Conclusie
II. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
Mogelijkheden voor aanvullend onderzoek
NJ2017/30, m.nt. Reijntjes].
Dus omgekeerd geredeneerd, client is juist totaal niet, in voldoende mate de gelegenheid geboden om het deskundige oordeel van het NFI gemotiveerd te kunnen betwisten.
In de MPS-PCR welke wij voor deze bemonstering hebben uitgevoerd hebben wij, naast het DNA hoofdprofiel wat overeen komt met het DNA-profiel van de verdachte, een zeer gering nevenprofiel van tenminste 1 persoon aangetroffen.Het is daarmee o.i. aannemelijk dat de pet door tenminste 1 andere persoon kan zijn gedragen. Maar wanneer en hoe vaak die andere persoon de pet heeft gedragen kunnen wij niet aan dit profiel afleiden.”
Maar dat de pet dus door een andere persoon is gedragen, staat dus vast. En dat had ook uit nader onderzoek kunnen komen. In die zin, de verdediging had andere plekken van de pet laten kunnen onderzoeken en wellicht was daar meer duidelijkheid uitgekomen.
“Wanneer bijvoorbeeld gevraagd wordt wie een bepaald kledingstuk heeft gedragen, zullen andere locaties bemonsterd worden dan wanneer de vraag is wie het kledingstuk heeft gestolen van de eigenaar”, zo overweegt het FLDO.
Punt 22
4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en bewijsuitsluiting
the proceedings as a whole were not fair. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging in beeld komt, behoeft daarnaast niet óók nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (ECLI:NL:HR:2020:1889).
NJ2004/376, m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308, m.nt. Keulen het volgende. Indien is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en het rechtsgevolg daarvan niet reeds uit de wet blijkt, dient de rechter te beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt. Art. 359a Sv biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de in dit artikel bedoelde rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Een beslissing tot toepassing van één van de rechtsgevolgen als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in art. 359a, tweede lid, Sv zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van “de ernst van het verzuim” zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang. Hierbij kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt” is onder meer van belang of en, zo ja, in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Hierbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv. [3] Waar mogelijk wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. [4] Met het oog op het vorengaande mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de bovengenoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. [5]
NJ2021/169, m.nt. Jörg over vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen het volgende overwogen met betrekking tot bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging:
Bewijsuitsluiting
NJ2017/30, m.nt. Reijntjes, voor zover relevant, het volgende overwogen:
hetzelfde geldt voor gronden die een nader onderzoek van de pet zelf zonder meer zouden rechtvaardigen, zodat de gevolgen van de vernietiging van de pet, mede gezien de daarvoor geboden compensatie in de vorm van de contra-expertise en de verklaringen door de deskundige Herbergs, niet zodanig zijn dat de procedure tegen de verdachte als geheel niet als eerlijk moet worden beschouwd. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de bevindingen in de in hoger beroep gevoegde rapporten van nader onderzoek en revisie van de eerdere onderzoeken door een derde deskundige, te weten het Laboratorium voor Forensisch DNA-Onderzoek (LFDO) evenmin tot andere inzichten hebben geleid ten aanzien van de deugdelijkheid van de eerdere onderzoeken door het NFI en TMFI.
III. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
B. Getuigen (in chronologische volgorde voor wat betreft het verloop van de avond van 27 mei 2016)
[getuige 1]:
mededeling van verbalisant:
5. Het onder 1 tenlastegelegde
extreem veel waarschijnlijkeris dat de twaalf hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. De hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum.
Punt 157
Art. 339, eerste lid, onder 1°, Sv:
Ten eerstewordt geklaagd dat de in het middel bedoelde eigen waarneming van het hof een feitelijke onmogelijkheid is, omdat een persoon niet tegelijkertijd zowel een ringbaard als een sik kan hebben. Een ringbaard gaat in een ring rondom de mond, waarbij de snor en de baard een aaneengesloten geheel vormen, terwijl een sik een pluk haar op de kin – en niet (ook) boven de lip — is, aldus de steller van het middel.
tweede deelklachtwordt aangevoerd dat het hof, mede gelet op het onderbouwde standpunt van de verdediging dat een ringbaard iets anders is dan een sik en dat de verdachte nooit een ringbaard heeft gehad, had moeten uitleggen waarom het hof denkt op een foto van de verdachte zowel een ringbaard als een sik te hebben gezien.