ECLI:NL:PHR:2024:453

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
22/00799
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvmcArt. 6 EVRMArt. 8 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 12 VN Verdrag van WenenArt. 1 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vrijspraak rechtspersoon wegens ontbreken opzet bij niet-melden verdachte transacties chemicaliën

De zaak betreft een economische strafzaak tegen een rechtspersoon die werd verdacht van het niet onverwijld melden van verdachte transacties met geregistreerde stoffen (zwavelzuur en zoutzuur) aan een afnemer, in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc). Het hof had de verdachte veroordeeld voor het niet melden van deze transacties, maar vrijgesproken van opzet, en de verdediging stelde cassatieberoep in.

De verdediging voerde onder meer aan dat de processen-verbaal van een belastende ambtenaar ([verbalisant 2]) niet als bewijs mochten worden gebruikt omdat zij niet als getuige was gehoord en de verdediging geen mogelijkheid had gehad haar te ondervragen, wat een schending van het recht op een eerlijk proces opleverde. Tevens betwistte de verdediging dat de transacties daadwerkelijk verdachte voorvallen waren die gemeld hadden moeten worden, en stelde dat de afnemer een betrouwbare klant was met legitieme toepassingen van de stoffen.

Het hof oordeelde dat de processen-verbaal wel als bewijs konden dienen omdat de verdachte de inhoud daarvan niet had betwist en dat het horen van de ambtenaar niet noodzakelijk was. Het hof stelde vast dat er sprake was van transacties die indicaties konden bevatten voor misbruik, maar dat geen opzet kon worden bewezen. De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en wijst het cassatieberoep af, waarbij ook het belang van het recht op een eerlijk proces wordt meegewogen.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering en de noodzaak van het toetsen van belastend bewijs aan het recht op hoor en wederhoor, maar bevestigt dat het ontbreken van opzet tot vrijspraak leidt. De zaak illustreert de toepassing van Europese en internationale regelgeving omtrent toezicht op handel in precursoren voor synthetische drugs.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak van opzet en verwerpt cassatieberoep tegen veroordeling voor niet melden verdachte transacties.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00799 E

Zitting23 april 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 23 februari 2022 door de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2 van Pro de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, begaan door een rechtspersoon’, veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar. Het hof heeft voorts de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 2.500,00 afgewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel ziet op afwijzingen van verzoeken tot het horen van een getuige. Het tweede middel betreft de bewijsvoering.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, de relevante delen van ’s hofs overwegingen, het verloop van de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep, delen van de op drie zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen alsmede de relevante regelgeving en rechtspraak weer.
De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen alsmede de relevante delen van de overwegingen
5. Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘zij op in de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016 te [vestigingsplaats] , in elk geval in Nederland, als marktdeelnemer de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende zij, verdachte, aan [bedrijf] een hoeveelheid zwavelzuur (totaal 19.000 kg) en een hoeveelheid zoutzuur (totaal 3.678 kg) verkocht en afgeleverd.’
6. De bewezenverklaring berust op de volgende in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2016 (…), voor zover inhoudende als
relaas van [verbalisant 1] :
Inleiding
Door de medewerkers van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, onderdeel van de Politie Landelijke Eenheid (LFO) worden foto’s gemaakt tijdens het ontmantelen van productieplaatsen en opslagplaatsen van synthetische drugs. Daarnaast wordt in zogenaamde incidentformulieren beschreven wat is aangetroffen op een bepaalde locatie. Ik, verbalisant, ben belast met het onderzoeken van deze foto’s en incidentformulieren.
Bevindingen
Op 11 augustus 2016 las ik een incidentformulier waarop stond dat op 17 juli 2016 aan de [a-straat 1] te [plaats] een productielocatie voor synthetische drugs, tevens een op- en overslaglocatie van chemicaliën voor synthetische drugs is aangetroffen. Deze locatie is door het LFO onderzocht.
Vervolgens heb ik een onderzoek ingesteld naar de foto’s in de bestandsmap [a-straat 1] te [plaats] . Op de foto’s zag ik:
1. delen van een aantal Intermediate Bulk Containers (hierna: IBC) met etiketten van [verdachte]
1. IBC [verdachte]
Op de foto’s van de etiketten zag ik onder andere de volgende gegevens:
- [verdachte] , [b-straat 1] , [postcode] , [vestigingsplaats]
- Zwavelzuur 96% tech.
- Netto: 1840 kg.

Informatie over leverancier [verdachte]

Ik zag in het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat [verdachte] een besloten vennootschap is, gevestigd te [b-straat 1] te [vestigingsplaats] . De economische activiteiten zijn: Groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing en vervaardiging van overige anorganische basischemicaliën.
2. Het stamproces-verbaal genoemd in de aanhef, van de Belastingdienst, Douane/Groningen/Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving/Locatie Zwolle, (…), gesloten d.d. 26 juni 2017, voor zover inhoudende als
relaas van [verbalisant 2] :
(…)
Naar aanleiding van de informatie van [verbalisant 1] heb ik opdracht gekregen een zogenoemd back-track onderzoek in te stellen bij [verdachte] teneinde de afnemers in kaart te brengen en om een onderzoek in te stellen om vast te stellen of bij [verdachte] mogelijk ongebruikelijke of verdachte voorvallen met geregistreerde stoffen van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën hebben plaatsgevonden, die gemeld hadden moeten worden bij de Belastingdienst/FIOD/Meldpunt verdachte transacties.
(…)
Het is mij ambtshalve bekend dat de stoffen Zoutzuur en Zwavelzuur, waarover in dit proces-verbaal wordt gesproken, vele legale toepassingen hebben en daarnaast illegaal gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs. Mierenzuur is een relevante niet-geregistreerde stof. Deze stof is niet genoemd in de bijlage van Verordening EG 273/2004. Echter marktdeelnemers wordt dringend verzocht om ongebruikelijke of verdachte voorvallen met deze stoffen te melden omdat levering van deze stoffen in sommige gevallen een strafbaar feit zoals genoemd in artikel 10a Opiumwet kan opleveren.
(…)
Naar aanleiding van mijn vraag aan het meldpunt bij de Belastingdienst/FIOD of er meldingen van [verdachte] zijn binnengekomen over het bedrijf [bedrijf] , heeft [betrokkene 1] , medewerker Meldpunt Verdachte Transacties, verklaard dat er geen meldingen over het bedrijf [bedrijf] bij het meldpunt zijn binnengekomen van [verdachte]
(…)
Ten behoeve van het onderzoek heb ik op 14 maart 2017 een bezoek gebracht aan hef bedrijf [verdachte] te [vestigingsplaats] . Ter plaatse sprak ik met [betrokkene 2] , directrice van [verdachte] [betrokkene 2] verklaarde dat de op het adres [a-straat 1] te [plaats] aangetroffen chemicaliën zijn geleverd aan [bedrijf] te [plaats] . Tijdens het onderzoek toonde [betrokkene 2] op een scherm via een computer een overzicht van de totale transacties met [bedrijf] . [betrokkene 2] heeft een afdruk van het getoonde scherm met het overzicht aan mij gemaild.
[betrokkene 2] verklaarde dat [bedrijf] voor het eerst in 2016 stoffen als Mierenzuur, Zoutzuur en Zwavelzuur heeft besteld. [bedrijf] had voor april 2016 alleen de stoffen Formaldehyde en Natriumhypochloriet besteld.
(…)

Onderzoek facturen, afleverbonnen en betaaloverzichten

Op vrijdag 17 maart 2017 heb ik een bezoek gebracht aan [verdachte] te [vestigingsplaats] en heb ik de facturen, de bijbehorende afleverbonnen en de betaaloverzichten van de zendingen in 2016 aan [bedrijf] opgehaald.
In het onderstaande overzicht heb ik de gegevens overgenomen van de facturen met leveringen van Mierenzuur, Zwavelzuur en Zoutzuur.
(…)
Datum
Factuur-nummer
Vrachtbrief-nummer
Omschrijving
Hoeveelheid
Totaal Factuur-bedrag
06-04- 2016
1604208
-
Mierenzuur 85%
1.200 kg
1.163,34
21-04- 2016
1605084
-
Zoutzuur 30% T
138 kg
460,55
28-04- 2016
1605472
20160422172
Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage
5.520 kg
1.522,86
02-06- 2016
1607757
20160530145
Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage
2.800 kg
772,46
01-07- 2016
1609638
20160628038
Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage
3.680 kg
1.015,24
08-07- 2016
1610047
-
Mierenzuur 85%
1.200 kg
1.185,00
02-09- 2016
1613666
20160831025
Mierenzuur 85%
1.200 kg
1.335,84
23-09- 2016
1614752
Zwavelzuur 96% Tech
1.400 kg
512,57
03-10- 2016
1615286
20160929053
Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage
1.400 kg
386,23
13-10- 2016
1615868
20161011032
Zwavelzuur 96% Tech inkl emballage
4.200 kg
1.158,70
21-12- 2016
1619126
20161219093
Zoutzuur 36% CZ inkl. emballage
3.540 kg
1.627,69
Op de bijbehorende afleverbonnen behorende bij de facturen met nummers 1607757 en 1609638 zag ik staan:
Aan
[bedrijf]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Bij alle overige afleverbonnen zag ik staan:
Aan
[bedrijf]
[c-straat 1]
[postcode]
Op de afleverbon behorende bij de factuur met nummer 1609638 zag ik in het vakje ‘handtekening geadresseerde voor goede ontvangst’ zag ik staan ‘1-7-2016 NAW neergezet voor’.
Op de vrachtbrief behorende bij de factuur met nummer 1609638 zag ik in het vakje ‘handtekening geadresseerde voor goede ontvangst’ staan ‘1-7-2016 NAW neergezet voor roldeur i.o.v. [bedrijf] gebeld.’
3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 april 2017 (…), voor zover inhoudende als
weergave van de verklaring van getuige [betrokkene 3]:

Wat is uw functie binnen [verdachte] ?

Ik ben chauffeur bij [verdachte]
Wij tonen u een verkoopfactuur met daarop factuurnummer 1607757 en vrachtbriefnummer 20160530145 en de bijbehorende afleverbon met ordernummer 20160530145. Heeft u deze zending afgeleverd in [plaats] ?
Ja, ik heb deze zending geleverd. Ik herken dat ook aan het handschrift van de datum op de afleverbon.
Was er iemand afwezig (het hof: aanwezig) die de zending in ontvangst heeft genomen? Zo ja, wie was deze persoon?
Ik ben via een hek dat voor het huis links van de schuurtjes stond naar binnen gegaan. Daar binnen was een vrouw. Deze mevrouw heeft iemand opgebeld. Na ongeveer een kwartier kwamen er een oudere man en een jonge man. Ze kwamen met een auto. Deze personen hebben de levering aangenomen.

Hebben deze personen de afleverbon getekend?

Volgens mij heeft de jongere man de bon afgetekend. Ik kan mij niet herinneren dat ik deze mannen ooit bij [bedrijf] ben tegengekomen.
Wij tonen u een verkoopfactuur met daarop factuurnummer 1609638 en vrachtbriefnummer 20160628038 en de bijbehorende afleverbon met ordernummer 20160628038. Heeft u deze zending afgeleverd op het adres [a-straat 1] in [plaats] ?
Ja, ook hier herken ik dat aan het handschrift van de datum op de afleverbon. Deze heb ik geleverd.

Was er iemand aanwezig om die zending in ontvangst te nemen?

Nee.

Wat heeft u vervolgens gedaan?

Ik denk dat ik eerst [betrokkene 4] heb gebeld, dat is de planner bij [verdachte] . Ik wou de zwavelzuur technisch niet zomaar neerzetten zonder dat iemand het aannam. Ik denk dat [betrokkene 4] mij vervolgens het telefoonnummer 06- [telefoonnummer 1] heeft doorgegeven. Vervolgens heb ik dat telefoonnummer gebeld. De persoon aan de telefoon vertelde mij de Zwavelzuur daar neer te zetten. Dat heb ik vervolgens gedaan.
Heeft u behalve de door ons hiervoor aangehaalde twee zendingen, geleverd op het adres [a-straat 1] te [plaats] ?
Nee, ik ben er maar twee keer geweest.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 mei 2017 (…), voor zover inhoudende als
weergave van de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 2]:
Wij tonen u de facturen met factuurnummers 1604208, 1605084, 1605472, 1607757, 1609638, 1610047, 1613666, 1614752, 1615286, 1615868, 1619126, met de bijbehorende afleverbonnen en de betaaloverzichten van de zendingen in 2016 aan [bedrijf] . Volgens deze facturen heeft [verdachte] in 2016 onder andere totaal 3.600 kilogrammen Mierenzuur 85%, 3.678 kilogrammen Zoutzuur 36% en 19.000 kilogrammen Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] te [plaats] . Klopt dit?
Als [verdachte] zijnde kan ik zeggen: dit komt uit onze systemen. Wat uit onze systemen komt is tot nu altijd juist gebleken.
5.
De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 2], afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 februari 2022, voor zover inhoudende:
Het is juist dat ik niet betwist dat in de tenlastegelegde periode de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden Zoutzuur en Zwavelzuur aan [bedrijf] is geleverd.’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Standpunt verdediging
Door en namens verdachte is betoogd dat de processen-verbaal opgemaakt door [verbalisant 2] niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. [verbalisant 2] heeft immers een selectie van de uitspraken die [betrokkene 2] , directeur-eigenaar van de verdachte, heeft gedaan tijdens een onaangekondigd bezoek van [verbalisant 2] aan de verdachte, belastend uitgelegd en achteraf alle transacties betreffende categorie 3 stoffen tussen verdachte en [bedrijf] over een periode van ruim 6 maanden als verdacht bestempeld. De verdediging heeft in hoger beroep verzocht tot het horen van [verbalisant 2] , maar dat verzoek is afgewezen door de Poortraadsheer. Zonder medeweten van de verdediging is volstaan met het door [verbalisant 2] laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal. Daarmee is inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, en in het bijzonder de notie van ‘the overall fairness of the trial’. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de Keskin-jurisprudentie. De processen-verbaal van [verbalisant 2] kunnen volgens de verdediging dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd. Voor het geval het hof aan dat verweer voorbij gaat, dan geldt dat de verdediging voorwaardelijk verzoekt tot het horen van [verbalisant 2] . Voor zover het hof daaraan voorbij gaat, wordt de juistheid van de door [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal betwist.
Daarnaast is gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde transacties niet aan te merken zijn als een of meer voorvallen die gemeld hadden moeten worden, omdat de betreffende transacties met [bedrijf] niet wezen op een mogelijk misbruik van de stoffen door [bedrijf] , terwijl in de jurisprudentie met name rechtspersonen worden vervolgd die in een meer direct verband staan met de productie van drugs c.q. het misbruik van de stoffen. Mocht het hof van oordeel zijn dat verdachte de voorvallen wel had moeten melden, dan geldt dat verdachte geen opzet had op het niet melden van de voorvallen, hetgeen tot vrijspraak van de verdachte dient te leiden.
Mocht het hof aan dat verweer voorbij gaan, dan geldt het niet melden van de voorvallen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
(…)
Het oordeel van het hof
Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de door [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld [verbalisant 2] over die inhoud te ondervragen overweegt het hof als volgt. In de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen heeft het hof de inhoud van onder meer door [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal voor het bewijs gebezigd. Het hof stelt vast dat, voor zover het hof die processen-verbaal tot het bewijs heeft gebezigd, de verdachte de inhoud van die processen-verbaal niet heeft betwist. Door verdachte is immers niet betwist dat zij aan [bedrijf] geregistreerde stoffen heeft geleverd op de in het dossier genoemde data, noch dat zij tweemaal aan het adres [a-straat 1] te [plaats] heeft geleverd - waarbij de bestelling eenmaal onbeheerd is achtergelaten - en alle overige keren aan het adres [c-straat 1] te [plaats] . Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de gehele inhoud van (mede) door [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal wordt betwist, mist het verweer dan ook feitelijke grondslag, althans vindt het geen steun in het dossier. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat het horen van [verbalisant 2] niet noodzakelijk is, zodat het hof aan het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [verbalisant 2] voorbij gaat.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in de tenlastegelegde periode sprake was van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, die er op kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In dat verband luidt de regelgeving, voor zover thans van belang, als volgt:
Verordening (EG) 273/2004
Artikel 8
Verstrekking van informatie over geregistreerde stoffen aan de bevoegde instanties
1. De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.
Artikel 2 onder Pro a Wet voorkoming misbruik chemicaliën
Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens,
a. de artikelen (..) 8, eerste en tweede lid van de Verordening nr. 273/2004.
In de regelgeving is het begrip ‘voorvaI’ niet nader gedefinieerd, behalve hetgeen daarover is opgemerkt onder het eerste lid van artikel 8 van Pro de Verordening nr. 273/2004, namelijk dat het kan gaan om ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen.
In het informatieblad van de Douane, Belastingdienst, Drugsprecursoren, dat door de verdediging bij de stukken is gevoegd, is opgenomen dat melden verplicht is bij verdachte of ongebruikelijke transacties van drugsprecursoren, of de voorbereiding op zo’n transactie of een ander voorval met drugsprecursoren. Als voorbeelden worden genoemd: diefstal van drugsprecursoren, ongewone orders, afleveradressen, ongebruikelijke transacties. Onder het kopje: “Hoe herken ik verdachte of ongebruikelijke transacties?” is een aantal indicatoren opgenomen dat behulpzaam kan zijn bij het herkennen van dergelijke transacties, waaronder levering op een ongebruikelijk afleveradres of afleverlocatie en orders van meer dan één precursor of essentiële stof.
Uit het dossier blijkt dat in dit geval een aantal transacties heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [bedrijf] , waarbij geregistreerde stoffen zijn verhandeld, waarvan een deel nadien is aangetroffen in een productielaboratorium en overslaglocatie voor synthetische drugs. In de periode daaraan voorafgaand is door [bedrijf] , in meerdere transacties, in totaal een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten: 3.678 kilogram Zoutzuur 36% en 19.000 kilogram Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] en daarnaast nog een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten: 3.600 kilogram Mierenzuur 86%. Deze stoffen zijn voor 2016 nooit besteld door [bedrijf] .
Daarbij werd op enig moment verzocht om twee bestellingen te leveren op een afwijkend afleveradres, te weten [a-straat 1] te [plaats] , terwijl uit openbare bronnen blijkt dat op dat adres onomstotelijk geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd. Bij één van deze leveringen werd de bestelling bovendien, op verzoek, onbeheerd achtergelaten. Eerdere bestellingen werden steeds geleverd op het adres [c-straat 1] te [plaats] , op welk adres [bedrijf] onmiskenbaar is gevestigd.
Het hof is op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen als omschreven in bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.
De vertegenwoordiger van de verdachte heeft in hoger beroep nog verklaard dat de hoeveelheden die zijn geleverd voor haar niet zijn te kwalificeren als grote hoeveelheden. Het hof wil aannemen dat dit zo is als het gaat om levering van die stoffen in het kader van de normale bedrijfsvoering van de verdachte en haar gebruikelijke afnemers. Het is een feit van algemene bekendheid, maar naar het hof aanneemt zeker in het geval van bedrijven die zich op de productie en transport van de tenlastegelegde stoffen toeleggen, dat door malafide afnemers (al dan niet na doorlevering) met de door verdachte geleverde combinaties en hoeveelheden van geregistreerde stoffen een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd kan worden. Nu de regelgeving levering van geregistreerde stoffen voor deze illegale doeleinden beoogt tegen te gaan en de verdachte zich juist bezighoudt met onder meer levering van deze stoffen, had het op de weg van verdachte gelegen de verkoop en aflevering van de tenlastegelegde hoeveelheid stoffen te melden. Daarbij is niet leidend wat door verdachte naar eigen maatstaven gezien wordt als veel, maar wat gegeven de soort stof, eventueel in combinatie met andere stoffen, zou kunnen betekenen voor de (omvang van de) productie van synthetische drugs.
Door in de tenlastegelegde periode niet over te gaan tot melding van de verkoop en aflevering van de in de tenlastelegging genoemde geregistreerde stoffen heeft verdachte niet voldaan aan haar wettelijke meldplicht.
Anders dan de advocaat-generaal en de economische politierechter is het hof echter van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte daarbij opzettelijk, waaronder begrepen voorwaardelijk opzettelijk, heeft gehandeld. Het hof betrekt daar bij dat sprake is van meerdere afzonderlijke transacties die wellicht niet allemaal ieder op zich als voorval gekwalificeerd kunnen worden doch na verloop van tijd en in combinatie gezien, in het bijzonder wanneer sprake is van bijvoorbeeld ook nog Mierenzuur, alsmede gelet op het zich eventueel voordoen van, zoals in casu, een extra indicator in de vorm van een afwijkend afleveradres, tot de conclusie hadden moeten leiden dat deze in circa een jaar tijd geleverde stoffen gemeld hadden moeten worden. Voorts betrekt het hof daarbij dat bij de onderneming van de verdachte een zogenaamde quality en ICT-coördinator is aangesteld die zich bezighoudt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen en worden medewerkers binnen de onderneming van de verdachte geschoold over drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte transacties. In geval van twijfel vindt overleg plaats of wordt niet geleverd. In dit geval is dat niet gebeurd zoals blijkt uit het verhoor van de quality en ICT-coördinator, [betrokkene 5] bij de rechter-commissaris, noch is aan hem gemeld dat de chauffeur gebeld had met de planner over het achterlaten van de zendingen op het adres [a-straat] te [plaats] , wat volgens [betrokkene 5] wel als ongebruikelijk kan worden aangemerkt. Een en ander is naar het oordeel van het hof wel verwijtbaar doch lijkt sprake te zijn van een situatie waarbij door onvoldoende alertheid een en ander er door heen is geglipt. In de regel wordt door de verdachte veel gemeld, aldus [betrokkene 5] . Bij deze stand van zaken ontbreekt naar het oordeel van het hof het bewijs dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zou handelen in strijd met de wet- en regelgeving.
Voor zover opzet aan verdachte is tenlastegelegd, zal het hof verdachte daar dan ook van vrijspreken.
(…)
Op te leggen sanctie
(…)
Voorts is ter terechtzitting van het hof gebleken dat verdachte zich inspant om de geldende regelgeving na te leven, nu binnen de onderneming een quality en ICT-coördinator is aangesteld die zich bezig houdt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen. Bovendien is gebleken dat de medewerkers worden geschoold over onderwerpen als drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte en/of niet gebruikelijke transacties en dat zulke transacties in het verleden ook daadwerkelijk zijn gemeld’.
Verloop van de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep (en delen van) in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen
8. Op 16 juli 2018 vond in eerste aanleg een terechtzitting van de economische politierechter plaats, alwaar door de raadsvrouw van de verdachte het woord is gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen. In de pleitaantekeningen is door de raadsvrouw onder meer de volgende onderzoekswens geformuleerd (met weglating van een voetnoot):
‘4. Teneinde voornoemd standpunt - dat van een strafbaar feit geen sprake is, althans dat dit niet kan worden toegerekend aan cliënte - nader te kunnen onderbouwen, wenst de verdediging de navolgende personen te horen als getuigen:
(…)
II.
[verbalisant 2], ambtenaar bij de Douane Groningen, Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving, werkzaam aan Hanzelaan 310 te (8017 JK) Zwolle, telefoonnummer 06- [telefoonnummer 2] .
(…)
6. (Ad II) [verbalisant 2] is ambtenaar bij de Douane Groningen, Team POSS. Zij is betrokken geweest bij het opsporingsonderzoek in verband met de betreffende transacties en heeft het proces-verbaal in onderhavige zaak opgesteld. [verbalisant 2] heeft bij het opstellen van het proces-verbaal uitgelegd op basis waarvan
bij haarhet vermoeden is ontstaan dat de transacties als verdacht hadden moeten worden gemeld. Cliënte heeft in haar verklaring(-en) uiteengezet hoe die omstandigheden volgens haar dienen te worden uitgelegd. Op alle door mw. [verbalisant 2] genoemde indicatoren is cliënte ingegaan. De daarbij genoemde feiten zijn, voor zover dat uit het proces-verbaal blijkt, niet betrokken bij de conclusies van [verbalisant 2] . In ieder geval blijkt niet dat deze feiten en omstandigheden verder zijn onderzocht. Dat is, nu de genoemde indicatoren overduidelijk voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, opmerkelijk. Bepaalde onderdelen lijken eenvoudigweg verkeerd te zijn begrepen door [verbalisant 2] . De verdediging wenst [verbalisant 2] te vragen waarom de informatie, verstrekt door cliënte, desondanks niet nader is onderzocht en/of bij het onderzoek is betrokken.
7. De informatie die in het licht van bovenstaande mogelijk kan worden verkregen, is relevant in het licht van een mogelijk te voeren rechtmatigheids- of ontvankelijkheidsverweer (al dan niet in de zin van art. 359a Sv). Zonder te beschikken over nadere uitleg van [verbalisant 2] , heeft het er immers alle schijn van dat het strafrechtelijk onderzoek niet gericht is geweest op de waarheidsvinding, maar dat uitsluitend aandacht is gegeven aan potentieel belastend bewijs. Daarmee - als dat vast zou komen te staan - zou zijn gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie en het recht op een eerlijk proces en is cliënte, door thans te worden vervolgd op basis van een onvolledig en eenzijdig dossier, in haar belangen geschaad. Dergelijke vormverzuimen - mits onherstelbaar - dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, althans tot bewijsuitsluiting.
8. Daarnaast wenst de verdediging [verbalisant 2] te vragen om toe te lichten welk onderzoek bij of naar [bedrijf] is gedaan, waarom (niet) en wat de uitkomst daarvan is geweest.
9. Deze bevindingen zijn niet alleen van belang voor de vraag naar de rechtmatigheid van het onderzoek, maar eveneens van belang voor de vraag naar wat cliënte wist of kon weten. Indien bijvoorbeeld is gebleken dat [bedrijf] geen reden had om te vermoeden dat de grondstoffen mogelijk zouden worden gebruikt ten behoeve van het vervaardigen van drugs, ondersteunt dit het standpunt van cliënte dat zij - een stap verder verwijderd van de uiteindelijke afnemer van de grondstoffen - ook geen aanleiding had te veronderstellen dat sprake was van een verdachte transactie. Gelet op het bovenstaande, is de informatie van [verbalisant 2] mogelijk van belang voor het (ontlastend) bewijs van opzet dan wel enige schuld.’
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 juli 2018 houdt verder onder meer het volgende in:

De raadsvrouwe
Met het hanteren van indicatoren om vast te stellen of er sprake van enige verdenking is, heb ik geen probleem. Wat mij wel bezwaart, is dat er in deze zaak niet verder is gegaan dan het toetsen van de indicatoren. Als daaruit dan een verdenking ontstaat, moet er verder onderzoek plaatsvinden. Cliënt heeft er geen moeite mee dat haar visie niet wordt gedeeld, maar wel dat op grond van haar argumenten geen nader onderzoek is ingesteld. Bij die handelwijze moeten grote vraagtekens worden geplaatst en daarover moet [verbalisant 2] uitleg geven. Wellicht heeft zij een volstrekt afdoende verklaring voor haar handelen, maar daar is tot op heden in mijn ogen niet van gebleken. Ik persisteer bij mijn verzoek tot het horen van [verbalisant 2] .’
11. De economische politierechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft op de betreffende terechtzitting het verzoek tot het horen van de getuige [verbalisant 2] afgewezen. De economische politierechter heeft overwogen dat [verbalisant 2] een ‘uitgebreid proces-verbaal’ heeft opgemaakt ‘waarin zij haar handelingen heeft omschreven. In haar conclusies kan de verdediging zich niet vinden. Dit verschil in inzicht dient niet door een verhoor van [verbalisant 2] als getuige te worden besproken. Daartoe is de zitting waarop deze strafzaak inhoudelijk zal worden behandeld de geschikte plek’.
12. Op 7 maart 2019 vond de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg plaats. Op diezelfde dag is door de economische politierechter mondeling vonnis gewezen. De verdachte is wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van Pro de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,00, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft voorts de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete verlengd met 1 jaar.
13. Tegen het vonnis is namens de verdachte op 19 maart 2019 hoger beroep ingesteld. In de appelschriftuur, die op 2 april 2019 is ondertekend, heeft de raadsvrouw vermeld dat zij nog niet beschikte over het proces-verbaal van de terechtzitting en/of de aantekening mondeling vonnis. De raadsvrouw heeft zich in de appelschriftuur het recht voorbehouden om, na ontvangst van alle stukken, in een latere fase onderzoekswensen op te geven en heeft verzocht deze wensen ‘aan de hand van het verdedigingsbelang te beoordelen’.
14. Vervolgens heeft de raadsvrouw op 19 juni 2020 in een brief verzocht om [verbalisant 2] als getuige te (doen) horen. De brief houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot): [1]
‘3. Aangezien [verdachte] ten tijde van het indienen van het appelschriftuur nog niet beschikte over het proces-verbaal van de terechtzitting en/of de aantekening mondeling vonnis, kon zij destijds niet goed beoordelen of zij belang heeft bij nadere onderzoekswensen teneinde haar standpunten in hoger beroep kracht bij te zetten.
Om deze reden heeft [verdachte] zich in het appelschriftuur uitdrukkelijk het recht voorbehouden om in een latere fase onderzoekswensen op te geven, hetgeen zij door deze doet. [verdachte] verzoekt u deze onderzoekswensen te beoordelen aan de hand van, althans op een wijze die neerkomt op toepassing van, het verdedigingsbelang.

Onderzoekswensen

4. [verdachte] verzoekt Uw Gerechtshof te horen als getuige:
[verbalisant 2] , ambtenaar bij de Douane Groningen, Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving, werkzaam aan de Hanzelaan 310 te (8017 JK) Zwolle, telefoonnummer 06- [telefoonnummer 2] .
(…)
6. Deze verzoeken worden in het navolgende toegelicht.
Ad 1: Verzoek tot het horen van [verbalisant 2]
7. [verbalisant 2] is betrokken geweest bij het opsporingsonderzoek in verband met de betreffende transacties en heeft het proces-verbaal in onderhavige zaak opgesteld. [verbalisant 2] heeft bij het opstellen van het proces-verbaal uitgelegd op basis waarvan bij haar het vermoeden is ontstaan dat de transacties als verdacht hadden moeten worden gemeld.
8. [verdachte] heeft in een verklaring uiteengezet hoe die omstandigheden volgens haar dienen te worden uitgelegd. Deze uitleg is niet verder onderzocht door en niet betrokken bij de conclusies van [verbalisant 2] ; het proces-verbaal geeft daarvan in elk geval geen blijk. Dit is, nu de door [verbalisant 2] genoemde omstandigheden overduidelijk voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, opmerkelijk. De verdediging heeft in eerste aanleg de economische politierechter om deze reden verzocht om [verbalisant 2] te mogen bevragen over de redenen waarom de door haar verstrekte informatie niet nader is onderzocht. Daarnaast heeft de verdediging aangekondigd [verbalisant 2] te willen vragen welk onderzoek bij of naar [bedrijf] is gedaan, waarom (niet) en wat de uitkomst is geweest. Deze bevindingen zijn van belang voor de vraag naar wat [verdachte] wist of kon weten en, daarmee, voor het (ontlastend) bewijs van opzet dan wel enige verwijtbaarheid.
9. De economische politierechter heeft voornoemd verzoek afgewezen. Hiertoe heeft de economische politierechter overwogen dat [verbalisant 2] "een uitgebreid proces-verbaal [heeft] opgemaakt waarin zij haar handelingen heeft omschreven. In haar conclusies kan de verdediging zich niet vinden. Dit verschil van inzicht dient niet door een verhoor van [verbalisant 2] als getuige te worden besproken”.
10. [verdachte] is tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak uitvoerig op het proces-verbaal van [verbalisant 2] ingegaan. Hiervoor verwijst zij naar de pleitaantekeningen.
11. Het belang om [verbalisant 2] te horen, zoals hierboven omschreven, geldt nog steeds. Dat geldt thans te meer, nu de economische politierechter het bewijs van de tenlastegelegde overtreding (vrijwel) volledig heeft gebaseerd op de inhoud van en de conclusies in het proces-verbaal van [verbalisant 2] . Nu de economische politierechter daarmee zijn vonnis "
solely or to a decisive extent" heeft gebaseerd op het belastende proces-verbaal van [verbalisant 2] , dient [verdachte] in de gelegenheid te worden gesteld om de inhoud van en de conclusies in het proces-verbaal te verifiëren en/of te falsifiëren bij de opsteller daarvan, alsmede om de kennis en kunde op het gebied van drugsprecursoren van die opsteller te toetsen.’
14. Op 26 april 2021 is aan de raadsvrouw naar aanleiding van dit verzoek namens de poortraadsheer een e-mail gestuurd. [2] Deze e-mail houdt onder meer het volgende in:
‘De aard van de vragen die de verdediging wenst voor te leggen aan [verbalisant 2] laten zich lastig(er) tot beantwoording tijdens een verhoor bij de raadsheer-commissaris. Derhalve heeft de poortraadsheer de advocaat-generaal opgedragen de door de verdediging ten aanzien van [verbalisant 2] in de e-mail van 19 juni 2020 opgeworpen vragen, te laten beantwoorden door [verbalisant 2] in een aanvullend proces-verbaal. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2021 wordt per post aan u verstrekt’.
15. Vervolgens is (naar ik begrijp) door de verdediging een e-mail gestuurd aan de poortraadsheer waarin is uiteengezet waarom zij zich niet met deze werkwijze kan verenigen. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in: [3]
‘Om eventuele misverstanden te voorkomen merk ik op dat wij pas zijn geïnformeerd over de beslissing om de advocaat-generaal op te dragen om [verbalisant 2] aanvullend proces-verbaal te laten opmaken, nadat deze opdracht al was uitgevoerd. Ons is niet (vooraf) gevraagd of wij ons in die werkwijze konden vinden, of daarmee in onze optiek aan het verzoek om [verbalisant 2] te horen uitvoering werd gegeven en of wij bijvoorbeeld nog vragen hadden om aan haar te (laten) stellen.
De verdediging onderschrijft uw uitgangspunt dat, bij het bepalen van de wijze waarop vragen van de verdediging zouden kunnen beantwoord, kan worden onderzocht welke wijze van vragen stellen voor een specifieke zaak het meest geschikt lijkt. Er kunnen immers omstandigheden zijn die het horen van een getuige lastig of onmogelijk maken of situaties waarin te verwachten is dat vragen niet of nauwelijks mondeling zullen kunnen worden beantwoord. Van dergelijke omstandigheden of situaties is in onderhavige zaak echter geen sprake. De verdediging is dan ook van mening dat het laten opstellen van een aanvullend proces-verbaal door de brief d.d. 19 juni 2020 toe te sturen aan de getuige, niet een geschikte of toereikende manier was. Ik zal dat toelichten.
Allereerst geldt dat de verdediging een verzoek heeft gedaan tot het horen van [verbalisant 2] en niet tot
het laten opstellen van een aanvullend-proces verbaalvan bevindingen. Een aanvullend proces-verbaal kan niet worden gelijkgesteld aan een verhoor bij de raadsheer-commissaris. De verdediging wordt daarmee immers niet in de gelegenheid gesteld om vragen aan [verbalisant 2] te stellen, om naar aanleiding van haar antwoorden door te vragen, en om de betrouwbaarheid van die antwoorden in verhoor te toetsen, etc.
Voorts zijn ons geen feiten of omstandigheden bekend op grond waarvan zou moeten worden gevreesd dat de vragen die de verdediging wenst te stellen, niet of minder goed in persoon zouden kunnen worden beantwoord.
Daar komt bij dat - los van de vragen of (i) de verdediging recht heeft op horen van een getuige in persoon en of (ii) schriftelijk vragen stellen dan wel horen in persoon het meest geschikt was - de verdediging (iii) ook niet in de gelegenheid is gesteld om eventuele schriftelijke vragen aan [verbalisant 2] op te geven. De toelichting op het verzoek om [verbalisant 2] te horen als getuige (de brief d.d. 19 juni 2020) kan bezwaarlijk als zodanige opgave worden beschouwd; deze toelichting bevat slechts een globale weergave van hetgeen de verdediging aan [verbalisant 2] had willen vragen. Deze globale weergave is niet alleen onvolledig, maar dient eveneens een volstrekt ander doel dan het (werkelijke) ondervragen van een getuige; deze globale weergave is opgenomen in de brief d.d. 19 juni 2020 teneinde het belang van de verdediging bij het horen van deze getuige te kunnen onderbouwen. Het opgeven van alle vragen bij het doen van een verzoek om een getuige te horen, is overigens ook niet vereist.
Het resultaat van een en ander is dat [verbalisant 2] slechts zeer summier aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, welk proces-verbaal geen antwoord geeft op de vragen van de verdediging. Een bijkomend - onherstelbaar - gevolg van het toezenden van de brief d.d. 19 juni 2020 is dat [verbalisant 2] kennelijk door middel van toezending hiervan op de hoogte is gesteld
van de redenen waaromde verdediging haar wenst te horen. Dat is onverenigbaar met het belang van de verdediging om haar (zo) onbevangen (mogelijk) te ondervragen.
In het arrest
Keskin t. Nederlandheeft het EHRM het belang van een verdachte om een getuige te ondervragen onderstreept (“
an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness"). Ten aanzien van een belastende getuige geldt dat indien het openbaar ministerie heeft besloten dat een persoon een relevante informatiebron vormt en zich tijdens het strafproces baseert op zijn of haar getuigenverklaring, en indien de rechter die getuigenverklaring mogelijk zal gebruiken voor het bewijs, in beginsel moet worden aangenomen dat de verdachte belang erbij heeft deze getuige te horen. Het willen toetsen van de "
truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her" is voldoende (EHRM Keskin t. Nederland, par. 56). Ik verwijs hiervoor ook naar de conclusie van A-G Bleichrodt d.d. 9 maart 2021, waarin hij schreef dat "
als uitgangspunt heeft te gelden dat het belang van de verdediging bij de ondervraging van een belastende getuige teneinde de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te kunnen toetsen dient te worden verondersteld" (ECLI:NL:PHR:2021:231, par. 41).
Met andere woorden: de verdediging heeft belang bij het horen van een belastende getuige om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van diens bevindingen en/of verklaring te toetsen. Aan dit belang kan bezwaarlijk worden tegemoetgekomen door middel van de onderhavige werkwijze. In elk geval biedt deze werkwijze niet de door het EHRM bedoelde
adequate and proper opportunity to challenge and question a witness.
Gelet op het voorgaande, persisteer ik bij het verzoek van de verdediging om [verbalisant 2] te horen als getuige. Ik verzoek u om uw beslissing (om [verbalisant 2] niet te horen als getuige) te heroverwegen, althans de verdediging in de gelegenheid te stellen dit verzoek ter zitting te herhalen.’
16. Op 13 oktober 2021 vond in hoger beroep een terechtzitting plaats, alwaar – volgens het proces-verbaal van die terechtzitting - de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen. Die houden onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):
‘2. Cliënte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Om nader te kunnen onderbouwen dat van een strafbaar feit geen sprake is, althans dat dit niet kan worden toegerekend aan cliënte, zijn door cliënte bij brief van 19 juni 2020 haar onderzoekswensen opgegeven, bestaande uit het verzoek tot het
horenals getuige van [verbalisant 2] , ambtenaar bij de Douane Groningen en het voorwaardelijke verzoek een chemicus te horen als deskundige. Ik zal deze onderzoekswensen hier (samengevat) herhalen, tenzij u deze als herhaald en ingelast beschouwt (
bijlage 1).
3. Naar aanleiding van het verzoek van de verdediging, heeft de Poortraadsheer de advocaat-generaal "
opgedragen om de door de verdediging ten aanzien van [verbalisant 2] in de e-mail van 19 juni 2020 opgeworpen vragen, te laten beantwoorden door [verbalisant 2] in een aanvullend proces-verbaal”. Ten behoeve hiervan is - zonder dat de verdediging hierin is gekend - aan [verbalisant 2] de (volledige) opgave van de onderzoekswensen van de verdediging toegestuurd. De verdediging heeft van het bovenstaande (pas) kennisgenomen nádat deze opdracht al was uitgevoerd.
4. De verdediging heeft vervolgens bij e-mail van 14 mei 2021 uitvoerig uiteengezet om welke redenen zij zich niet met deze werkwijze kan verenigen. De inhoud van deze e-mail zal ik hier (samengevat) herhalen, tenzij u deze als herhaald en ingelast beschouwt (
bijlage 2). Ik voeg hier het volgende aan toe.

Onderzoekswensen

Verzoek tot het horen van [verbalisant 2]
5. Kort samengevat verzoekt de verdediging (alsnog) in de gelegenheid te worden gesteld [verbalisant 2] te horen als getuige omdat:
1. de verdediging een zwaarwegend belang heeft bij het horen van een belastende getuige om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van diens bevindingen en/of diens verklaring te toetsen;
2. de verdediging (nog steeds) niet in de gelegenheid is geweest [verbalisant 2] vragen te stellen, om naar aanleiding van haar antwoorden door te vragen en/of om de betrouwbaarheid van die antwoorden te toetsen;
3. het (doen laten) opmaken van een aanvullend proces-verbaal door [verbalisant 2] geenszins kan worden gelijkgesteld aan een verhoor op de terechtzitting, althans bij de raadsheer-commissaris;
4. het (summiere) aanvullende proces-verbaal dat door [verbalisant 2] is opgesteld niet alle vragen van de verdediging beantwoordt - waarbij (ten overvloede) wordt opgemerkt dat in de brief van 19 juni 2020 niet alle vragen die de verdediging aan de getuige wenst te stellen, zijn opgegeven, maar (slechts) het belang bij het horen van de getuige is toegelicht (ter onderbouwing waarvan hooguit een eerste aanzet voor de mogelijke formulering van enkele vragen is beschreven);
5. de verdediging (ook) niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld vragen te formuleren aan [verbalisant 2] ; en
6. er geen feiten of omstandigheden bekend zijn die maken dat de vragen die de verdediging wenst te stellen, niet of minder goed in persoon gesteld zouden kunnen worden.
(…)
8. De verdediging herhaalt kort samengevat haar verzoek om [verbalisant 2] te horen als getuige onder leiding van de raadsheer-commissaris en verzoekt om die reden een verwijzing naar de raadsheer-commissaris.’
17. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2021 houdt voorts het volgende in:
‘De raadsvrouw (…) deelt aanvullend op vragen van het hof als volgt mede:
[verbalisant 2] is geen getuige maar kan wel als belastende getuige worden gekwalificeerd omdat zij in het proces-verbaal belastend heeft verklaard over mijn cliënt. Zij heeft bepaalde indicatoren aangehaald, welke redengevend zijn om een melding te doen. Het is van belang om te achterhalen waarom deze indicatoren, nu deze inhoudelijk door mijn cliënt zijn betwist, alsnog als belastend zijn uitgelegd door [verbalisant 2] . Over die bevindingen, welke ook als bewijs zijn gebruikt, wenst de verdediging [verbalisant 2] te bevragen. Deze indicatoren zijn niet doorslaggevend om een melding te maken. De mogelijkheid om [verbalisant 2] te bevragen en ook door te kunnen vragen door de verdediging bestaat alleen als zij als getuige wordt gehoord. De verdediging wenst [verbalisant 2] vragen te stellen over haar deskundigheid en over haar bevindingen en waarom deze bevindingen op een bepaalde wijze zijn gekwalificeerd.
(…)
De advocaat-generaal deelt desgevraagd als volgt mede:
(…)
Ik ben van mening dat beide verzoeken van de verdediging dienen te worden afgewezen.
Ten aanzien van het horen van [verbalisant 2] als getuige het volgende. [verbalisant 2] heeft een aantal waarnemingen gedaan op grond van de bevindingen die bij het drugslab zijn gedaan. Bij het drugslab zijn een aantal vaten, met daarop de naam van de verdachte als afzender, aangetroffen. Er is vervolgens nader onderzoek verricht. Alle rekeningen zijn nagelopen en er zijn getuigen gehoord. De verklaring van [verbalisant 2] geldt niet als een sole and decisive bewijsstuk. Zij heeft slechts haar bevindingen opgeschreven en zij is niet als getuige gehoord. Het bewijs bevindt zich niet enkel en alleen in de verklaring van [verbalisant 2] . [verbalisant 2] dient eigenlijk niet als getuige maar als deskundige te worden gehoord. De verdediging heeft niet gesteld dat er aan de deskundigheid van [verbalisant 2] getwijfeld wordt of dat haar bevindingen niet zouden kloppen. Het is aan het hof om de bevindingen van [verbalisant 2] te beoordelen. Het hof dient aan de hand van alle stukken te beoordelen of er sprake is geweest van een overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Het gaat om een juridisch vraagstuk dat niet door [verbalisant 2] of de directrice van het bedrijf, maar ter terechtzitting door het hof dient te worden beoordeeld. De verdediging heeft niet gesteld dat er gebreken kleven aan de bevindingen van [verbalisant 2] .
(…)
De raadsvrouw deelt desgevraagd als volgt mede:
Het gaat niet zo zeer om de aangetroffen rekeningen. Het gaat om de bevindingen die door [verbalisant 2] zijn gedaan. Zij heeft indicatoren aangehaald waarvan zij op basis van haar deskundigheid meent dat er een melding had moeten worden gemaakt. De verdediging wenst [verbalisant 2] te bevragen over haar deskundigheid en hoe zij tot haar bevindingen is gekomen.’
18. Op 27 oktober 2021 heeft het hof vervolgens een tussenuitspraak gewezen. Daarin heeft het hof onder meer het verzoek van de raadsvrouw om [verbalisant 2] als getuige te horen afgewezen. Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:
‘Het hof stelt vast dat [verbalisant 2] op 22 april 2021 een uitgebreid proces-verbaal heeft opgemaakt, waarin zij haar ambtshandelingen heeft omschreven. Het hof heeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de wijze van de totstandkoming van het proces-verbaal. Dat de verdediging het niet eens is met de conclusies van [verbalisant 2] , maakt dit niet anders. Het is namelijk aan het hof om de bevindingen van [verbalisant 2] te beoordelen, welke tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak zullen worden besproken’.
19. Op 9 februari 2022 vond in hoger beroep de inhoudelijke behandeling plaats. Het hof, dat anders was samengesteld dan op de terechtzitting van 13 oktober 2021, heeft het onderzoek van de zaak aldaar met instemming van de advocaat-generaal, de vertegenwoordiger van de verdachte en de raadsvrouw hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond. De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van deze zitting het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘II. Bewijsverweer: geen wettig en overtuigend bewijs voor verdachte transacties

II.I. Uitsluiting voor bewijs

(…)
10. De economische politierechter heeft het bewijs van de tenlastegelegde overtreding (vrijwel) volledig gebaseerd op de bevindingen in het belastende proces-verbaal van [verbalisant 2] . Hierin beschrijft zij (eenzijdig) enkele indicatoren die in haar visie zouden leiden tot de conclusie dat in alle gevallen sprake zou zijn geweest van ongebruikelijke of een ongewone transacties tussen [verdachte] en [bedrijf] . Het verzoek van de verdediging om in hoger beroep [verbalisant 2] te horen als getuige is afgewezen nadat, zonder medeweten van de verdediging, de Poortraadsheer de advocaat-generaal [verbalisant 2] had opgedragen om een aanvullend proces-verbaal op te laten stellen. Dit aanvullende proces-verbaal kan geenszins worden gelijkgesteld met het horen van [verbalisant 2] als getuige waarbij haar vragen gesteld kunnen worden en de betrouwbaarheid van haar antwoorden kan worden getoetst. Voor zover de processen-verbaal van [verbalisant 2] zouden worden gebezigd voor het bewijs, levert dit (gelet op het voorgaande) schending op het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van 'the overall fairness of the trial'. De verdediging heeft immers geen gelegenheid gehad tot (verdere) betwisting van de inhoud en de betrouwbaarheid van de processen-verbaal. Evenmin zijn compenserende maatregelen getroffen. Bij die stand van zaken dienen de processen-verbaal te worden uitgesloten van het bewijs en dient vrijspraak te volgen wegens het ontbreken van (belastend) bewijs. Mocht Uw hof bij de beraadslaging overwegen de betreffende processen-verbaal van [verbalisant 2] te willen bezigen voor het bewijs, dan wordt voorwaardelijk verzocht deze verbalisant als getuige te horen over de door haar opgemaakte processen-verbaal. Voor zover Uw Hof hieraan voorbij zou gaan, wordt de juistheid van de inhoud van de processen-verbaal betwist. Ik ga hierop in het navolgende verder in.

II.II. Transacties [verdachte] en [bedrijf] niet verdacht

11. Blijkens het veroordelend vonnis in eerste aanleg wordt [verdachte] zoals gezegd verweten dat zij een of meer voorvallen - zijnde een aantal verkopen en/of leveringen van zoutzuur en zwavelzuur aan [bedrijf] - opzettelijk niet heeft gemeld, terwijl deze voorvallen c.q. transacties erop zouden kunnen wijzen dat de in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt voor de vervaardiging van drugs (hierna:
'verdachte transacties').
12. Artikel 8 van Pro de Verordening inzake drugsprecursoren (EG) nr. 273/2004 bepaalt kort samengevat dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.
13. Anders dan overwogen door de economische politierechter, is van enige verdachte transacties door [verdachte] met [bedrijf] geen sprake. De transacties met [bedrijf] behoefden namelijk - ook achteraf bezien - niet te worden gemeld, omdat deze transacties niet wezen op een mogelijk misbruik van de stoffen
door [bedrijf]. Uit niets bleek - en blijkt -immers dat [bedrijf] van plan zou zijn geweest om die stoffen te misbruiken voor de vervaardiging van drugs, laat staan dat [verdachte] daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat [bedrijf] de stoffen met dat doel zou hebben gekocht. Sterker nog, [bedrijf] antwoordde op de vraag of hij ooit had gedacht dat de stoffen gebruikt zouden worden voor de productie van drugs ondubbelzinnig 'nee'. [bedrijf] heeft ook verklaard dat hij niet van plan was om de stoffen met dat doel te gebruiken, maar om ze door te verkopen aan een klant van hem.
14. Hieruit volgt dat de transacties
tussen [verdachte] en [bedrijf]geen transacties waren waarvan [verdachte] een melding had behoren te doen, omdat deze transacties er noch op konden wijzen noch op wezen dat de stoffen wellicht voor de productie van drugs zouden kunnen worden gebruikt.
15.
Hoogstenszou kunnen worden gezegd dat
[bedrijf]de transacties tussen hem en zijn afnemer zou hebben moeten melden, omdat
die transactieser mogelijk op wezen dat de stoffen zouden worden misbruikt. Zo heeft de klant van [bedrijf] er kennelijk op gestaan dat hij contant mocht betalen, hetgeen als een indicatie voor misbruik zou kunnen worden beschouwd. Van dergelijke omstandigheden was [verdachte] echter niet op de hoogte én daarvan was ook geen sprake van bij de transacties tussen [verdachte] en [bedrijf] . Het al dan niet bevestigende antwoord op de vraag of [bedrijf] de transactie tussen hem en zijn kennelijke afnemer(s) had moeten melden, kan [verdachte] evenwel niet worden tegengeworpen en is bovendien irrelevant voor de vraag of [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt aan enig strafbaar feit.
16. Gelet op het voorgaande verzoek ik Uw Hof [verdachte] integraal vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.

II.III. Geen verdachte transacties, want geen aanwijzingen voor misbruik

17. Zou Uw Hof van oordeel zijn dat de transacties tussen [verdachte] en [bedrijf] als zodanig al een meldplicht zouden hebben opgeleverd, dan komt dat erop neer dat [verdachte] zou hebben moeten melden, ongeacht wat [bedrijf] voornemens was met de stoffen te doen.
18. Dat is niet het geval. [verdachte] heeft namelijk bij de precursorendienst reeds voorgesteld - uit voorzorg - alles te gaan melden. [betrokkene 5] verklaarde hierover dat de precursorendienst daar niet van gecharmeerd was en dat dit [voor de precursorendienst] ‘
teveel werk’ zou zijn.
19. In het licht van de jurisprudentie die betrekking heeft op het ten laste gelegde misdrijf, lijkt een dergelijke benadering evenmin juist te zijn. Daaruit is immers af te leiden dat degenen die voor deze feiten worden vervolgd, doorgaans de (recht-)personen zijn die ook zelf - meer of minder rechtstreeks - betrokken waren bij de productie van drugs c.q. bij het misbruik van de producten. In een enkel geval is sprake van een vervolging van een leverancier die niet zelf drugs produceerde c.q. de stoffen misbruikte, maar daarvan is duidelijk dat de leverancier (rechtstreeks) leverde aan de producent van drugs c.q. de misbruiker van de stoffen én dat die leverancier van dat misbruik daadwerkelijk op de hoogte was (er werd contant betaald, de bestellingen werden in een aparte, verborgen map bewaard, vennoten van het bedrijf verklaarden te hebben geweten dat het geen normale bestellingen waren, etc.). Het staat vast dat van dergelijke omstandigheden (betrokkenheid bij de productie en/of een levering direct aan de producent) in onderhavige zaak geen sprake is.
20. Zou Uw Hof desondanks van oordeel zijn dat dient te worden beoordeeld of de verkopen en leveringen door [verdachte] aan [bedrijf] - dus los van de vraag wat [bedrijf] wist van of wilde met het vervolgtraject van die producten - op zichzelf al een meldplicht opleverden, geldt het navolgende.
21. [verdachte] stelt zich op het standpunt dat van een meldplicht geen sprake was, omdat de transacties tussen haar en [bedrijf] geen verdachte transacties waren nu deze er ex tunc niet op wezen dat de stoffen wellicht zouden worden misbruikt ten behoeve van de productie van drugs. Ik licht dit als volgt toe.
Beoordeling per transactie
22. Over een periode van een half jaar vonden in totaal acht afzonderlijke transacties plaats van categorie 3 stoffen tussen [verdachte] en [bedrijf] .
23. Van belang voor de vraag of de vermeend verdachte indicaties die door [verbalisant 2] worden opgesomd in het proces-verbaal van 26 juni 2017, al dan niet acht afzonderlijke keren zouden hebben moeten geleid tot een melding verdachte transactie chemicaliën, is van belang
op welk momentdie vermeende indicaties een rol zou kunnen hebben gespeeld bij die beoordeling. Door de economische politierechter, die de veroordeling heeft gestoeld op dit betreffende proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , wordt retrospectief een onjuist toetsingskader voor de beoordeling van álle transacties gehanteerd door alle door [verbalisant 2] verzamelde indicaties
gezamenlijkten grondslag te leggen aan de beoordeling van
álle transacties. Dat is onjuist.
24. Ter illustratie wordt verwezen naar een door [verbalisant 2] als verdachte indicatie bestempelde e-mail van 15 december 2016 die er volgens [verbalisant 2] op 'kon duiden' dat [bedrijf] onbekend was met 'de stof'. Deze vermeende indicatie kan in ieder geval niet betrokken worden bij de beoordeling van de transacties van vóór die tijd.
25. Het gaat immers om een beoordeling van de transactie
op het moment van die betreffende transactie. Nu het in deze zaak gaat om acht afzonderlijke transacties over een periode van een half jaar, dient
per transactiete worden beoordeeld of en (en zo ja welke) indicaties een rol zouden kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of
op dat momentsprake was van een verdachte transactie.
26. Uit het voorgaande volgt dus dat per transactie tussen [verdachte] en [bedrijf] dient te worden beoordeeld of er voldoende bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring. Door dit te miskennen, heeft de economische politierechter een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd.
27. In het hiernavolgende licht ik toe dat er in relatie tot geen van de transacties tussen. [verdachte] en [bedrijf] indicaties waren dat de stoffen door [bedrijf] wellicht misbruikt zouden kunnen worden.
[bedrijf] is een betrouwbaar bedrijf
28. Vooropgesteld dient te worden dat [bedrijf] een bekende en betrouwbare klant van [verdachte] is. Zij is ingeschreven in de Kamer van Koophandel, heeft een lange bestaansgeschiedenis, heeft een vast factuuradres, een vast telefoonnummer, een vaste vestigingsplaats en een BTW-nummer. Daarnaast heeft [bedrijf] een professionele website en professionele sociale media-accounts. [bedrijf] betreft sinds 2015 en tot op de dag van vandaag een vaste klant van [verdachte] en betaalt facturen altijd giraal, vanaf een aan haar bedrijf gekoppeld bankrekeningnummer. Anders dan in het proces-verbaal van bevindingen gesuggereerd door [verbalisant 2] , is het vlot betalen van facturen, geenszins een indicatie dat een transactie verdacht is. Los van het feit dat een factuur doorgaans pas voldaan wordt ná de levering en een eventuele melding van een verdachte transactie dan al lang gedaan had moeten worden, blijkt uit werkelijk niets dat iemand die tijdig zijn facturen betaalt een potentieel verdachte afnemer is.
Mailadres [bedrijf] niet opvallend
29. [verbalisant 2] merkt in het proces-verbaal op dat [bedrijf] een volgens haar 'informeel mailadres' (
@yahoo.com) gebruikt. Volgens [verbalisant 2] zou (mede) hierdoor het vermoeden ontstaan dat sprake is van een verdachte transactie. In de eerste plaats blijkt niet dat of waarom dit een informeel mailadres zou zijn. Het mailadres bestaat uit (een deel van) de naam van het bedrijf, gevolgd door de naam van de provider.
30. In de tweede plaats zij opgemerkt dat [bedrijf] dit mailadres gebruikt voor alle communicatie en bestellingen. Dit is door [betrokkene 6] bevestigd. Bovendien volgt het gebruik van dit e-mailadres door [bedrijf] uit de verwijzing naar dit e-mailadres voor contact met [bedrijf] via tal van (openbaar toegankelijke) websites. Het is en was dus een volstrekt gangbaar e-mailadres dat werd en wordt gebruikt door een gerenommeerd bedrijf als [bedrijf] .
31. In de agri-sector zijn dergelijke mailadressen bovendien gebruikelijk; [verdachte] heeft meerdere afnemers met dergelijke e-mailadressen. Hierover verklaarde [betrokkene 2] dat een Yahoo-adres niet opvallend is, bij "
boeren komt dit ook veel voor." Ook [betrokkene 5] heeft bevestigd dat dergelijke mailadressen vaker voorkomen in de agri-sector.
32. In de branche waarbinnen [verdachte] handelt doet een dergelijk mailadres dus zeker
nietvermoeden dat sprake is van een verdachte transactie.
Bestelpatroon [bedrijf] niet opmerkelijk
33. [verbalisant 2] lijkt in het proces-verbaal verder belang te hechten aan het bestelpatroon van [bedrijf] . Ook deze bestempelt zij, kort gezegd, als verdacht.
34. Op 19 april 2016 heeft [bedrijf] voor het eerst 138 kg zoutzuur 30 % besteld en op 22 april 2016 5.520 kg zwavelzuur 96%. [verbalisant 2] lijkt te suggereren dat het verdacht is dat een bedrijf dergelijke stoffen bestelt, terwijl het voorheen andere, niet-geregistreerde stoffen bestelde. In de agri-sector is het echter niet ongebruikelijk dat klanten verschillende stoffen bestellen. Dit is bevestigd door [betrokkene 5] .
Producten niet (zonder meer) verdacht
35. Zowel zwavelzuur als zoutzuur worden vaak en veel gebruikt in de agri-sector en kennen vele bestemmingen en toepassingen. Anders dan overwogen door de economische politierechter, is het geen feit van algemene bekendheid bij uitstek worden gebruikt voor de productie van drugs.
36. De producten als zodanig geven dus geen - althans niet zonder meer - aanleiding voor een vermoeden van misbruik ervan.
Producten niet verdacht (gelet op de kennelijke bestemming)
37. [betrokkene 6] heeft verklaard dat de klant van [bedrijf] de stoffen als gevelreiniger en voor zwembadreiniging wilde gebruiken. Uit het proces-verbaal blijkt dat ook [betrokkene 7] op de hoogte was van het gegeven dat [bedrijf] de stoffen zou doorverkopen, alsmede dat hij wist dat de afnemer (c.q. de klant van [bedrijf] ) de stof als gevelreiniger wenste te gaan gebruiken. Ook [betrokkene 6] heeft bevestigd dat hij aan [verdachte] heeft doorgegeven dat zijn ( [bedrijf] 's) klant de producten ten behoeve van de zwembad- en gevelreiniging wilde gebruiken.
38. Volgens [verbalisant 2] zou een toepassing als gevelreiniger een ongebruikelijke toepassing zijn in de diervoederbranche. Volstrekt onduidelijk is waar deze boute stelling op gebaseerd is. Het is geen feit van algemene bekendheid dat dit een ongebruikelijke toepassing zou zijn. Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 5] hebben verklaard dat bedrijven in de agri-sector wel vaker zoutzuur als ontkalkingsmiddel en/of gevelreiniger en zwavelzuur voor de ph-neutralisatie van water bestellen.
39. Maar, bovendien, de stelling van [verbalisant 2] (dat een dergelijke toepassing in de diervoederbranche ongebruikelijk zou zijn) is niet alleen onjuist en op niets gebaseerd, maar ook irrelevant: het is duidelijk dat niet [bedrijf] , maar
een klantvan [bedrijf] kennelijk aangaf het product als gevelreiniger te gebruiken. Door [verbalisant 2] wordt (terecht) niet gesteld dat een toepassing als gevelreiniger
door een klant vaneen bedrijf in de diervoederbranche ongebruikelijk zou zijn. Ook overigens blijkt daarvan niet.
40. Een toepassing van zoutzuur als gevelreiniger is een legitieme en vaker voorkomende toepassing van het product en ook gebruikelijk voor een bedrijf in de agri-sector, zoals [bedrijf] . Bovendien had [bedrijf] eerder ook (niet-geregistreerde) chemische stoffen van [verdachte] gekocht die op vergelijkbare wijze worden toegepast (formaline en natriumhypochloriet worden gebruikt voor de reiniging van onder meer stallen). Het vermeende gebruik als gevelreiniger door een klant van [bedrijf] geeft dus geen aanleiding voor een vermoeden van misbruik door [bedrijf] . Dit is immers niet ongebruikelijk.
Hoeveelheid niet verdacht
41. [verbalisant 2] hecht daarnaast belang aan de hoeveelheid zoutzuur en zwavelzuur die is besteld. Hieraan lijkt zij de conclusie te verbinden dat een bestelling van een dergelijke hoeveelheid automatisch duidt op een verdachte transactie. Waaraan zij deze wijsheid lijkt te ontlenen, is onbekend. [verdachte] levert in algemene zin aan de agri-sector hoeveelheden van kannetjes van 20 liter tot tankauto's van 25 ton, ook met zwavelzuur en zoutzuur.
42. [bedrijf] heeft in 2016 in totaal 19.000 kg zwavelzuur 96% en 3.678 kg zoutzuur besteld. [betrokkene 2] heeft verklaard dat dit in de branche hele gebruikelijke hoeveelheden betreffen. Daarbij moet ook worden bedacht dat deze hoeveelheden niet in één keer, maar in een tijdsbestek van negen maanden zijn besteld. De bestelde hoeveelheden duiden dan ook niet op een verdachte transactie.
Onbekendheid met product noch aan de orde noch opmerkelijk
43. Een ander punt dat [verbalisant 2] opwerpt, is dat [bedrijf] aanvankelijk een product met 'een te hoog' percentage zoutzuur bestelde. Opmerking verdient dat de betreffende e-mail, waaraan [verbalisant 2] deze suggestie ontleent, pas op 15 december 2016 verzond. Dat dit zou duiden op onbekendheid met het product is gebaseerd op niets en suggestief. Het zou verwarring van zwavelzuur met zoutzuur kunnen zijn. Het zou ook een kennelijke typefout geweest kunnen zijn. Of een onschuldige vraag. Of iets anders. Het had op de weg van [verbalisant 2] gelegen nader onderzoek hiernaar te hebben gedaan, in plaats van een suggestieve conclusie te verbinden aan een eigen visie. Bovendien, zou de vraag duiden op onbekendheid met het product, betreft dat hoogstens de onbekendheid van degene die de vraag heeft gesteld c.q. de bestelling heeft gedaan (i.c.: [betrokkene 6] ); dat zegt dus nog niets over de (on)bekendheid met het product van degene die het product zou gaan gebruiken (i.c.: de klant van [bedrijf] ). Overigens is onbekendheid met een product geen indicatie dat een product gebruikt zou worden voor de productie van drugs. Men zou eerder het tegendeel verwachten
44. Het is voor een handelsbedrijf ook niet vreemd om producten op verzoek van klanten te bestellen, terwijl het bedrijf zelf niet op de hoogte is van alle
insen
outsmet betrekking tot het product. [betrokkene 2] verklaarde hierover: "
Dat vind ik niet vreemd. Er zijn boeren die helemaal niet weten wat ze moeten bestellen. Ze bestellen dan een vat zuur, ze weten dan niet of ze zwavelzuur of zoutzuur moeten hebben. En ook niet wetende of het 37% of 96% moet zijn. Er wordt ook vaak chloor besteld door klanten terwijl ze eigenlijk natriumhypochloriet nodig hebben".
45. Voor de vraag of sprake had moeten zijn van een vermoeden van misbruik c.q. of een melding had moeten worden gedaan, is de vermeende onbekendheid met het product dus volstrekt irrelevant.
Alternatief adres niet opmerkelijk
46. Voorts lijkt voor [verbalisant 2] redengevend dat [bedrijf] twee zendingen zwavelzuur heeft laten afleveren op een adres waar een productielaboratorium is aangetroffen. Dat zich kennelijk (later) een drugslaboratorium op het adres bleek te bevinden, was bij [verdachte] vanzelfsprekend niet bekend. Daarmee kon zij dus geen rekening houden. Het adres zelf - naar uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als boerderij - gaf in ieder geval geen aanleiding om de aanwezigheid van een drugslaboratorium te vermoeden.
47. [betrokkene 3] , de chauffeur die de zendingen zwavelzuur heeft afgeleverd op het betreffende adres, is ook niets noemenswaardigs opgevallen. In ieder geval heeft hij geen aanleiding gezien melding te maken van hetgeen hij heeft gezien. Zo verklaarde hij: "
ik weet dat er meldplicht is. Als er onderweg iets ongebruikelijks gebeurt, meld ik dat op kantoor".
48. Overigens is het voor een diervoerderbedrijf ook niet ongebruikelijk om meerdere locaties, waaronder een boerderij, te hebben. Dit hebben ook [betrokkene 5] en [betrokkene 2] bevestigd. [betrokkene 2] verklaarde hierover: "
we hebben klanten met wel 400 afleveradressen één extra is dus niet zo vreemd".
Wijze van afleveren niet opmerkelijk
49. Dat de chauffeur één van de leveringen onbeheerd heeft achtergelaten, is tot slot ook geen reden voor een vermoeden van een verdachte transactie. De chauffeur had immers al eerder geleverd op dat adres. Uit de verklaring van [betrokkene 3] , een medewerker die al langer dan 11 jaar in dienst is bij [verdachte] , blijkt dat de levering van 2 juni 2016 op het betreffende adres in persoon in ontvangst is genomen. In zijn verklaring valt te lezen dat hij later, op 1 juli 2016 aanvankelijk bij [bedrijf] in [plaats] was, waarna hij kennelijk naar de [a-straat] te [plaats] werd gestuurd door [bedrijf] . Dat daar op dat moment mogelijk niemand was om de lading in ontvangst te nemen, heeft de chauffeur, uitgaande van de inhoud van voornoemde verklaring en het feit dat hij er eerder al geweest was, niet als opmerkelijk ervaren en evenmin actief gemeld aan [verdachte] . De wijze van afleveren was dus allerminst opvallend
Conclusie
50. Nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake was van een verdachte transactie, kan ook niet worden bewezen dat [verdachte] heeft nagelaten de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen hiervan. Ik verzoek dan ook cliënte vrij te spreken van hetgeen ten laste is gelegd.
20. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter deelt mede:
Niet betwist is dat verdachte hoeveelheden zoutzuur en zwavelzuur heeft geleverd aan [bedrijf] in de tenlastegelegde periode?
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Dat klopt.
(…)
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
U zegt mij dat twee zendingen zijn geleverd aan de [a-straat 1] te [plaats] en aldus sprake was van een ander afleveradres. Ik zeg u dat meerdere klanten meerdere afleveradressen hebben. U vraagt mij hoe ik denk over het onbeheerd achterlaten van bestellingen. Daarover hebben wij een discussie met onze chauffeurs. Als de bestelling op een veilige manier kan worden achtergelaten en deze niet via de openbare weg toegankelijk is, dan is het goed. De voorzitter zegt mij dat het wellicht ongebruikelijk is dat [bedrijf] stoffen voor gevelreiniging bestelt? [bedrijf] is voor mij een handelaar. Het product voor gevelreiniging is het eerste product dat hij van mij gekocht heeft. De voorzitter zegt mij dat een werknemer van de verdachte heeft verklaard dat in geval van een bestelling door [bedrijf] niet gemeld hoefde te worden. Dat is niet juist.
(…)
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
(…) Wij leveren mierenzuur aan de tuinbouw. Het eten staat op substraat, meestal glaswol. Daarbij is sprake van twee injectiepunten en zo krijgt de teelt stoffen toegediend, zoals salpeterzuur, mierenzuur etc. U vraagt mij naar het gebruik van die stoffen bij een diervoederbedrijf en naar de nuttige toepassingen van die stoffen behalve schoonmaak? Voor mij is [bedrijf] geen diervoederbedrijf. Het bedrijf beperkt zich daar niet toe. Aan het bedrijf hebben wij met name natriumhypochloriet en formaldehyde geleverd. Als hij ook een keer iets anders vraagt, kan dat. U zegt mij dat de vraag blijft of er een mechanisme in een bedrijf is of moet zijn waardoor een alarmbel gaat rinkelen bij een bestelling van een combinatie van stoffen die ook anderszins gebruikt kan worden. Ik zeg u dat wij daarvoor procedures hebben.
De oudste raadsheer deelt mede:
De in de tenlastelegging opgenomen stoffen zijn enorme hoeveelheden waarmee gigantische hoeveelheden drugs gemaakt kunnen worden. Vanuit die perceptie is zoutzuur, mierenzuur en zwavelzuur een merkwaardige combinatie
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Dat kan zo zijn, maar wij leveren aan de agri-sector. Daar valt [bedrijf] ook onder en juist daar zijn de hoeveelheden ook groot. De oudste raadsheer vraagt mij wat een dergelijk bedrijf moet met deze hoeveelheden zoutzuur, mierenzuur en zwavelzuur. Ik vraag u of u dat niet vindt van natriumhypochloriet en formaldehyde? U zegt mij dat die stoffen niet worden gebruikt bij de productie van precursoren voor synthetische drugs, maar andere stoffen wel. Ik zeg u dat ik dan alles moet melden, maar dat mag niet van [betrokkene 1] . U zegt mij dat daarom van belang is wanneer wel een melding moet worden gedaan. Wij hebben heel vaak gemeld. U zegt mij dat dit juist is. Ik zeg u dat ons systeem altijd heeft gewerkt, maar dat deze transactie er tussendoor is geslipt. Maar wij deden niks verkeerds meen ik. Wij hebben aan [bedrijf] geleverd en zij deden er niks verdachts mee. De oudste raadsheer zegt mij dat van belang is of de alarmbellen op de juiste wijze functioneerden in deze zaak en dat de advocaat-generaal en de raadsvrouw daarop nog in zullen gaan.
(…)
De jonge raadsheer deelt mede:
U geeft heel duidelijk antwoord op het gebruik van diverse stoffen. Het lijkt erop dat de essentie zit in een combinatie van de stoffen mierenzuur, zwavelzuur en zoutzuur voor de productie van synthetische drugs. Is bij een bestelling van een combinatie van deze stoffen een alarmsysteem aanwezig in uw bedrijf, toen en nu?
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Nee, genoeg bedrijven bestellen alle drie de stoffen. Die combinatie is niet raar. In de praktijk geldt dat als je denkt dat er iets aan de hand is en je ziet een combinatie van bepaalde stoffen, dat je dan melding maakt. U zegt mij dat ik hier zit vanwege de levering van een combinatie van de drie stoffen. Is dat zo? U zegt mij dat van die combinatie synthetische drugs worden gemaakt.
De raadsvrouw deelt mede:
De combinatie van stoffen is niet ineens besteld door [bedrijf] . Dit was over een periode meer dan zes maanden en acht verschillende transacties, maar niet in één transactie.
De jongste raadsheer deelt mede:
Het is terecht dat u dat zegt, maar het maakt de vraag niet anders. Het zou kunnen zijn dat combinaties van stoffen alarmbellen opleveren. Ik neem aan dat het niet voor duizenden klanten geldt dat ze alle drie die stoffen bestellen.
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Het is dus zo dat als een klant eerst zoutzuur bestelt en dan zwavelzuur ik dit niet hoef te melden en als dan mierenzuur wordt besteld ik wel moet melden?
De oudste raadsheer deelt mede:
Juist die stoffen zijn van belang bij de productie van synthetische drugs.
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Ik weet niet hoe dat gemaakt wordt. Wij doen het met een lijst van stoffen die aangereikt wordt. De combinatie van stoffen is mij niet heel bekend voor de productie van synthetische drugs. Daarom staan de stoffen ook op een lijst.
De voorzitter deelt mede:
U heeft net verklaard: als er iets verdachts is en het gaat om die combinatie van stoffen dan moeten we die transactie nader bekijken. De combinatie hoeft volgens u geen alarmbel te doen rinkelen, maar mijn collega vraagt of dat terecht is. U zegt dat die alarmbel niet hoeft te rinkelen. Maar stel dat er nog iets geks is, moet u dan mogelijk wel aan de bel trekken?
De vertegenwoordiger van de verdachte verklaart als volgt:
Dat klopt. De voorzitter vraagt mij of naast de combinatie van stoffen nog meer aan de hand moet zijn? Veel klanten bestellen die combinatie van stoffen. De jongste raadsheer vraagt mij hoeveel klanten dat zijn. Dat zijn klanten uit de tuinbouw. De jongste raadsheer zegt mij dat de vraag is of de onduidelijkheid die ik benoem bestaat, namelijk dat ik niet weet wanneer ik zou moeten melden en dat u het zich slecht kan voorstellen dat het voor mij nieuw is dat de combinatie van de drie stoffen gebruikt wordt voor de productie van synthetische drugs. Ik zeg u dat volgens mij nergens vermeld is dat het leveren van de drie stoffen extra verdacht is. Het is geen standaard procedure in ons bedrijf om de combinatie van die stoffen als verdacht aan te merken. Ik weet niet aan hoeveel bedrijven procentueel deze combinatie van stoffen wordt geleverd.’
21. In het bestreden arrest is het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de getuige samengevat en verworpen als hiervoor (onder randnummer 7) weergegeven.

Relevante regelgeving en rechtspraak

22. Art. 12, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna: het Verdrag van Wenen) verplicht de Partijen de door hen passend geachte maatregelen te treffen en met elkaar samen te werken om te voorkomen dat de in Tabel I en Tabel II genoemde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen. [4] Op grond van art. 12, negende lid onder a, van het Verdrag van Wenen dient elke Partij ten aanzien van de stoffen in Tabel I en Tabel II een systeem van toezicht op de internationale handel in deze stoffen in te stellen en in stand te houden teneinde de ontdekking van verdachte transacties te vergemakkelijken. Deze toezichtsystemen worden, aldus hetzelfde artikellid, toegepast in nauwe samenwerking met fabrikanten, importeurs, exporteurs en groot- en kleinhandelaren, die de bevoegde autoriteiten inlichten over verdachte orders en transacties. Art. 12, negende lid, onder c, verplicht elke Partij de bevoegde autoriteiten en diensten van de betrokken Partijen zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen indien er reden is om te veronderstellen dat de in-, uit- of doorvoer van een in Tabel I of Tabel II genoemde stof de clandestiene vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen tot doel heeft, en met name het verstrekken van gegevens over de wijze van betalen en alle andere belangrijke elementen die tot die veronderstelling hebben geleid.
23. Art. 12 van Pro het Verdrag van Wenen omschrijft het begrip ‘verdachte transacties’ niet. Uit art. 12, negende lid onder a, van het Verdrag in samenhang met art. 12, negende lid onder c, volgt een aanwijzing dat sprake is van een verdachte transactie indien er, kort gezegd, reden is om te veronderstellen dat de (daarmee samenhangende) in-, uit- of doorvoer van de in het verdrag opgenomen stoffen de clandestiene vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen tot doel heeft. Deze lezing wordt onderschreven door het
Commentary on the United Nations Convention Against Illicit Traffic in Narcotic Drugs and Psychotropic Substances 1988. Onder 12.33 van dit commentaar is het volgende opgenomen: ‘
The second matter dealt with, in subparagraph (c) of paragraph 9, is a crucial aspect of the international cooperation required under paragraph 1, namely the notification of suspicious transactions to the competent authorities of other parties’. [5]
24. De Europese Commissie en de staten van de Groep van Zeven hebben op de Economische Topconferentie van Houston in 1990 de
Chemical Action Task Force(hierna: CATF) opgericht. De CATF had als taak ‘
to address methods to prevent the diversion of chemicals from legitimate commerce for use in manufacturing illicit drugs’. De CATF ‘
began its work with the premise that its recommendations should build upon the 1988 UN Convention’. De bevindingen en de aanbevelingen van de ‘
Working Groups’ van de CATF zijn opgenomen in het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’. [6] De bevindingen en aanbevelingen van de CATF zijn niet aan te merken als verbindende bepalingen van internationaal publiekrecht.
25. Een van de aanbevolen ‘general measures’ houdt het volgende in: ‘
Vigilance on the Part of Operators. Countries must ask operators to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious transactions involving these products. This vigilance must be aimed primarily at detecting doubtful or unusual transactions’. [7] Onder het kopje ‘
Industry and commercial practices’ heeft de CATF aanbevolen dat ‘
to the extent possible under a country’s constitutional principles and the basic concepts of its legal systems, countries establish a mechanism for industry and commercial entities to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious circumstances relative to transactions involving the subject chemicals’. [8]
26. Gehecht aan het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’ is een ‘
List of suspicious circumstances’. Deze lijst heeft als doel om ‘
liaison officers and chemical companies’ te assisteren ‘
in identifying suspect inquiries, orders and transactions’. In de lijst zijn de volgende factoren opgesomd:
‘(a) New customer. (b) A walk-in customer (personal appearance). (c) Private house or PO box number as the address from which the order is made. (d) Irregular ordering. (e) A readiness to pay cash even for large purchases. (f) A readiness to pay the “going” rate without haggling or negotiating. (g) An offer to pay an excessive price for rapid delivery. (h) Will collect the goods and/or provide own vehicle. (i) Requests for purchases in small containers when the goods are said to be for industrial use. (j) Unusual quantities ordered. (k) Indications of intended use which is inconsistent with the chemical(s) ordered. (l) Request for delivery by airfreight. (m) Delivery via dubious transit route. (n) Failure or unwillingness to supply telephone number and/or address. (o) Lack of business acumen. (p). Absence of business stationery. (q) Reluctance to supply written order. (r) Order(s) for more than one precursor or essential chemical. (s) Orders to universities or well-known companies where normal arrangements for ordering goods are used, but delivery is requested to a specific individual’. [9]
27. Deze factoren zijn, meen ik, te relateren aan de identiteit van de klant/afnemer (factoren a, b, n en p), zijn of haar handelspraktijken (factoren c, d, e, f, g, o, q en s), de aflevering van de stof (factoren h, l en m) en het (te verwachten) gebruik van de stof door de klant/afnemer (factoren i, j, k en r).
28. De Europese Economische Gemeenschap heeft het Verdrag van Wenen in 1990 goedgekeurd. [10] Om uitvoering te geven aan de in art. 12 van Pro het Verdrag van Wenen vervatte verplichtingen zijn twee instrumenten aangenomen: Richtlijn 92/109/EEG en Verordening (EEG) nr. 3677/90. [11] De richtlijn beoogde een intracommunautair systeem van toezicht in te stellen op een aantal stoffen die vaak worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zulks ter voorkoming van misbruik (art. 1) en bevatte voorschriften inzake het toezicht op het in de handel brengen van geregistreerde stoffen (titel II). De verordening stelde maatregelen vast die moesten worden genomen om toezicht uit te oefenen op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in stoffen die vaak worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zulks ter voorkoming van misbruik (art. 1).
29. Richtlijn 92/109/EEG (oud) verplichtte de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat een nauwe samenwerking tot stand werd gebracht tussen de bevoegde autoriteiten en de deelnemers aan het handelsverkeer opdat deze laatsten, in de eerste plaats, de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis stellen van ‘alle voorvallen, zoals ongebruikelijke orders en transacties betreffende geregistreerde stoffen, die doen vermoeden dat deze stoffen die in de handel zullen worden gebracht dan wel vervaardigd, misbruikt kunnen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’ en, in de tweede plaats, de bevoegde autoriteiten de algemene informatie verstrekken die deze autoriteiten hun over hun transacties betreffende geregistreerde stoffen kunnen vragen (art. 5).
30. Verordening (EG) nr. 273/2004 heeft Richtlijn 92/109/EEG vervangen (art. 17). [12] Deze verordening is nadien gewijzigd door Verordening (EU) nr. 1258/2013. [13] Verordening (EG) nr. 273/2004 bevat onder meer de volgende overwegingen:
‘(3) Artikel 12 van Pro het Verdrag van Wenen voorziet in het treffen van passende maatregelen om toezicht uit te oefenen op de vervaardiging en distributie van precursoren. Dit vereist maatregelen betreffende de handel in precursoren tussen de lidstaten. Deze zijn genomen bij Richtlijn 92/109/EEG van de Raad van 14 december 1992 inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Met het oog op de gelijktijdige toepassing van geharmoniseerde voorschriften in alle lidstaten wordt een verordening geschikter geacht dan de huidige richtlijn.
(…)
(6) In artikel 12 van Pro het Verdrag van Wenen wordt uitgegaan van een systeem van toezicht op de handel in de betrokken stoffen. Deze is grotendeels volkomen legaal. De bescheiden bij de zendingen en de etikettering van deze stoffen moeten voldoende duidelijk zijn. Het is voorts van belang de bevoegde instanties de nodige middelen te geven om op te treden en tevens in de geest van het Verdrag van Wenen mechanismen in het leven te roepen die stoelen op een nauwe samenwerking met de marktdeelnemers en een betere informatieverzameling.
(…)
(10) Er moeten maatregelen worden genomen om de marktdeelnemers te stimuleren de bevoegde instanties in kennis te stellen van verdachte transacties met de in bijlage I genoemde stoffen.
(11) Er moeten maatregelen worden genomen om een beter toezicht op de handel in de in bijlage I genoemde geregistreerde stoffen binnen de Gemeenschap te waarborgen.’
31. Verordening (EG) nr. 273/2004 bevatte ten tijde van het tenlastegelegde feit onder meer de volgende artikelen:
‘Artikel 1
Toepassingsgebied en doel
Deze verordening stelt geharmoniseerde maatregelen vast voor het toezicht binnen de Unie op bepaalde stoffen die vaak voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen worden gebruikt, teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen.
Artikel 2
Definities
a) geregistreerde stof: elke in bijlage I genoemde stof die kan worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten; uitgesloten zijn mengsels en natuurproducten die geregistreerde stoffen bevatten en die zodanig zijn vermengd dat de geregistreerde stoffen niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd, geneesmiddelen als omschreven in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad;
b) niet-geregistreerde stof: elke stof die niet in bijlage I wordt genoemd, maar waarvan bekend is dat ze is gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;
c) in de handel brengen: elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Unie, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Unie, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen;
d) marktdeelnemer: elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen;
(…)
h) gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die geen marktdeelnemer is en die een geregistreerde stof in bezit houdt en zich bezighoudt met de verwerking, formulering, verbruik, opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten, overbrenging van de ene recipiënt naar de andere, vermenging, omzetting of enig ander gebruik van geregistreerde stoffen;
(…)
Artikel 3
Voorschriften voor het in de handel brengen van geregistreerde stoffen
1. Elke marktdeelnemer die geregistreerde stoffen van de categorieën 1 en 2 van bijlage I in de handel wil brengen, moet een verantwoordelijke aanwijzen voor de handel in geregistreerde stoffen, aan de bevoegde instanties de naam en de contactgegevens van deze persoon meedelen en hen onverwijld van elke wijziging van deze gegevens in kennis stellen. (…)
2. Alvorens geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I in hun bezit te mogen houden of in de handel te mogen brengen, verkrijgen marktdeelnemers en gebruikers een vergunning die door de bevoegde instanties van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, is afgegeven. (…)
3. Marktdeelnemers die houder zijn van een vergunning, leveren geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I alleen aan marktdeelnemers of gebruikers die zelf tevens houder zijn van een vergunning en die een afnemersverklaring als bedoeld in artikel 4, lid 1, hebben ondertekend.
(…)
6. Marktdeelnemers verkrijgen een door de bevoegde instanties van de lidstaat waar zij zijn gevestigd afgegeven registratie alvorens geregistreerde stoffen van categorie 2 van bijlage I in de handel te brengen. (…)
6 bis. Marktdeelnemers die houder zijn van een registratie, leveren geregistreerde stoffen van subcategorie 2A van bijlage I alleen aan andere marktdeelnemers of gebruikers die zelf houder zijn van een dergelijke registratie en die een afnemersverklaring als bedoeld in artikel 4, lid 1, hebben ondertekend.
(…)
Artikel 4
Afnemersverklaring
1. Onverminderd lid 4 van dit artikel en de artikelen 6 en 14, vraagt elke in de Unie gevestigde marktdeelnemer die aan een afnemer een geregistreerde stof van categorie 1 of 2 van bijlage I levert de afnemer om een verklaring waarin de gebruiksdoeleinden van de geregistreerde stof worden gespecificeerd. (…)
2. In plaats van de in lid 1 bedoelde verklaring voor afzonderlijke transacties mag een marktdeelnemer die een afnemer regelmatig een geregistreerde stof van categorie 2 van bijlage I bij deze verordening levert, voor meerdere transacties met deze geregistreerde stof binnen een periode van maximaal één jaar ook één enkele verklaring aanvaarden, mits hij zich ervan heeft vergewist dat aan de volgende criteria is voldaan:
a) hij heeft de stof in de voorafgaande twaalf maanden al ten minste driemaal aan deze afnemer geleverd;
b) hij heeft geen reden om aan te nemen dat de stof voor illegale doeleinden zal worden gebruikt;
c) de bestelde hoeveelheden zijn niet ongebruikelijk voor die afnemer.
(…)
3. Marktdeelnemers die stoffen van categorie 1 van bijlage I leveren, stempelen en dateren een kopie van de afnemersverklaring om te bevestigen dat de kopie met het origineel overeenstemt. Deze kopie moet elk vervoer van stoffen van categorie 1 in de Unie vergezellen en op verzoek worden getoond aan de autoriteiten die bevoegd zijn de inhoud van voertuigen tijdens het vervoer te controleren.
(…)
Artikel 5
Documenten
1. Onverminderd artikel 6 zorgen Pro de marktdeelnemers ervoor dat elke transactie die leidt tot het in de handel brengen van geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I, overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 naar behoren gedocumenteerd is. Deze verplichting geldt niet voor marktdeelnemers die houder zijn van een speciale vergunning of die het voorwerp uitmaken van een speciale registratie in de zin van artikel 3, respectievelijk de leden 2 en 6.
2. De handelsbescheiden, zoals facturen, vrachtbrieven, administratieve bescheiden en vervoer- en andere verzendingsdocumenten, moeten voldoende informatie bevatten om het volgende met zekerheid te kunnen vaststellen:
a) de naam van de geregistreerde stof zoals die in de categorieën 1 en 2 van bijlage I voorkomt;
b) de hoeveelheid en het gewicht van de geregistreerde stof en, in geval van mengsels of natuurproducten, de hoeveelheid en het gewicht, indien beschikbaar, van het mengsel of het natuurproduct, evenals de hoeveelheid en het gewicht, of het gewichtspercentage, van elke in het mengsel voorkomende stof van categorie 1 of 2 van bijlage I;
c) de naam en het adres van de leverancier, de distributeur, de geconsigneerde en, in voorkomend geval, van andere marktdeelnemers die rechtstreeks bij de transactie betrokken zijn, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c) en d).

3. De documentatie moet bovendien de in artikel 4 bedoelde Pro afnemersverklaring bevatten.

4. De marktdeelnemers bewaren deze documenten betreffende hun activiteiten om te kunnen voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van lid 1.

(…)

Artikel 7

Etikettering

De marktdeelnemers zorgen ervoor dat geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I van een etiket zijn voorzien alvorens ze geleverd worden. Het etiket vermeldt de naam van de stof zoals deze in bijlage I is vermeld. De marktdeelnemers mogen daarnaast ook hun gewone etiketten aanbrengen.
(…)

Artikel 8

Kennisgeving aan de bevoegde instanties

1. De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren.

2. De marktdeelnemers verstrekken de bevoegde instanties beknopte relevante informatie over hun transacties met geregistreerde stoffen.
‘ (…)

Artikel 9

Richtsnoeren

1. De Commissie stelt richtsnoeren op en werkt ze bij om de samenwerking tussen de bevoegde instanties, de marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken, met name ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen.

2. De richtsnoeren omvatten met name:
‘ a) informatie over manieren om verdachte transacties te herkennen en te melden;

b) een geregeld bijgewerkte lijst van niet-geregistreerde stoffen, om de industrie in staat te stellen vrijwillig op de handel in deze stoffen toe te zien;

c) andere eventueel nuttig geachte informatie.

3. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat de richtsnoeren en de in lid 2, onder b, bedoelde lijst geregeld op een door hen gepast geachte wijze worden verspreid, overeenkomstig de doeleinden van de richtsnoeren.

Artikel 10

Bevoegdheden en plichten van de bevoegde instanties

1. Met het oog op een correcte toepassing van de artikelen 3 tot en met 8 neemt elke lidstaat de nodige maatregelen om de bevoegde instanties in staat te stellen hun controle- en toezichtstaken uit te oefenen, en met name:
‘ a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met geregistreerde stoffen;
‘ b) de bedrijfsruimten van de marktdeelnemers en gebruikers te betreden om bewijzen van onregelmatigheden te verzamelen;
‘ c) waar nodig, zendingen vast te houden en in beslag te nemen die niet voldoen aan het bepaalde in deze verordening.
‘ 2. Elke lidstaat kan de nodige maatregelen vaststellen om zijn bevoegde instanties in staat te stellen de controle van en het toezicht op verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen uit te voeren, en met name:
‘ a) informatie te verkrijgen over alle orders voor of transacties met niet-geregistreerde stoffen;
‘ b) bedrijfsruimten te betreden om bewijzen van verdachte transacties met niet-geregistreerde stoffen te verzamelen;
‘ c) waar nodig, zendingen vast te houden en in beslag te nemen om te voorkomen dat specifieke niet-geregistreerde stoffen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.
‘ (…)

Artikel 12

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
32. De maatregelen waar de verordening in voorziet betreffen het toezicht op geregistreerde stoffen. Dat zijn, kort gezegd, de in bijlage I van de verordening genoemde stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen (art. 2, onder a). Bijlage I maakt onderscheid tussen drie categorieën geregistreerde stoffen. Zoutzuur en zwavelzuur staan vermeld in categorie 3 van Bijlage I. Mierenzuur is niet vermeld in Bijlage I.
33. De verordening geeft de Europese Commissie de opdracht richtsnoeren op te stellen ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen om de samenwerking tussen de bevoegde instanties, de marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken (art. 9, eerste lid). Uit het ‘Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 en artikel 32 van Pro Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad over de uitvoering en de werking van de EU-wetgeving betreffende het toezicht en de controle op de handel in drugsprecursoren’ kan worden afgeleid dat deze richtsnoeren, omdat zij gevoelige informatie bevatten, door de bevoegde instanties alleen rechtstreeks aan betrouwbare marktdeelnemers worden toegezonden. [14]
34. De voorschriften in de verordening zien hoofdzakelijk op marktdeelnemers die geregistreerde stoffen van de categorieën 1 en 2 in de handel (wensen te) brengen. Zo gelden de vergunningsplichten (art. 3) en de verplichting dat elke marktdeelnemer bij levering van geregistreerde stoffen van de afnemer om een verklaring vraagt waarin de gebruiksdoeleinden van de stof worden gespecificeerd (art. 4) slechts ten aanzien van de geregistreerde stoffen in die twee categorieën. Dat geldt ook voor de verplichting elke transactie die leidt tot het in de handel brengen van geregistreerde stoffen te documenteren (art. 5) en de verplichting de stoffen te etiketteren alvorens ze geleverd worden (art. 7). Dat ligt bij anders bij de in art. 8 vervatte Pro verplichting tot kennisgeving aan de bevoegde instanties: deze verplichting geldt voor marktdeelnemers bij alle geregistreerde stoffen.
35. Verordening (EEG) nr. 3677/90 (oud), die betrekking had op de handel tussen de gemeenschap en derde landen, kende ook een verplichting tot het melden van voorvallen. Op grond van art. 3 dienden Pro de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er een nauwe samenwerking tot stand werd gebracht tussen de bevoegde autoriteiten en de deelnemers aan het handelsverkeer en dat deze laatsten de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis stelden van ‘alle voorvallen, zoals ongebruikelijke orders en transacties betreffende geregistreerde stoffen, die doen vermoeden dat dergelijke voor in- of uitvoer bestemde stoffen zullen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’.
36. Verordening (EG) nr. 111/2005 heeft Verordening (EEG) nr. 3677/90 vervangen (art. 34). [15] Art. 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 111/2005, zoals gewijzigd door Verordening (EU) nr. 1259/2013, [16] verplicht de in de Unie gevestigde marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen van ‘elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat dergelijke voor in- en uitvoer of intermediaire activiteiten bestemde stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen’.
37. Art. 8, derde lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004 geeft de Europese Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften en voorwaarden voor marktdeelnemers voor het verstrekken van informatie aan de bevoegde instanties. Art. 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 111/2005 geeft de Europese Commissie een vergelijkbare bevoegdheid. Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 bevatte ten tijde van het tenlastegelegde feit en thans aanvullende voorschriften. [17] Op grond van art. 9, eerste lid, verstrekt de marktdeelnemer voor de toepassing van art. 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004 ‘de bevoegde instanties beknopt informatie over de hoeveelheden van geregistreerde stoffen die worden gebruikt of geleverd en, in het geval van levering, de hoeveelheden die aan iedere derde worden geleverd. Voor geregistreerde stoffen van categorie 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 273/2004 is de eerste alinea uitsluitend op verzoek van de bevoegde instanties van toepassing’. [18]
38. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1013 bevat eveneens (aanvullende) voorschriften bij beide verordeningen. [19] Die voorschriften zijn in de onderhavige zaak niet van belang.
39. Vragen betreffende de interpretatie van beide verordeningen worden van een antwoord voorzien in het ‘
Guidance document agreed between the Commission services and the competent authorities of Member States on the implementation of the Community legislation on drug precursors’. [20] De opgestelde teksten zijn niet (juridisch) bindend voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten: het document geeft de mening weer van de betrokken ‘
Commission services’. Ook de Commissie is er niet aan gebonden.
40. In de hiervoor besproken richtlijnen en verordeningen (en andere (beleids)documenten) ontbreekt een definitie en/of omschrijving van ‘elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen’. In de overwegingen in Richtlijn 92/109/EEG wordt wel gewezen op de deelname van de Commissie en zeven lidstaten aan de werkzaamheden van de CATF, op de doelstelling van de CATF en op het feit dat ‘het eindverslag van de CATF op 15 juli 1991 door de Economische Topconferentie van Londen (de G-7) is goedgekeurd’. [21] In dit eindverslag wordt, zoals eerder is vermeld, de deelnemende staten aanbevolen om ‘
operators’ te vragen ‘
to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious transactions involving these products. This vigilance must be aimed primarily at detecting doubtful or unusual transactions’. In de aan het eindrapport gehechte appendix wordt een ‘
list of suspicious circumstances’gegeven. In Verordening (EG) nr. 273/2004 wordt niet verwezen naar de deelname van de Europese Commissie aan de werkzaamheden van de CATF of het ‘
final report’.
41. In overweging 4 van Verordening (EG) nr. 111/2005 is de rol van het ‘
final report’ van de CATF wel benadrukt. Deze overweging luidt als volgt: ‘Om de bepalingen van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties uit te voeren en rekening houdend met het verslag van de Chemical Action Task Force, is bij Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen een systeem opgezet voor de melding van verdachte transacties. Dit systeem, dat is gebaseerd op nauwe samenwerking met de marktdeelnemers, wordt versterkt door maatregelen inzake onder andere documentatie en etikettering, vergunning- en registratieplicht voor marktdeelnemers, alsmede procedures en voorschriften met betrekking tot de uitvoer’.
42. Aan de verplichting van art. 5 van Pro Richtlijn 92/109/EEG (oud) was uitvoering gegeven in art. 2 van Pro de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (hierna: Wvmc) die in 1995 tot stand kwam. [22] Dat artikel bepaalde dat (kort gezegd) deelnemers aan het handelsverkeer de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onverwijld in kennis dienden te stellen ‘van alle voorvallen die doen vermoeden dat geregistreerde stoffen die in de handel zullen worden gebracht, zullen worden vervaardigd of voor de in-, uit-, of doorvoer zijn bestemd, misbruikt kunnen of zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen’.
43. Art. 2, aanhef en onder a, Wet voorkoming misbruik van chemicaliën bepaalde in de periode die in de tenlastelegging is omschreven (1 april 2016 tot en met 31 december 2016) dat het verboden is ‘te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens (...) de artikelen (…) 8 van Verordening nr. 273/2004’. [23] Overtreding van de bij of krachtens art. 2, onder a, Wvmc gestelde voorschriften was destijds en is ook thans krachtens art. 1, sub 1o, WED een economisch delict. Voor zover dit economisch delict opzettelijk is begaan, is het een misdrijf dat met maximaal zes jaar gevangenisstraf kan worden bestraft (art. 2, eerste lid, en art. 6, eerste lid, onder 1o, WED).
44. De Memorie van Toelichting bij het voorstel tot ‘Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van een drietal EG-verordeningen inzake handel in drugsprecursoren’ houdt, voor zover van belang, het volgende in: [24]
‘Op grond van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Verdrag van Wenen, 1988) is een systeem vereist om toezicht te houden op de internationale handel in drugsprecursoren. Dit systeem moet ervoor zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen en psychotrope stoffen te vervaardigen, niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de (illegale) productie hiervan.
Omdat deze stoffen ook voor talloze legale doeleinden kunnen worden gebruikt en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is, kan toegang tot deze stoffen niet algemeen worden verboden. Er moeten derhalve maatregelen worden genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens om te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om te voorzien in de commerciële behoeften van de chemische bedrijfstak.
(…)
In 2004 zijn (…) twee Europese verordeningen vastgesteld met betrekking tot de vervaardiging en/of handel in en het toezicht op de in- en uitvoer van drugsprecursoren. Het betreft de verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) en de verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU L 22). (…). De Wvmc bevat de implementatie van beide regelingen en dient dan ook te worden aangepast. Dat houdt in dat diverse bepalingen komen te vervallen of worden vervangen, aangezien de desbetreffende materie nu in de verordeningen wordt geregeld. Om uitvoering te geven aan de verordeningen, is het echter noodzakelijk dat er in de nationale regelgeving sancties worden opgelegd in geval van overtreding van specifieke bepalingen in de verordeningen. Dit is tevens als verplichting neergelegd in artikel 31, van Verordening nr. 111/2005 en artikel 12, van Verordening nr. 273/2004. Er is voor gekozen om het systeem van de Wvmc aan te houden en de verbodsbepalingen onder de Wet op de economische delicten (hierna: WED) te brengen.’
45. Op de site van de Belastingdienst is een informatieblad te vinden over drugsprecursoren. [25] Daarin is onder hoofdstuk 4 ‘Melden verplicht’ de volgende tekst opgenomen:
‘U moet verdachte of ongebruikelijke transacties van drugsprecursoren direct melden! Dat geldt ook voor een voorbereiding op zo’n transactie of een ander voorval met drugsprecursoren. Voorbeelden:
• diefstal van drugsprecursoren
• ongewone orders
• afleveradressen
• ongebruikelijke transacties’
46. In hoofdstuk 13 van hetzelfde informatieblad is onder het kopje ’Hoe herken ik verdachte of ongebruikelijke transacties?’ de volgende tekst opgenomen:
‘Verdachte of ongebruikelijke transacties met drugsprecursoren herkent u bijvoorbeeld aan:

Identiteit van de klant

Zakelijke praktijken

Manier van leveren

Gebruik van de goederen• Hoeveelheid past niet bij bedrijfsactiviteiten van de klant.• Indicatie van gebruik komt niet overeen met bestelde goederen.• Export naar landen waar geen normaal gebruiksdoel aanwezig is.• Orders door bedrijven die geen gebruiksdoel voor de goederen hebben.• Orders van meer dan één precursor of essentiële stof.• Orders waarbij geregistreerde stoffen voorkomen in een lange lijst van niet-geregistreerde stoffen (en daarom minder of niet opvallen).’

47. In lagere rechtspraak is de kennisgevingsplicht van art 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 regelmatig aan de orde geweest. Het begrip ‘voorval’ komt in die rechtspraak evenwel minder uitgebreid naar voren. Het Hof Arnhem-Leeuwarden merkte in een arrest uit 2015 als voorval(len) aan dat de verdachte (telkens) een (grote) hoeveelheid zoutzuur en/of zwavelzuur en/of aceton en/of tolueen had verkocht en/of geleverd. [26] Het overwoog in verband met het begrip ‘voorval’ dat de verdachte leveringen inhoudende formamide, zoutzuur en mierenzuur had afgehandeld waarvoor de betrokkene contant zou hebben betaald. En het hof stelde voorts onder meer vast dat een medeverdachte telkens contant betaalde, in gedeelten, naar diens zeggen telkens als hij betaald had gekregen van een koper van wie hij zelf een betaling had ontvangen, en dat de bestellingen van deze medeverdachte in een apart mapje zaten en kennelijk buiten de reguliere boekhouding werden gehouden.
48. Uw Raad heeft op 13 juni 2017 arrest gewezen in een zaak waarin de verdachte was veroordeeld wegens handelen in strijd met de kennisgevingsplicht van art. 8, eerste lid, Verordening (EG) nr. 273/2004 en waarin de interpretatie van het begrip ‘voorval’ aan de orde was. [27] Het hof had onder meer bewezenverklaard dat de verdachte als marktdeelnemer de bevoegde instanties opzettelijk niet in kennis had gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop konden wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zouden worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, ‘hebbende hij, verdachte, telkens opzettelijk een (grote) hoeveelheid aceton en/of tolueen en/of zoutzuur en/of zwavelzuur verkocht en/of geleverd’. Het hof overwoog dat het op grond van een aantal feiten en omstandigheden bewezen achtte ‘dat er bij het verkopen en/of leveren door verdachte sprake was van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop wijzen of kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de vervaardiging van drugs en dat zulks verdachte ook duidelijk was’. Het hof wees er onder meer op dat het om verhoudingsgewijs grote hoeveelheden ging van stoffen die behoren tot categorie 3; dat de verdachte contant betaalde; dat de verdachte had verklaard dat hij ‘een soort tussenhandelaar’ was, en dat hij geen nadere gegevens van zijn kopers of de bestemming van de stoffen vermeldde bij de aankoop of bestelling van de stoffen.
49. Het derde middel betwistte dat sprake was van verdachte transacties. A-G Machielse wees in zijn conclusie in verband met de vraag of de gedragingen van de verdachte met betrekking tot de genoemde stoffen verdacht te noemen waren op het volgende: ‘De contacten tussen [B] en [betrokkene 2] aan de ene kant en hun afnemers aan de andere kant zijn onderzocht. Daarbij zijn de transacties tussen [B] en verdachte in het oog gesprongen. Deze transacties hebben aanleiding gegeven tot nader onderzoek. Dit nader onderzoek bracht voorvallen aan het licht die verdacht waren. Die verdenking strekt zich uit vanaf de aankoop door en levering aan verdachte tot en met de verkoop en levering door verdachte aan zijn afnemers. Dat deze laatste transacties vallen binnen de termen van het eerste lid van artikel 8 van Pro Verordening nr. 273/2004 heeft het hof ook overtuigend in zijn overwegingen uitgelegd. Het hof was niet gehouden om alle indicatoren die op een checklist van de Belastingdienst zijn vermeld na te gaan. (…) Dat verdachte jegens [betrokkene 2] het heeft doen voorkomen dat een partij aceton bestemd was voor een met name genoemd bedrijf, terwijl uit bewijsmiddel 23 is af te leiden dat misbruik is gemaakt van de gegevens van een bedrijf heeft primair betrekking op de relatie tussen [B] en verdachte, maar doet ook een zeer sterke verdenking rijzen dat verdachte de uiteindelijke bestemming van de aceton heeft willen verbergen. Dat bij een cocaïnewasserij in Wolfheze aceton wordt aangetroffen die verdachte heeft aangeschaft wijst in dezelfde richting. Het systeem van Verordening 273/2004 is erop gericht dat transacties verantwoord kunnen worden door marktdeelnemers zoals verdachte. Het hof heeft niet onbegrijpelijk aangenomen dat verdachte juist alles heeft gedaan om te voorkomen dat dit zou kunnen geschieden’. Uw Raad verwierp het middel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
50. Uw Raad heeft eind 2021 het HvJ EU verzocht antwoord te geven op de volgende vraag: ‘Moeten natuurlijke personen en rechtspersonen die op zodanige wijze betrokken zijn bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen dat die betrokkenheid een op grond van artikel 2 lid Pro 1, aanhef en onder d, van het Kaderbesluit 2004/757 strafbaar te stellen feit oplevert, worden aangemerkt als “marktdeelnemer” als bedoeld in artikel 2 onder Pro d Verordening 273/2004?’. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend zou luiden, werd het HvJ EU verzocht de volgende vragen te beantwoorden: ‘Leveren die gedragingen van de onder 1 bedoelde marktdeelnemer een “voorval” als bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening Pro 273/2004 op?’ en ‘Zijn gedragingen als het ontvangen, vervoeren en opslaan van geregistreerde stoffen een “voorval” als bedoeld in artikel 8 lid 1 Verordening Pro 273/2004, als deze gedragingen niet plaatsvinden met de bedoeling deze stoffen te leveren aan een derde?’ [28]
51. Het HvJ EU heeft op 2 februari 2023 de eerste door Uw Raad gestelde prejudiciële vraag beantwoord in de zaak
TF (Drugsprecursoren). [29] Het HvJ EU legde het begrip ‘marktdeelnemer’ in artikel 2 onder Pro d, van Verordening (EG) nr. 273/2004 aldus uit ‘dat een persoon die in het kader van een illegale activiteit betrokken is bij het in de handel brengen van in de Europese Unie geregistreerde stoffen, geen „marktdeelnemer” in de zin van die bepaling is’. Gezien het antwoord op deze vraag behoefde het HvJ EU de andere vragen niet te beantwoorden. Bij het beantwoorden van de eerste vraag heeft het HvJ EU opgemerkt dat uit art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2004/373 ‘volgt dat de door de Uniewetgever vastgestelde kennisgevingsplicht betrekking heeft op orders en transacties die ongewoon lijken, te weten die welke kunnen zijn verricht met het doel deze geregistreerde stoffen op onrechtmatige wijze aan hun normale bestemming te onttrekken’. [30]

Bespreking van het eerste middel

52. Het eerste middel bevat drie deelklachten. De
eerste deelklachtkomt op tegen ’s hofs ‘afwijzingen van het herhaalde verzoek tot het horen van getuige [verbalisant 2] ’. Deze afwijzingen berusten volgens de steller van het middel op een onduidelijke respectievelijk onjuiste toetsingsmaatstaf, ‘terwijl voorts niet blijkt dat de concrete toepassing van het noodzaakcriterium niet wezenlijk heeft verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt’. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ‘het hof het verzoek om [verbalisant 2] te horen aanvankelijk (op 27 oktober 2021) heeft afgewezen zonder daarbij enige toetsingsmaatstaf te noemen’. En dat het hof hetzelfde verzoek in zijn arrest ‘heeft getoetst aan het noodzaakcriterium zonder dat blijkt dat de toepassing van dat criterium niet wezenlijk heeft verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt’.
53. Nu het onderzoek ter terechtzitting op 9 februari 2022 met instemming van procespartijen is hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond, kan in cassatie worden geklaagd over de afwijzing van het verzoek dat op de terechtzitting van 13 oktober 2021 is gedaan, in de tussenuitspraak van 27 oktober 2021. [31]
54. Het verzoek tot het horen van de getuige [verbalisant 2] is niet geformuleerd in de appelschriftuur, maar in een brief die enkele weken later is verstuurd. Dat brengt mee dat volgens de wettelijke regeling niet het criterium van het verdedigingsbelang maar het noodzaakcriterium van toepassing was (art. 418, derde lid, Sv). Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof in de tussenuitspraak van 27 oktober 2021 niet expliciet heeft aangegeven of het verzoek tot het horen van de getuige aan het criterium van het verdedigingsbelang of aan het noodzaakcriterium is getoetst. Die enkele omstandigheid leidt naar het mij voorkomt evenwel niet tot cassatie. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad in het overzichtsarrest van 1 juli 2014 heeft overwogen dat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen in cassatie uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van ‘enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen’. [32] Uit de motivering van het hof volgt dat het hof het verzoek heeft afgewezen omdat daaraan ten grondslag ligt dat de conclusies van de verbalisant niet worden gedeeld (en niet, zo begrijp ik, dat de feiten en omstandigheden die de verbalisant relateert worden betwist). Die interpretatie van het verzoek is niet onbegrijpelijk. In aanmerking genomen dat het aan het hof was om te beoordelen of de vastgestelde feiten en omstandigheden meebrengen dat de kennisgevingsplicht niet is nageleefd, ligt in ’s hofs overwegingen besloten dat en waarom de verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in de verdediging is geschaad en toewijzing van het verzoek met het oog op de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk was.
55. Tegen die achtergrond kan naar het mij voorkomt in het midden blijven op welk moment de verdediging kon beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en/of de aantekening mondeling vonnis, en of het niet tijdig beschikbaar zijn van deze processtukken meebracht dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk diende te verschillen van wat met toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. [33] Ook als van de toepasselijkheid van het criterium van het verdedigingsbelang wordt uitgegaan ligt in ’s hofs overwegingen besloten dat en waarom het hof het verzoek toereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
56. Op de terechtzitting in hoger beroep die op 9 februari 2022 is gehouden heeft de raadsvrouw van de verdachte vervolgens bij pleidooi wederom – voorwaardelijk - verzocht om het horen van [verbalisant 2] . Dat verzoek is in het bestreden arrest afgewezen omdat het hof van oordeel was ‘dat het horen van [verbalisant 2] niet noodzakelijk is’. Daarmee heeft het juiste criterium toegepast (art. 415, eerste lid, jo. art. 315, eerste lid, en art. 316, eerste lid, Sv). Anders dan de steller van het middel meen ik dat zich bij dit verzoek niet de situatie kan voordoen dat het (aanvankelijk) niet tijdig beschikbaar komen van processtukken mee kan brengen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Het getuigenverzoek is eerder gedaan, op een moment waarop de betreffende processtukken beschikbaar waren.
57. Ten overvloede merk ik nog op dat de feiten en omstandigheden die het hof in het bestreden arrest aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, en die in het verlengde liggen van (de gronden voor) de eerdere afwijzing, ook het oordeel kunnen dragen dat de verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in de verdediging is geschaad.
58. De eerste deelklacht faalt.
59. De
tweede deelklachthoudt in dat de afwijzing van de verzoeken om [verbalisant 2] te horen telkens niet begrijpelijk en toereikend is gemotiveerd. Met de overweging dat het hof geen enkele aanleiding heeft om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal zou het hof ten onrechte zijn vooruitgelopen op de inhoud van het verhoor en eraan voorbij zien dat het de verdediging er ook om ging de inhoud van het proces-verbaal te toetsen, alsmede om de deskundigheid van de opsteller van het proces-verbaal ‘en de houdbaarheid van de door haar geponeerde stellingen te onderzoeken’. Daarbij zou de omstandigheid dat het hof de bevindingen van [verbalisant 2] uiteindelijk zelf moet beoordelen er niet aan afdoen dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen de houdbaarheid van die bevindingen door een verhoor te toetsen.
60. De raadsvrouw heeft het verzoek tot het horen van de getuige op de regiezitting van 13 oktober 2021 toegelicht. Zij heeft gesteld dat de verdediging een zwaarwegend belang heeft bij het horen van de getuige ‘om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid’ van de bevindingen en verklaring van de getuige te toetsen. Vervolgens is (kort gezegd) aangegeven dat er nog geen ondervragingsgelegenheid is geweest, dat het opmaken van een aanvullend proces-verbaal niet kan worden gelijkgesteld aan een verhoor, dat het aanvullend proces-verbaal niet alle vragen van de verdediging heeft beantwoord, dat de verdediging in de eerdere brief niet alle vragen die zij aan de getuige wilde stellen heeft opgegeven en niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld vragen te formuleren aan de getuige, en dat er geen feiten of omstandigheden bekend zijn die maken dat de vragen niet of minder goed in persoon gesteld kunnen worden.
61. Het hof heeft het verzoek op 27 oktober 2021 afgewezen met de overweging dat de getuige ‘een uitgebreid proces-verbaal heeft opgemaakt, waarin zij haar ambtshandelingen heeft omschreven. Het hof heeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de wijze van de totstandkoming van het proces-verbaal’. Daarmee heeft het hof, zo begrijp ik, tot uitdrukking gebracht dat het geen aanleiding heeft om aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hetgeen de getuige heeft gerelateerd te twijfelen. Voor zover de klacht ertoe strekt dat het hof voorbij zou hebben gezien aan onderwerpen waar de verdediging vragen over had willen stellen faalt zij. De raadsvrouw is omstandig ingegaan op het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en heeft weinig losgelaten over hoe een ondervragingsgelegenheid de waarheidsvinding daadwerkelijk zou kunnen dienen.
62. Ook de klacht dat het hof ten onrechte zou zijn vooruitgelopen op de inhoud van het verhoor faalt. Met de overweging dat het hof geen enkele aanleiding heeft om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht dat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de bevindingen in dat proces-verbaal doen twijfelen en dat daarvan ook anderszins niet blijkt.
63. De steller van het middel klaagt voorts dat de in het arrest vervatte motivering van de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk is. Het hof zou ook onderdelen van het proces-verbaal tot het bewijs hebben gebezigd die door de verdachte wel degelijk zijn betwist.
64. Het hof heeft het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [verbalisant 2] afgewezen, overwegend ‘dat, voor zover het hof die processen-verbaal tot het bewijs heeft gebezigd, de verdachte de inhoud van die processen-verbaal niet heeft betwist. Door verdachte is immers niet betwist dat zij aan [bedrijf] geregistreerde stoffen heeft geleverd op de in het dossier genoemde data, noch dat zij tweemaal aan het adres [a-straat 1] te [plaats] heeft geleverd – waarbij de bestelling eenmaal onbeheerd is achtergelaten – en alle overige keren aan het adres [c-straat 1] te [plaats] .’ Ik begrijp dat in cassatie niet wordt bestreden dat deze feiten en omstandigheden door en namens de verdachte niet zijn betwist.
65. Wel zou het proces-verbaal zijn betwist voor zover dit inhoudt dat verbalisant ambtshalve bekend is dat de stoffen zoutzuur en zwavelzuur ‘vele legale toepassingen hebben en daarnaast illegaal gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs’. En voor zover dit inhoudt dat mierenzuur een relevante niet-geregistreerde stof is en dat marktdeelnemers dringend wordt verzocht ‘om ongebruikelijke of verdachte voorvallen met deze stoffen te melden omdat levering van deze stoffen in sommige gevallen een strafbaar feit zoals genoemd in artikel 10a Opiumwet kan opleveren’. De steller van het middel voert aan dat de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat er niets vreemd is aan bestellingen die (een combinatie van) de stoffen zoutzuur, zwavelzuur en/of mierenzuur betreffen, dat deze stoffen binnen de agri-sector waaraan de verdachte levert in grote hoeveelheden volkomen normaal worden gebruikt en dat de verdachte deze stoffen dan ook niet in verband heeft gebracht met de mogelijke productie van synthetische drugs en/of een op haar rustende meldplicht.
66. In de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ligt naar het mij voorkomt niet besloten dat (de juistheid) wordt betwist (van) hetgeen verbalisant ambtshalve bekend is. De vertegenwoordiger heeft een verklaring afgelegd waarin wordt aangegeven dat en waarom de verdachte niets vreemds of verdachts zag aan deze bestellingen. Bestreden wordt niet dat zoutzuur en zwavelzuur illegaal gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs of dat mierenzuur (om de genoemde reden) een relevante niet geregistreerde stof is, dan wel dat verbalisant daarmee (ambtshalve) bekend was.
67. In een en ander ligt besloten dat de afwijzing van het verzoek in het bestreden arrest toereikend is gemotiveerd, ook wanneer wordt uitgegaan van toepasselijkheid van het criterium van het verdedigingsbelang. Dat de inhoud van het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal niet wordt betwist, brengt mee dat de verdachte door het afwijzen van het verzoek dat ertoe strekte de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van het relaas van [verbalisant 2] te toetsen niet in de verdediging is geschaad.
68. De tweede deelklacht faalt.
69. De
derde deelklachtziet op het gebruik van de verklaring voor het bewijs en het recht op een eerlijk proces. Volgens de steller van het middel doet zich niet het geval voor ‘dat het (opnieuw) horen van de getuige van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben’. Verder zou het hof er ten onrechte geen blijk van hebben gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof had volgens de steller van het middel met name onderzoek moeten doen naar a) de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend met betrekking tot deze getuige, b) het gewicht van haar verklaring voor de bewezenverklaring en c) het eventuele bestaan van factoren die compensatie boden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het hof zou dit hebben nagelaten.
70. Uw Raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak
Keskin tegen Nederlandgeoordeeld dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. [34] In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd. Uit dit arrest volgt ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist. [35]
71. Het hof heeft het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van de getuige in het bestreden arrest afgewezen op grond van de vaststelling dat de verdachte de inhoud van de door [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal, voor zover deze tot het bewijs zijn gebezigd, niet heeft betwist. Ik begrijp uit ’s hofs afwijzing dat het getuigenverzoek (in het licht van die omstandigheid) ontoereikend is gemotiveerd. Dat oordeel is, in aanmerking genomen hetgeen door de raadsvrouw ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. [36] Nadere overwegingen in verband met onderzoek naar de vraag of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces waren in dat licht – meen ik - niet nodig. Dergelijke overwegingen kunnen in het bijzonder van belang zijn indien de voor het bewijs gebezigde verklaring door of namens de verdachte is betwist. [37]
72. De derde deelklacht faalt.
73. Daarmee faalt het middel.

Bespreking van het tweede middel

74. Het middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat geen sprake was van verdachte transacties heeft verworpen op gronden die de verwerping van dat verweer niet kunnen dragen, en – in het licht van dat gevoerde verweer – ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is geweest van voorvallen die erop kunnen wijzen dat in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, althans zou dat oordeel niet toereikend zijn gemotiveerd. In de toelichting op het middel liggen een aantal deelklachten besloten.
75. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat uit de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet kan worden afgeleid waaruit het tenlastegelegde 'voorval' heeft bestaan, althans waarom van een dergelijk voorval sprake zou zijn geweest. De enkele verkoop en levering van een hoeveelheid zwavelzuur (totaal 19.000 kg) en een hoeveelheid zoutzuur (totaal 3.678 kg) zouden geen ‘voorval’ inhouden. En ook overigens zou uit het arrest niet goed kunnen worden afgeleid wat volgens het hof voorval(len) in de tenlastegelegde zin heeft opgeleverd. Duidelijk zou niet eens zijn of het om één of meer voorvallen gaat.
76. Aan de verdachte is tenlastegelegd (kort gezegd) dat zij in de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016 als marktdeelnemer opzettelijk de bevoegde instanties niet onverwijld in kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen, hebbende zij, verdachte, opzettelijk aan [bedrijf] een hoeveelheid zwavelzuur (totaal 19.000 kg) en een hoeveelheid zoutzuur (totaal 3.678 kg) verkocht en/of afgeleverd. In deze tenlastelegging is naar het mij voorkomt toereikend tot uitdrukking gebracht van welke voorvallen de bevoegde instanties in kennis hadden moeten worden gesteld. De periode is vermeld, de afnemer is vermeld, en de totale hoeveelheid zwavelzuur en zoutzuur die is verkocht en afgeleverd is vermeld. Voor zover het middel ertoe zou strekken te klagen dat het feit in de tenlastelegging onvoldoende geconcretiseerd is, faalt het derhalve. [38] Ik wijs er daarbij op dat in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat de omschrijving van het feit in de tenlastelegging tekortschiet. [39]
77. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat in het ‘informatieblad van de Douane, Belastingdienst, Drugsprecursoren’ indicatoren zijn opgenomen die behulpzaam kunnen zijn bij het herkennen van verdachte of ongebruikelijke transacties, ‘waaronder levering op een ongebruikelijk afleveradres of afleverlocatie en orders van meer dan één precursor of essentiële stof’. Het hof stelt voorts vast dat een deel van de door verdachte aan [bedrijf] geleverde geregistreerde stoffen nadien is aangetroffen in een productielaboratorium en overslaglocatie voor synthetische drugs. En dat in de periode daaraan voorafgaand door verdachte aan [bedrijf] , in meerdere transacties, een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten in totaal 3.768 kg zoutzuur 36% en 19.000 kg zwavelzuur 96%, alsmede een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten 3.600 kg mierenzuur 86% is geleverd. Het hof overweegt daarbij dat deze stoffen voor 2016 nooit zijn besteld door [bedrijf] . Het hof stelt voorts vast dat op enig moment is verzocht om twee bestellingen te leveren op een afwijkend afleveradres, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat dat op dat adres geen nevenvestiging van [bedrijf] is gevestigd, en dat bij één van deze leveringen de bestelling op verzoek onbeheerd is achtergelaten. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die erop kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen.
78. Inderdaad volgt uit deze overweging niet rechtstreeks of sprake is van één dan wel meer voorvallen. Dat lijkt samen te hangen met een overweging die aan (de vrijspraak van) het opzet is gewijd. Daarin stelt het hof vast ‘dat sprake is van meerdere afzonderlijke transacties die wellicht niet allemaal ieder op zich als voorval gekwalificeerd kunnen worden doch na verloop van tijd en in combinatie gezien, in het bijzonder wanneer sprake is van bijvoorbeeld ook nog Mierenzuur, alsmede gelet op het zich eventueel voordoen van, zoals in casu, een extra indicator in de vorm van een afwijkend afleveradres, tot de conclusie hadden moeten leiden dat deze in circa een jaar tijd geleverde stoffen gemeld hadden moeten worden’. Uit de bewezenverklaring en deze bewijsoverwegingen kan, meen ik, worden afgeleid dat het hof de verschillende verkooptransacties en afleveringen van zwavelzuur en zoutzuur elk als een voorval aanmerkt, en dat deze voorvallen gelet op de combinatie van aanwijzingen tot een kennisgeving hadden moeten leiden. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet inhoudt dat de bevoegde instanties op meer tijdstippen niet van een voorval in kennis zijn gesteld, en dat het hof niet heeft geoordeeld dat de overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2 Wvmc Pro meermalen is gepleegd, ligt in ’s hofs oordeel besloten dat één kennisgeving van alle voorvallen zou hebben volstaan.
79. De klacht dat uit het arrest niet goed kan worden afgeleid welke feiten volgens het hof ‘voorvallen’ in de tenlastegelegde zin hebben opgeleverd, faalt.
80. De steller van het middel voert vervolgens aan dat het hof door ‘het (overigens niet als bewijsmiddel opgenomen) informatieblad ‘Drugsprecursoren’ van de Douane tot uitgangspunt’ te nemen, heeft miskend dat het begrip ‘voorval’ een autonoom begrip van Unierechtelijke aard is, waarvan de interpretatie niet afhankelijk is gesteld van de visie van de Nederlandse Douane. Bij de uitleg van het begrip ‘voorval’ kan het informatieblad daarom niet leidend worden geacht. Dat zou betekenen dat het ‘juridisch vertrekpunt dat het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd niet houdbaar is, en dat het toetsen aan omstandigheden die in voornoemd informatieblad zijn genoemd niet doorslaggevend kan zijn bij de beantwoording van de vraag of van een 'voorval' sprake is geweest’.
81. Het hof heeft onder het subkopje ‘Het oordeel van het hof’ vastgesteld dat in Verordening (EG) nr. 273/2004 en de Wvmc het begrip ‘voorval’ niet nader is gedefinieerd, ‘behalve hetgeen daarover is opgemerkt onder het eerste lid van artikel 8 van Pro de Verordening nr. 273/2004, namelijk dat het kan gaan om ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen’. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat in het informatieblad ‘is opgenomen dat melden verplicht is bij verdachte of ongebruikelijke transacties van drugsprecursoren, of de voorbereiding op zo’n transactie of een ander voorval met drugsprecursoren’. Het hof noemt dan de voorbeelden die in het informatieblad staan: ‘diefstal van drugsprecursoren, ongewone orders, afleveradressen, ongebruikelijke transacties’. En het hof wijst op een aantal in het informatieblad opgenomen indicatoren die behulpzaam kunnen zijn ‘bij het herkennen van dergelijke transacties, waaronder levering op een ongebruikelijk afleveradres of afleverlocatie en orders van meer dan één precursor of essentiële stof’.
82. Uit deze overweging volgt dat het hof de inhoud van art. 8, eerste lid, van Verordening nr. 273/2004 voorop heeft gezet bij de interpretatie van het begrip ‘voorval’. Ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen worden daarin genoemd als voorbeeld van een (kennisgevingsplichtig) voorval. Het hof heeft vervolgens de in het informatieblad gegeven voorbeelden van verdachte of ongebruikelijke transacties weergegeven en enkele van de in het informatieblad opgenomen indicatoren genoemd die behulpzaam kunnen zijn bij het herkennen van verdachte of ongebruikelijke transacties. Daarna heeft het hof, mede aan de hand van feiten en omstandigheden die met deze indicatoren sporen, vastgesteld dat sprake is van voorvallen waarvan de bevoegde autoriteiten in kennis hadden moeten worden gesteld. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat een bestelling onbeheerd is achtergelaten, een element dat niet aan het informatieblad is ontleend.
83. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof heeft miskend dat het begrip ‘voorval’ een autonoom begrip van Unierechtelijke aard is en de uitleg van het begrip in het informatieblad leidend heeft geacht bij de interpretatie, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
84. Ik wijs er nog op dat de indicatoren die in het informatieblad ‘Drugsprecursoren’ genoemd worden sterke overeenkomsten vertonen met de factoren in de ‘
list of suspicious circumstances’die is gehecht aan het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’. Deze lijst heeft, zoals gezegd, als doel om ‘
liaison officers and chemical companies’ te assisteren ‘
in identifying suspect inquiries, orders and transactions’. De genoemde factoren zijn, net als de indicatoren in het informatieblad, te relateren aan de identiteit van de klant/afnemer, de handelspraktijken, de manier van leveren, en het gebruik van de goederen. Het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’ staat, op zijn beurt, in verband met oudere EU-regelgeving betreffende het toezicht op de handel in drugsprecursoren. Eerder bleek dat in de overwegingen bij de inmiddels vervangen Richtlijn 92/109/EEG gewezen wordt op de deelname van de Commissie en lidstaten aan de werkzaamheden van de CATF, op de doelstelling van de CATF en op het feit dat ‘het eindverslag van de CATF op 15 juli 1991 door de Economische Topconferentie van Londen (de G-7) is goedgekeurd’. In overweging 4 van Verordening (EG) nr. 111/2005, is de rol van het ‘
final report’ van de CATF benadrukt. Aangegeven wordt dat Verordening (EEG) nr. 3677/90 was aangenomen om de bepalingen van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties uit te voeren, daarmee rekening houdend met het verslag van de Chemical Action Task Force. Zo bezien gaat het bij deze indicatoren niet (enkel) om ‘de visie van de Nederlandse Douane’.
85. In verband met de signalering dat het informatieblad 'Drugsprecursoren' niet als bewijsmiddel is opgenomen merk ik nog op dat het hof dit ook niet onder de bewijsmiddelen behoefde op te nemen. Het informatieblad bevat geen voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, maar geeft voorbeelden van, kort gezegd, verdachte of ongebruikelijke transacties en noemt indicatoren die behulpzaam kunnen zijn bij het identificeren van verdachte of ongebruikelijke transacties. Daarbij heeft het hof het informatieblad, voor zover het de daarin genoemde indicatoren bij zijn bewijsoordeel heeft betrokken, in de bewijsoverwegingen weergegeven. [40]
86. De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel dat niet leidend is ‘wat door verdachte naar eigen maatstaven gezien wordt als veel, maar wat gegeven de soort stof, eventueel in combinatie met andere stoffen, zou kunnen betekenen voor de (omvang van de) productie van synthetische drugs’, onjuist en niet begrijpelijk zou zijn. Het hof zou dit oordeel (mede) hebben gebaseerd op ‘het feit van algemene bekendheid’ dat ‘door malafide afnemers (al dan niet na doorlevering) met de door verdachte geleverde combinaties en hoeveelheden van geregistreerde stoffen een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd kan worden’. De wetenschap van dit feit bij de verdachte is, aldus de steller van het middel, ter terechtzitting in hoger beroep betwist en het zou ook overigens niet om een feit van algemene bekendheid gaan. Bovendien zou bij de vraag of sprake is van een ‘voorval’ niet leidend zijn of de levering in potentie betekenis kan hebben voor de (omvangrijke) productie van drugs, maar of de gang van zaken dusdanig opmerkelijk is dat zij als ‘voorval’ kwalificeert.
87. Het hof overweegt dat op grond van een aantal in de bewijsoverwegingen samengevatte feiten en omstandigheden ‘sprake is van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen (…) die erop kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen’. Pas daarna gaat het hof in op de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ‘dat de hoeveelheden die zijn geleverd voor haar niet zijn te kwalificeren als grote hoeveelheden’. Uit deze opbouw van ’s hofs overwegingen volgt dat het hof bij de interpretatie van het begrip voorval niet leidend heeft geacht of de levering in potentie betekenis kan hebben voor de (omvangrijke) productie van drugs. Dat sprake is van één of meer voorvallen heeft het hof afgeleid uit, in het bijzonder, de totale hoeveelheid geleverd zoutzuur en zwavelzuur, de levering van mierenzuur, de omstandigheid dat deze stoffen voor 2016 nooit zijn besteld door [bedrijf] , het verzoek om twee bestellingen af te leveren op een afwijkend afleveradres, waar geen vestiging van [bedrijf] was gevestigd, het onbeheerd achterlaten van één van deze leveringen, en de aflevering van eerdere bestellingen op een ander adres, ‘op welk adres [bedrijf] onmiskenbaar is gevestigd’.
88. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof bij de interpretatie van het begrip ‘voorval’ leidend heeft geacht of de geleverde hoeveelheid in potentie betekenis kan hebben voor de (omvangrijke) productie van drugs, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit die overwegingen volgt dat het hof doorslaggevend heeft geacht of de gang van zaken dusdanig opmerkelijk is dat zij als ‘voorval’ kwalificeert.
89. Ik merk in verband met deze klacht voorts nog het volgende op. Het hof heeft als een feit van algemene bekendheid aangemerkt ‘dat door malafide afnemers (al dan niet na doorlevering) met de door verdachte geleverde combinaties en hoeveelheden van geregistreerde stoffen een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd kan worden’. Dat is, meen ik, niet onbegrijpelijk. In een arrest van 27 januari 2022 overwoog Uw Raad dat van ‘algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen’. [41] Daarbij gaat het in de regel, aldus Uw Raad in een arrest van 29 maart 2016, om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is’. [42] Dat zwavelzuur en zoutzuur kunnen worden gebruikt bij de productie van synthetische drugs, volgt alleen al uit de plaatsing in categorie 3 van bijlage 1 bij Verordening nr. 273/2004. In dat licht behoefde de omstandigheid dat deze in de handel te brengen stoffen konden worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen geen aanvullend bewijs. Ik merk voorts nog op dat de bewijsvoering inhoudt dat op het afwijkende afleveradres een productielocatie voor synthetische drugs is aangetroffen, alwaar de door verdachte aan [bedrijf] geleverde geregistreerde stoffen zijn gevonden. En dat in de pleitnota niet is bestreden dat zoutzuur en zwavelzuur voor de productie van synthetische drugs kunnen worden gebruikt.
90. Dat de verdachte ervan op de hoogte was dat met de door haar geleverde combinaties en hoeveelheden van geregistreerde stoffen een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geproduceerd kan worden, heeft het hof naar ik begrijp in het bijzonder afgeleid uit de omstandigheid dat het gaat om een bedrijf dat zich op de productie en het transport van de tenlastegelegde stoffen toelegt. Het hof heeft dat ook uit die omstandigheid kunnen afleiden. Ik neem voorts in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld ‘dat bij de onderneming van de verdachte een zogenaamde quality en ICT-coördinator is aangesteld die zich bezighoudt met het vertalen van de wetgeving die van toepassing is op onder meer de chemische branche naar de systemen’ en dat ‘medewerkers binnen de onderneming van de verdachte (worden) geschoold over drugsprecursoren en (het herkennen van) verdachte transacties’. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet niet af dat de vertegenwoordiger van verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat ‘het voor mij nieuw is dat de combinatie van de drie stoffen gebruikt wordt voor de productie van synthetische drugs’.
91. De steller van het middel klaagt vervolgens dat de overweging van het hof dat de geleverde stoffen in de periode vóór het aantreffen van een deel daarvan in een drugslaboratorium door de verdachte aan [bedrijf] zijn geleverd, onjuist is. Aangevoerd wordt dat het drugslaboratorium op 17 juli 2016 is aangetroffen ‘terwijl op dat moment maar een deel van de totale hoeveelheid tenlastegelegde stoffen aan [bedrijf] was geleverd’. Gewezen wordt daarbij op bewijsmiddel 2.
92. Het hof heeft overwogen dat uit het dossier ‘blijkt dat in dit geval een aantal transacties heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [bedrijf] , waarbij geregistreerde stoffen zijn verhandeld, waarvan een deel nadien is aangetroffen in een productielaboratorium en overslaglocatie voor synthetische drugs. In de periode daaraan voorafgaand is door [bedrijf] (
BFK: hier zal bedoeld zijn ‘de verdachte’), in meerdere transacties, in totaal een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten: 3.678 kilogram Zoutzuur 36% en 19.000 kilogram Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] en daarnaast nog een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten: 3.600 kilogram Mierenzuur 86%’.
93. Uit bewijsmiddel 1 blijkt dat op 17 juli 2016 aan de [a-straat 1] te [plaats] een productielocatie voor synthetische drugs, tevens een op- en overslaglocatie van chemicaliën voor synthetische drugs is aangetroffen. Uit bewijsmiddel 2 volgt dat in de periode daaraan voorafgaand zes leveringen hebben plaatsgevonden: op 6 april 2016 (1.200 kg Mierenzuur 85%), op 21 april 2016 (138 kg Zoutzuur 30% T), op 28 april 2016 (5.520 kg Zwavelzuur 96%), op 2 juni 2016 (2.800 kg Zwavelzuur 96%), op 1 juli 2016 (3.680 kg Zwavelzuur 96%) en op 8 juli 2016 (1.200 kg Mierenzuur 85%). Na het aantreffen van, kort gezegd, de productielocatie op 17 juli heeft de verdachte nog 5 keer geleverd aan [bedrijf] Dierenvoeders: op 2 september 2016 (1.200 kg Mierenzuur 85%), op 23 september 2016 (1.400 kg Zwavelzuur 96%), op 3 oktober 2016 (1.400 kg Zwavelzuur 96%), op 13 oktober 2016 (4.200 kg Zwavelzuur 96%) en op 21 december 2016 (3.540 kg Zoutzuur 36% CZ).
94. In het licht van een en ander begrijp ik de overweging van het hof aldus dat het hof daarin tot uitdrukking heeft willen brengen dat op 17 juli 2016 in een productielaboratorium en overslaglocatie voor synthetische drugs (aan de [a-straat 1] te [plaats] ) geregistreerde stoffen zijn aangetroffen die voordien waren verhandeld tussen verdachte en [bedrijf] . En dat in de periode voorafgaand aan en na het ontdekken van het productielaboratorium in totaal door verdachte de omschreven hoeveelheden zoutzuur, zwavelzuur en mierenzuur aan [bedrijf] zijn geleverd. Aldus gelezen is de bewijsoverweging niet onjuist of onbegrijpelijk.
95. De steller van het middel voert ook aan dat de levering van twee geregistreerde stoffen en één ongeregistreerde stof die vóór 2016 niet door het afnemende bedrijf waren besteld, bezwaarlijk de conclusie kan dragen dat sprake was van een ‘voorval’, nu de stoffen niet in één keer zijn besteld of geleverd, maar over een langere periode, op verschillende momenten en in verschillende hoeveelheden.
96. Uit bewijsmiddel 2 volgt dat de verkoop en aflevering van de tenlastegelegde hoeveelheden geregistreerde stoffen zoutzuur en zwavelzuur en de verkoop en aflevering van de ongeregistreerde stof mierenzuur over een periode van ongeveer negen maanden op elf momenten en in verschillende hoeveelheden plaats heeft gevonden.
97. Het hof heeft vastgesteld dat uit ‘het dossier blijkt dat in dit geval een aantal transacties heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [bedrijf] , waarbij geregistreerde stoffen zijn verhandeld’. En dat door de verdachte, in meerdere transacties, in totaal een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten: 3.678 kilogram Zoutzuur 36% en 19.000 kilogram Zwavelzuur 96% is geleverd aan [bedrijf] ‘en daarnaast nog een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten: 3.600 kilogram Mierenzuur 86%. Deze stoffen zijn voor 2016 nooit besteld door [bedrijf] .’ Op grond van onder meer voornoemde feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel ‘dat sprake is van een of meer voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen (…) die er op kunnen wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht worden misbruikt door verdovende middelen en/of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen’. Voorts heeft het hof overwogen ‘dat sprake is van meerdere afzonderlijke transacties die wellicht niet allemaal ieder op zich als voorval gekwalificeerd kunnen worden doch na verloop van tijd en in combinatie gezien, in het bijzonder wanneer sprake is van bijvoorbeeld ook nog Mierenzuur, alsmede gelet op het zich eventueel voordoen van, zoals in casu, een extra indicator in de vorm van een afwijkend afleveradres, tot de conclusie hadden moeten leiden dat deze in circa een jaar tijd geleverde stoffen gemeld hadden moeten worden’.
98. Uit deze overweging volgt dat het hof niet, zoals de steller van het middel meent, heeft geconcludeerd dat sprake was van ‘een voorval’. Ik begrijp ’s hofs overwegingen aldus (vgl. de bespreking van de eerste deelklacht) dat sprake is van een aantal voorvallen die (gezamenlijk) tot één of meer kennisgevingen hadden moeten leiden. Dat de stoffen over een langere periode, op verschillende momenten en in verschillende hoeveelheden zijn geleverd doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel niet af. Ik wijs er in dat verband op dat het hof niet alleen de leveringen van stoffen, maar ook de omstandigheid dat deze stoffen voor 2016 nooit zijn besteld, het ongebruikelijke afleveradres bij twee bestellingen en het op verzoek onbeheerd achterlaten van een bestelling aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Aan de begrijpelijkheid van dit oordeel doet ook niet af dat namens de verdachte is aangevoerd dat het gaat om normale producten in de agri-sector, die zouden passen bij de bedrijfsvoering van de afnemer. Bij gebruik binnen die bedrijfsvoering zou, zo begrijp ik het hof, aflevering aan het adres waar eerdere bestellingen zijn afgeleverd en waar [bedrijf] ‘onmiskenbaar is gevestigd’ in de rede hebben gelegen.
99. De steller van het middel klaagt vervolgens dat met de betekenis die het hof aan het afwijkende afleveradres en een onbeheerd achtergelaten levering heeft toegekend evenmin is ‘voldaan aan de ondergrens die nodig is om van een 'voorval' te spreken’. De verdediging zou onweersproken hebben betoogd dat ‘het hebben van meerdere afleveradressen voor een diervoederbedrijf niet ongebruikelijk is, terwijl het afwijkende adres naar uiterlijke verschijningsvorm een logisch bij deze afnemer passende boerderijlocatie betrof’.
100. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2022 heeft de vertegenwoordiger van de verdachte onder meer verklaard dat ‘meerdere klanten meerdere afleveradressen hebben’. De raadsvrouw van de verdachte heeft in de overgelegde pleitaantekeningen, onder het subkopje ‘Alternatief adres niet opmerkelijk’, onder meer aangevoerd dat het voor een diervoederbedrijf ‘niet ongebruikelijk (is) om meerdere locaties, waaronder een boerderij, te hebben’.
101. Het hof heeft vastgesteld dat ‘op enig moment’ is ‘verzocht om twee bestellingen te leveren op een afwijkend afleveradres, te weten [a-straat 1] te [plaats] , terwijl uit openbare bronnen blijkt dat op dat adres onomstotelijk geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd. Bij één van deze leveringen werd de bestelling bovendien, op verzoek, onbeheerd achtergelaten. Eerdere bestellingen werden steeds geleverd op het adres [c-straat 1] te [plaats] , op welk adres [bedrijf] onmiskenbaar is gevestigd’.
102. Naar het mij voorkomt heeft het hof het oordeel dat sprake was van één of meer voorvallen die een kennisgevingsplicht in het leven riepen mede op de aldus vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen baseren. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof niet alleen heeft vastgesteld dat het afleveradres afwijkend was (eerdere bestellingen werden steeds geleverd op een ander – vast – adres), maar ook dat uit openbare bronnen bleek dat op dat adres geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd. Daar komt bij dat, zoals het hof heeft vastgesteld, één van de bestellingen op verzoek onbeheerd is achtergelaten; dat wijst niet op een reguliere bedrijfslocatie. Ik neem voorts in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat meerdere klanten meerdere afleveradressen zouden hebben, nog niet impliceert dat de verdachte bij deze klant, aan wie eerder altijd op een vast adres was afgeleverd waar de afnemer ‘onmiskenbaar’ gevestigd was, in dat adres niet een omstandigheid diende te zien die in samenhang met de – van de periode voor 2016 afwijkende – aard van de bestellingen tot een kennisgeving diende te leiden.
103. Het hof zou, aldus de steller van het middel, ten onrechte betekenis hebben toegekend aan het feit dat ‘uit openbare bronnen blijkt dat op dat adres onomstotelijk geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd’, omdat het hof nagelaten zou hebben ‘concreet te vermelden aan welke openbare bronnen het dat (voor de bewijsvoering niet onbelangrijke) gegeven, dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt, heeft ontleend’ en in hoeverre dat ook voor de verdachte kenbaar was of kon zijn.
104. Van een feit van algemene bekendheid is sprake, zo bleek eerder, bij gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen ‘zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen’. Het hof heeft het gegeven dat op het adres [a-straat 1] te [plaats] geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd ontleend aan ‘openbare bronnen’. Daarmee heeft het hof dit gegeven kennelijk als een feit van algemene bekendheid aangemerkt. Het hof heeft niet aangegeven aan welke openbare bronnen het dit gegeven heeft ontleend. Dat kan naar het mij voorkomt evenwel niet tot gevolg hebben gehad dat daaromtrent bij de verdediging onduidelijkheid is ontstaan. De raadsvrouw heeft in het pleidooi aangevoerd dat ‘ [bedrijf] een bekende en betrouwbare klant van [verdachte] is’, die ‘is ingeschreven in de Kamer van Koophandel’ en (onder meer) ‘een vaste vestigingsplaats’ heeft. Daarnaast heeft [bedrijf] , aldus de raadsvrouw, ‘een professionele website en professionele sociale media-accounts’. Tegen die achtergrond begrijp ik ’s hofs verwijzing naar ‘openbare bronnen’ aldus dat het hof verwijst naar de website van de Kamer van Koophandel en de website van [bedrijf] . [43]
105. Ook los daarvan meen ik dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Uit de bewijsvoering volgt dat op 17 juli 2016 aan de [a-straat 1] te [plaats] een productielocatie voor synthetische drugs en een op- en overslaglocatie van chemicaliën voor synthetische drugs is aangetroffen (bewijsmiddel 1). In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat op het betreffende adres (tevens) een nevenvestiging van [bedrijf] gevestigd is, meen ik dat ook zonder de verwijzing naar openbare bronnen toereikend uit de bewijsvoering volgt dat op dat adres onomstotelijk geen (neven)vestiging van [bedrijf] is gevestigd.
106. De steller van het middel voert tenslotte aan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een voorval ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de verdachte niet zelf met een verdachte afnemer heeft gehandeld. De verdachte zou geen onmiddellijke relatie met het misbruik van de door de verdachte geleverde stoffen hebben gehad: [bedrijf] heeft de ‘geleverde stoffen kennelijk doorverkocht aan (een) dubieuze partij(en), die die stoffen naar het zich laat aanzien vervolgens (gedeeltelijk) heeft of hebben misbruikt’.
107. Art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004 verplicht de marktdeelnemer de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat niet slechts van een voorval sprake kan zijn dat tot een kennisgeving verplicht als sprake is van een onmiddellijke relatie tussen de marktdeelnemer en de partij die de stoffen heeft misbruikt of wil misbruiken om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Het middel stelt derhalve een eis die geen steun vindt in het recht.
108. Het middel faalt.

Afronding

109. De middelen falen. In ieder geval het eerste middel kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase wordt overschreden. Tot strafvermindering behoeft dat gelet op de opgelegde straf evenwel niet te leiden. [44] Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
110. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De brief is deels (randnummers 3 en 11) als bijlage gevoegd bij de pleitnotities die in hoger beroep op de terechtzitting van 13 oktober 2021 zijn overgelegd en voorts opgenomen in de cassatieschriftuur. Zij bevindt zich niet integraal bij de stukken van het geding. Nu in cassatie wordt geklaagd over de afwijzing van verzoeken die nadien ter terechtzitting zijn gedaan, heb ik ervan afgezien deze brief op te vragen en de inhoud overgenomen uit de cassatieschriftuur.
2.Deze e-mail is als bijlage gevoegd bij de pleitnotities die in hoger beroep op de terechtzitting van 13 oktober 2021 zijn overgelegd.
3.Ook deze e-mail is als bijlage gevoegd bij de pleitnotities die in hoger beroep op de terechtzitting van 13 oktober 2021 zijn overgelegd.
4.Voluit: Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, Wenen, 20 december 1988 (
6.Opgenomen in
10.Zie het Besluit van de Raad van 22 oktober 1990 betreffende de sluiting namens de Europese Economische Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (90/611/EEG).
11.Voluit: Richtlijn 92/109/EEG van de Raad van 14 december 1992 inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van bepaalde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (
12.Voluit: Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (
13.Voluit: Verordening (EU) nr. 1258/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 273/2004 inzake drugsprecursoren (
14.COM(2009)709 def, p. 4.
15.Voluit: Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (
16.Voluit: Verordening (EU) nr. 1259/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (
17.Voluit: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 van de Commissie van 24 april 2015 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en van Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie (
18.De informatie die voor de toepassing van art. 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 111/2005 verstrekt dient te worden door de marktdeelnemer aan de bevoegde instanties is opgenomen in art. 9, tweede lid, van Verordening (EU) 2015/1011.
19.Voluit: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1013 van de Commissie van 25 juni 2015 tot vaststelling van voorschriften met betrekking tot Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren (
20.Zie (version 2). Het document dateert van juni 2008.
21.Richtlijn 92/109/EEG, overwegingen 7 en 8.
22.Wet van 16 maart 1995,
23.Wet van 2 februari 2006,
24.Vgl.
25.Ten tijde van het plegen van het feit gold de versie die te raadplegen is via . De meest recente versie van dit informatieblad dateert van mei 2023, zie . De geciteerde onderdelen zijn daarin niet gewijzigd.
26.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7280.
27.HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1078.
28.HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1841.
29.HvJ EU 2 februari 2023, C-806/21, ECLI:EU:C:2023:61 (
30.HvJ EU 2 februari 2023, C-806/21, ECLI:EU:C:2023:61 (
31.Vgl. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AQ8552,
32.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
33.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
34.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
35.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
36.Vgl. onder meer HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1465, rov. 2.5.2. en HR 20 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:944, rov. 2.5.1.
37.Vgl. onder meer HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:46; HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1771.
38.B.F. Keulen en G. Knigge,
39.HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562,
40.Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858,
41.HR 27 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:44. Zie ook HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291,
42.HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522,
43.https://www.kvk.nl/. Deze website biedt de mogelijkheid te zoeken in het handelsregister. Zie voorts https://vanbaarendiervoeders.nl.
44.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,