoogte gebracht van de veroordeling in Moldavië.
denial of justicewordt volgens de verdediging bevestigd door de beslissing van de
Commission for the Control of INTERPOL’s Files(hierna: CCF). Deze commissie heeft geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces en dat de veroordeelde aan het risico van onmenselijke behandeling blootstaat bij uitlevering aan Moldavië. De CCF heeft geconcludeerd dat “
the data concerning the Applicant are not compliant with INTERPOL’s rules applicable to the processing of personal data, and that they shall be deleted from INTERPOL’s files”.
flagrant denial of justiceen waaruit volgt dat sprake moet zijn van een zodanige inbreuk op het door artikel 6 lid 1 EVRM Pro gegarandeerde recht op een eerlijk proces dat sprake is van “a nullification, or destruction of the very essence” van dat recht.
in absentia), zonder mogelijkheid van een nieuwe procedure over de inhoud (
the merits) van de zaak, tenzij de beschuldigde uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dat recht of zich aan de berechting heeft onttrokken (o.a. Hokkeling tegen Nederland, 30749/12, overweging 55). Daarvan is ook sprake in het geval van opzettelijke en systematische weigering om de veroordeelde toegang te verschaffen tot een advocaat, in het bijzonder in het geval waarin iemand in het buitenland is gedetineerd. Een veroordeling zonder bijstand van een tolk wordt door het EHRM niet genoemd, maar ook een behandeling van een zaak in aanwezigheid van de beschuldigde in een taal die hij niet verstaat, zonder bijstand van een tolk terwijl hij evenmin wordt bijgestaan door een onafhankelijke advocaat is, naar het oordeel van de rechtbank, een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging.
De beoordeling van de middelen
eerste middelklaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank in haar bestreden uitspraak het volgende heeft overwogen:
denial of justice. Onbegrijpelijk acht ik dat echter niet. Uit de betreffende overweging uit het arrest van de Hoge Raad kan immers worden afgeleid dat ook als de verdediging betoogt dat in het buitenland sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, de rechter bij de beoordeling van dat verweer in beginsel zal moeten uitgaan van de door de buitenlandse rechter vastgestelde feiten. Van dit uitgangspunt kan de rechter pas afwijken als hij voldoende (andere) gronden heeft om vast te stellen dat bij de totstandkoming van de buitenlandse beslissing een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging heeft plaatsgevonden.
tweede middelbevat de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank het volgende heeft overwogen:
vierde middelklaagt dat de volgende overweging van de rechtbank onbegrijpelijk is:
derde middellijkt – gelezen in samenhang met de toelichting op de middelen – in de kern te klagen over de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.
Harkins, waarin het EHRM bepaalde vormen van onbehoorlijke rechtspleging noemt die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging. [5] In dat verband noemt de rechtbank onder meer het geval waarin sprake is van een veroordeling bij afwezigheid, zonder de mogelijkheid van een nieuwe procedure over de inhoud van de zaak, tenzij de beschuldigde uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dat recht of zich aan de berechting onttrokken heeft. Ook meent de rechtbank – in aanvulling op de door het EHRM in de zaak
Harkinsgenoemde gevallen – dat de situatie waarin de behandeling van een zaak plaatsvindt in een taal die de beschuldigde niet verstaat, zonder bijstand van een tolk terwijl hij evenmin wordt bijgestaan door een onafhankelijke advocaat, moet worden gezien als een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging.
“a nullification or destruction of the very essence”van het recht op een eerlijk proces geen sprake is.” In het licht van de vaststelling dat de veroordeelde Roemeens begrijpt, is dat oordeel naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Verder heeft de rechtbank op grond van de vaststellingen van de rechtbank in Chişinău geoordeeld dat de veroordeelde overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM geen beroep kan doen op het recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, aangezien hij zich aan zijn berechting in Moldavië heeft onttrokken. Dat de rechtbank op grond hiervan tot het oordeel is gekomen dat zich geen vorm van onbehoorlijke rechtspleging in Moldavië heeft voorgedaan (en dus ook dat geen sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging), is niet onbegrijpelijk.