Conclusie
Nummer22/01395 P
Inleiding
De strafzaak (22/01394)
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “
ruimten voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, 4. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie” en 5. “
witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
Ten aanzien van de bewezenverklaarde hoeveelheid geld acht het hof slechts aannemelijk dat verdachte dit geld heeft verworven uit door hem zelf begane misdrijven en dat hij die hoeveelheid geld voorhanden heeft gehad door het geld op zijn bankrekening te storten. Dit betekent dat het bewezenverklaarde voorhanden hebben of verwerven van genoemde geldbedragen niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve ter zake van dat onderdeel van het onder 5 bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
De ontnemingszaak
Onder 5 tenlastegelegde feit
Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen
Uit de belastingdienstgegevens is naar voren gekomen dat [betrokkene 1] legale contante inkomsten geniet. In het jaar 2014 is dit voor een bedrag van € 19.177,- geweest en voor het jaar 2015 een bedrag van € 35.362,-.
Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen
De contante stortingen op zakelijk rekeningnummer [001] en privé rekeningnummer [002] bedragen in de periode 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2016 een bedrag van: (€ 30.965,- + € 5.110,- + € 38.075,- + € 9.520,- + € 3.880,- + € 51.535, =) € 139.085,-.
Uitkomst eenvoudige kasopstelling
Op basis van de onderzoeksgegevens kan de volgende opstelling worden vervaardigd:
Het eerste middel
het strafdossier en de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep” volstaat in dat kader niet, aldus de stellers van het middel.
Het beoordelingskader
“indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.” [3] Een belangrijk verschil tussen de toepassing van enerzijds lid 2 en anderzijds lid 3 van artikel 36e Sr is dat de rechter bij toepassing van deze laatste bepaling niet hoeft te concretiseren welke andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen, noch wie daarvan de dader was. [4]
De bespreking van het eerste middel
niet ondubbelzinnig laten weten welke wettelijke grondslag het hiervoor heeft gehanteerd. Het hof heeft namelijk overwogen (ik herhaal): “
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat betrokkene uit andere feiten dan het in de strafzaak bewezenverklaarde handelen, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, financieel voordeel heeft genoten.” De woorden ‘waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan’ heeft het hof klaarblijkelijk ontleend aan artikel 36e lid
2Sr. De woorden ‘aannemelijk geworden dat betrokkene uit andere feiten dan het in de strafzaak bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten’ wijzen daarentegen meer op de toepassing van lid
3van artikel 36e Sr. Het hof hinkt dus op twee gedachten. Hoewel dit de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering niet ten goede pleegt te komen, hoeft dit op zichzelf niet tot cassatie te leiden, alleen al omdat de stellers van het middel hierin geen probleem zien. Zij gaan ervan uit dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 36e lid 2 Sr.
aannemelijk[acht]
dat verdachte dit geld heeft verworven uit door hem zelf begane misdrijven en dat hij die hoeveelheid geld voorhanden heeft gehad door het geld op zijn bankrekening te storten.”
nietin staat is om – ten laste van de betrokkene – ‘buiten redelijke twijfel’ vast te stellen dat de (in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde) ‘andere strafbare feiten’ waaruit de betrokkene vermogensbestanddelen heeft verworven
door de betrokkene zelf zijn begaan.
buiten redelijke twijfelkan worden vastgesteld dat de betrokkene (naast de bewezen verklaarde feiten ook) een of meer ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. De klacht dat het hof, kort gezegd, geen inzicht heeft gegeven in hoe het geschatte voordeel is te relateren aan ‘andere feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, is daarmee op zichzelf terecht voorgesteld, tenminste, als wordt aangenomen dat het hof de voordeelsontneming heeft gestoeld op artikel 36e lid 2 Sr.