Conclusie
Nummer22/00799 E
relaas van [verbalisant 1] :
Informatie over leverancier [verdachte]
relaas van [verbalisant 2] :
Onderzoek facturen, afleverbonnen en betaaloverzichten
weergave van de verklaring van getuige [betrokkene 3]:
Wat is uw functie binnen [verdachte] ?
Hebben deze personen de afleverbon getekend?
Was er iemand aanwezig om die zending in ontvangst te nemen?
Wat heeft u vervolgens gedaan?
weergave van de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 2]:
De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 2], afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 februari 2022, voor zover inhoudende:
Bewijsoverwegingen
[verbalisant 2], ambtenaar bij de Douane Groningen, Team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving, werkzaam aan Hanzelaan 310 te (8017 JK) Zwolle, telefoonnummer 06- [telefoonnummer 2] .
bij haarhet vermoeden is ontstaan dat de transacties als verdacht hadden moeten worden gemeld. Cliënte heeft in haar verklaring(-en) uiteengezet hoe die omstandigheden volgens haar dienen te worden uitgelegd. Op alle door mw. [verbalisant 2] genoemde indicatoren is cliënte ingegaan. De daarbij genoemde feiten zijn, voor zover dat uit het proces-verbaal blijkt, niet betrokken bij de conclusies van [verbalisant 2] . In ieder geval blijkt niet dat deze feiten en omstandigheden verder zijn onderzocht. Dat is, nu de genoemde indicatoren overduidelijk voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, opmerkelijk. Bepaalde onderdelen lijken eenvoudigweg verkeerd te zijn begrepen door [verbalisant 2] . De verdediging wenst [verbalisant 2] te vragen waarom de informatie, verstrekt door cliënte, desondanks niet nader is onderzocht en/of bij het onderzoek is betrokken.
De raadsvrouwe
Onderzoekswensen
solely or to a decisive extent" heeft gebaseerd op het belastende proces-verbaal van [verbalisant 2] , dient [verdachte] in de gelegenheid te worden gesteld om de inhoud van en de conclusies in het proces-verbaal te verifiëren en/of te falsifiëren bij de opsteller daarvan, alsmede om de kennis en kunde op het gebied van drugsprecursoren van die opsteller te toetsen.’
het laten opstellen van een aanvullend-proces verbaalvan bevindingen. Een aanvullend proces-verbaal kan niet worden gelijkgesteld aan een verhoor bij de raadsheer-commissaris. De verdediging wordt daarmee immers niet in de gelegenheid gesteld om vragen aan [verbalisant 2] te stellen, om naar aanleiding van haar antwoorden door te vragen, en om de betrouwbaarheid van die antwoorden in verhoor te toetsen, etc.
van de redenen waaromde verdediging haar wenst te horen. Dat is onverenigbaar met het belang van de verdediging om haar (zo) onbevangen (mogelijk) te ondervragen.
Keskin t. Nederlandheeft het EHRM het belang van een verdachte om een getuige te ondervragen onderstreept (“
an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness"). Ten aanzien van een belastende getuige geldt dat indien het openbaar ministerie heeft besloten dat een persoon een relevante informatiebron vormt en zich tijdens het strafproces baseert op zijn of haar getuigenverklaring, en indien de rechter die getuigenverklaring mogelijk zal gebruiken voor het bewijs, in beginsel moet worden aangenomen dat de verdachte belang erbij heeft deze getuige te horen. Het willen toetsen van de "
truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her" is voldoende (EHRM Keskin t. Nederland, par. 56). Ik verwijs hiervoor ook naar de conclusie van A-G Bleichrodt d.d. 9 maart 2021, waarin hij schreef dat "
als uitgangspunt heeft te gelden dat het belang van de verdediging bij de ondervraging van een belastende getuige teneinde de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te kunnen toetsen dient te worden verondersteld" (ECLI:NL:PHR:2021:231, par. 41).
adequate and proper opportunity to challenge and question a witness.
horenals getuige van [verbalisant 2] , ambtenaar bij de Douane Groningen en het voorwaardelijke verzoek een chemicus te horen als deskundige. Ik zal deze onderzoekswensen hier (samengevat) herhalen, tenzij u deze als herhaald en ingelast beschouwt (
bijlage 1).
opgedragen om de door de verdediging ten aanzien van [verbalisant 2] in de e-mail van 19 juni 2020 opgeworpen vragen, te laten beantwoorden door [verbalisant 2] in een aanvullend proces-verbaal”. Ten behoeve hiervan is - zonder dat de verdediging hierin is gekend - aan [verbalisant 2] de (volledige) opgave van de onderzoekswensen van de verdediging toegestuurd. De verdediging heeft van het bovenstaande (pas) kennisgenomen nádat deze opdracht al was uitgevoerd.
bijlage 2). Ik voeg hier het volgende aan toe.
Onderzoekswensen
II.I. Uitsluiting voor bewijs
II.II. Transacties [verdachte] en [bedrijf] niet verdacht
'verdachte transacties').
door [bedrijf]. Uit niets bleek - en blijkt -immers dat [bedrijf] van plan zou zijn geweest om die stoffen te misbruiken voor de vervaardiging van drugs, laat staan dat [verdachte] daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat [bedrijf] de stoffen met dat doel zou hebben gekocht. Sterker nog, [bedrijf] antwoordde op de vraag of hij ooit had gedacht dat de stoffen gebruikt zouden worden voor de productie van drugs ondubbelzinnig 'nee'. [bedrijf] heeft ook verklaard dat hij niet van plan was om de stoffen met dat doel te gebruiken, maar om ze door te verkopen aan een klant van hem.
tussen [verdachte] en [bedrijf]geen transacties waren waarvan [verdachte] een melding had behoren te doen, omdat deze transacties er noch op konden wijzen noch op wezen dat de stoffen wellicht voor de productie van drugs zouden kunnen worden gebruikt.
Hoogstenszou kunnen worden gezegd dat
[bedrijf]de transacties tussen hem en zijn afnemer zou hebben moeten melden, omdat
die transactieser mogelijk op wezen dat de stoffen zouden worden misbruikt. Zo heeft de klant van [bedrijf] er kennelijk op gestaan dat hij contant mocht betalen, hetgeen als een indicatie voor misbruik zou kunnen worden beschouwd. Van dergelijke omstandigheden was [verdachte] echter niet op de hoogte én daarvan was ook geen sprake van bij de transacties tussen [verdachte] en [bedrijf] . Het al dan niet bevestigende antwoord op de vraag of [bedrijf] de transactie tussen hem en zijn kennelijke afnemer(s) had moeten melden, kan [verdachte] evenwel niet worden tegengeworpen en is bovendien irrelevant voor de vraag of [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt aan enig strafbaar feit.
II.III. Geen verdachte transacties, want geen aanwijzingen voor misbruik
teveel werk’ zou zijn.
op welk momentdie vermeende indicaties een rol zou kunnen hebben gespeeld bij die beoordeling. Door de economische politierechter, die de veroordeling heeft gestoeld op dit betreffende proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , wordt retrospectief een onjuist toetsingskader voor de beoordeling van álle transacties gehanteerd door alle door [verbalisant 2] verzamelde indicaties
gezamenlijkten grondslag te leggen aan de beoordeling van
álle transacties. Dat is onjuist.
op het moment van die betreffende transactie. Nu het in deze zaak gaat om acht afzonderlijke transacties over een periode van een half jaar, dient
per transactiete worden beoordeeld of en (en zo ja welke) indicaties een rol zouden kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of
op dat momentsprake was van een verdachte transactie.
@yahoo.com) gebruikt. Volgens [verbalisant 2] zou (mede) hierdoor het vermoeden ontstaan dat sprake is van een verdachte transactie. In de eerste plaats blijkt niet dat of waarom dit een informeel mailadres zou zijn. Het mailadres bestaat uit (een deel van) de naam van het bedrijf, gevolgd door de naam van de provider.
boeren komt dit ook veel voor." Ook [betrokkene 5] heeft bevestigd dat dergelijke mailadressen vaker voorkomen in de agri-sector.
nietvermoeden dat sprake is van een verdachte transactie.
een klantvan [bedrijf] kennelijk aangaf het product als gevelreiniger te gebruiken. Door [verbalisant 2] wordt (terecht) niet gesteld dat een toepassing als gevelreiniger
door een klant vaneen bedrijf in de diervoederbranche ongebruikelijk zou zijn. Ook overigens blijkt daarvan niet.
insen
outsmet betrekking tot het product. [betrokkene 2] verklaarde hierover: "
Dat vind ik niet vreemd. Er zijn boeren die helemaal niet weten wat ze moeten bestellen. Ze bestellen dan een vat zuur, ze weten dan niet of ze zwavelzuur of zoutzuur moeten hebben. En ook niet wetende of het 37% of 96% moet zijn. Er wordt ook vaak chloor besteld door klanten terwijl ze eigenlijk natriumhypochloriet nodig hebben".
ik weet dat er meldplicht is. Als er onderweg iets ongebruikelijks gebeurt, meld ik dat op kantoor".
we hebben klanten met wel 400 afleveradressen één extra is dus niet zo vreemd".
Relevante regelgeving en rechtspraak
Commentary on the United Nations Convention Against Illicit Traffic in Narcotic Drugs and Psychotropic Substances 1988. Onder 12.33 van dit commentaar is het volgende opgenomen: ‘
The second matter dealt with, in subparagraph (c) of paragraph 9, is a crucial aspect of the international cooperation required under paragraph 1, namely the notification of suspicious transactions to the competent authorities of other parties’. [5]
Chemical Action Task Force(hierna: CATF) opgericht. De CATF had als taak ‘
to address methods to prevent the diversion of chemicals from legitimate commerce for use in manufacturing illicit drugs’. De CATF ‘
began its work with the premise that its recommendations should build upon the 1988 UN Convention’. De bevindingen en de aanbevelingen van de ‘
Working Groups’ van de CATF zijn opgenomen in het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’. [6] De bevindingen en aanbevelingen van de CATF zijn niet aan te merken als verbindende bepalingen van internationaal publiekrecht.
Vigilance on the Part of Operators. Countries must ask operators to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious transactions involving these products. This vigilance must be aimed primarily at detecting doubtful or unusual transactions’. [7] Onder het kopje ‘
Industry and commercial practices’ heeft de CATF aanbevolen dat ‘
to the extent possible under a country’s constitutional principles and the basic concepts of its legal systems, countries establish a mechanism for industry and commercial entities to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious circumstances relative to transactions involving the subject chemicals’. [8]
Chemical Action Task Force Final Report’ is een ‘
List of suspicious circumstances’. Deze lijst heeft als doel om ‘
liaison officers and chemical companies’ te assisteren ‘
in identifying suspect inquiries, orders and transactions’. In de lijst zijn de volgende factoren opgesomd:
‘(a) New customer. (b) A walk-in customer (personal appearance). (c) Private house or PO box number as the address from which the order is made. (d) Irregular ordering. (e) A readiness to pay cash even for large purchases. (f) A readiness to pay the “going” rate without haggling or negotiating. (g) An offer to pay an excessive price for rapid delivery. (h) Will collect the goods and/or provide own vehicle. (i) Requests for purchases in small containers when the goods are said to be for industrial use. (j) Unusual quantities ordered. (k) Indications of intended use which is inconsistent with the chemical(s) ordered. (l) Request for delivery by airfreight. (m) Delivery via dubious transit route. (n) Failure or unwillingness to supply telephone number and/or address. (o) Lack of business acumen. (p). Absence of business stationery. (q) Reluctance to supply written order. (r) Order(s) for more than one precursor or essential chemical. (s) Orders to universities or well-known companies where normal arrangements for ordering goods are used, but delivery is requested to a specific individual’. [9]
6 bis. Marktdeelnemers die houder zijn van een registratie, leveren geregistreerde stoffen van subcategorie 2A van bijlage I alleen aan andere marktdeelnemers of gebruikers die zelf houder zijn van een dergelijke registratie en die een afnemersverklaring als bedoeld in artikel 4, lid 1, hebben ondertekend.
4. De marktdeelnemers bewaren deze documenten betreffende hun activiteiten om te kunnen voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van lid 1.
(…)
Artikel 7
Etikettering
De marktdeelnemers zorgen ervoor dat geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I van een etiket zijn voorzien alvorens ze geleverd worden. Het etiket vermeldt de naam van de stof zoals deze in bijlage I is vermeld. De marktdeelnemers mogen daarnaast ook hun gewone etiketten aanbrengen.
(…)
Artikel 8
Kennisgeving aan de bevoegde instanties
1. De marktdeelnemers stellen de bevoegde instanties onverwijld in kennis van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met in de handel te brengen geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat die in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. Daartoe verstrekken de marktdeelnemers alle beschikbare informatie aan de hand waarvan de bevoegde instanties de legitimiteit van de desbetreffende order of transactie kunnen verifiëren.
2. De marktdeelnemers verstrekken de bevoegde instanties beknopte relevante informatie over hun transacties met geregistreerde stoffen.
Artikel 9
Richtsnoeren
1. De Commissie stelt richtsnoeren op en werkt ze bij om de samenwerking tussen de bevoegde instanties, de marktdeelnemers en de chemische industrie te vergemakkelijken, met name ten aanzien van niet-geregistreerde stoffen.
2. De richtsnoeren omvatten met name:
b) een geregeld bijgewerkte lijst van niet-geregistreerde stoffen, om de industrie in staat te stellen vrijwillig op de handel in deze stoffen toe te zien;
c) andere eventueel nuttig geachte informatie.
3. De bevoegde instanties zorgen ervoor dat de richtsnoeren en de in lid 2, onder b, bedoelde lijst geregeld op een door hen gepast geachte wijze worden verspreid, overeenkomstig de doeleinden van de richtsnoeren.
Artikel 10
Bevoegdheden en plichten van de bevoegde instanties
1. Met het oog op een correcte toepassing van de artikelen 3 tot en met 8 neemt elke lidstaat de nodige maatregelen om de bevoegde instanties in staat te stellen hun controle- en toezichtstaken uit te oefenen, en met name:
Artikel 12
Sancties
De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verordening wordt toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
Guidance document agreed between the Commission services and the competent authorities of Member States on the implementation of the Community legislation on drug precursors’. [20] De opgestelde teksten zijn niet (juridisch) bindend voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten: het document geeft de mening weer van de betrokken ‘
Commission services’. Ook de Commissie is er niet aan gebonden.
operators’ te vragen ‘
to alert the competent authorities as promptly as possible to any suspicious transactions involving these products. This vigilance must be aimed primarily at detecting doubtful or unusual transactions’. In de aan het eindrapport gehechte appendix wordt een ‘
list of suspicious circumstances’gegeven. In Verordening (EG) nr. 273/2004 wordt niet verwezen naar de deelname van de Europese Commissie aan de werkzaamheden van de CATF of het ‘
final report’.
final report’ van de CATF wel benadrukt. Deze overweging luidt als volgt: ‘Om de bepalingen van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties uit te voeren en rekening houdend met het verslag van de Chemical Action Task Force, is bij Verordening (EEG) nr. 3677/90 van de Raad van 13 december 1990 houdende maatregelen om te voorkomen dat bepaalde stoffen worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen een systeem opgezet voor de melding van verdachte transacties. Dit systeem, dat is gebaseerd op nauwe samenwerking met de marktdeelnemers, wordt versterkt door maatregelen inzake onder andere documentatie en etikettering, vergunning- en registratieplicht voor marktdeelnemers, alsmede procedures en voorschriften met betrekking tot de uitvoer’.
Identiteit van de klant
Zakelijke praktijken
Manier van leveren
Gebruik van de goederen• Hoeveelheid past niet bij bedrijfsactiviteiten van de klant.• Indicatie van gebruik komt niet overeen met bestelde goederen.• Export naar landen waar geen normaal gebruiksdoel aanwezig is.• Orders door bedrijven die geen gebruiksdoel voor de goederen hebben.• Orders van meer dan één precursor of essentiële stof.• Orders waarbij geregistreerde stoffen voorkomen in een lange lijst van niet-geregistreerde stoffen (en daarom minder of niet opvallen).’
TF (Drugsprecursoren). [29] Het HvJ EU legde het begrip ‘marktdeelnemer’ in artikel 2 onder Pro d, van Verordening (EG) nr. 273/2004 aldus uit ‘dat een persoon die in het kader van een illegale activiteit betrokken is bij het in de handel brengen van in de Europese Unie geregistreerde stoffen, geen „marktdeelnemer” in de zin van die bepaling is’. Gezien het antwoord op deze vraag behoefde het HvJ EU de andere vragen niet te beantwoorden. Bij het beantwoorden van de eerste vraag heeft het HvJ EU opgemerkt dat uit art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2004/373 ‘volgt dat de door de Uniewetgever vastgestelde kennisgevingsplicht betrekking heeft op orders en transacties die ongewoon lijken, te weten die welke kunnen zijn verricht met het doel deze geregistreerde stoffen op onrechtmatige wijze aan hun normale bestemming te onttrekken’. [30]
Bespreking van het eerste middel
eerste deelklachtkomt op tegen ’s hofs ‘afwijzingen van het herhaalde verzoek tot het horen van getuige [verbalisant 2] ’. Deze afwijzingen berusten volgens de steller van het middel op een onduidelijke respectievelijk onjuiste toetsingsmaatstaf, ‘terwijl voorts niet blijkt dat de concrete toepassing van het noodzaakcriterium niet wezenlijk heeft verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt’. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ‘het hof het verzoek om [verbalisant 2] te horen aanvankelijk (op 27 oktober 2021) heeft afgewezen zonder daarbij enige toetsingsmaatstaf te noemen’. En dat het hof hetzelfde verzoek in zijn arrest ‘heeft getoetst aan het noodzaakcriterium zonder dat blijkt dat de toepassing van dat criterium niet wezenlijk heeft verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt’.
tweede deelklachthoudt in dat de afwijzing van de verzoeken om [verbalisant 2] te horen telkens niet begrijpelijk en toereikend is gemotiveerd. Met de overweging dat het hof geen enkele aanleiding heeft om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de wijze van totstandkoming van het proces-verbaal zou het hof ten onrechte zijn vooruitgelopen op de inhoud van het verhoor en eraan voorbij zien dat het de verdediging er ook om ging de inhoud van het proces-verbaal te toetsen, alsmede om de deskundigheid van de opsteller van het proces-verbaal ‘en de houdbaarheid van de door haar geponeerde stellingen te onderzoeken’. Daarbij zou de omstandigheid dat het hof de bevindingen van [verbalisant 2] uiteindelijk zelf moet beoordelen er niet aan afdoen dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen de houdbaarheid van die bevindingen door een verhoor te toetsen.
derde deelklachtziet op het gebruik van de verklaring voor het bewijs en het recht op een eerlijk proces. Volgens de steller van het middel doet zich niet het geval voor ‘dat het (opnieuw) horen van de getuige van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben’. Verder zou het hof er ten onrechte geen blijk van hebben gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof had volgens de steller van het middel met name onderzoek moeten doen naar a) de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend met betrekking tot deze getuige, b) het gewicht van haar verklaring voor de bewezenverklaring en c) het eventuele bestaan van factoren die compensatie boden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het hof zou dit hebben nagelaten.
Keskin tegen Nederlandgeoordeeld dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. [34] In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd. Uit dit arrest volgt ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist. [35]
Bespreking van het tweede middel
list of suspicious circumstances’die is gehecht aan het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’. Deze lijst heeft, zoals gezegd, als doel om ‘
liaison officers and chemical companies’ te assisteren ‘
in identifying suspect inquiries, orders and transactions’. De genoemde factoren zijn, net als de indicatoren in het informatieblad, te relateren aan de identiteit van de klant/afnemer, de handelspraktijken, de manier van leveren, en het gebruik van de goederen. Het ‘
Chemical Action Task Force Final Report’ staat, op zijn beurt, in verband met oudere EU-regelgeving betreffende het toezicht op de handel in drugsprecursoren. Eerder bleek dat in de overwegingen bij de inmiddels vervangen Richtlijn 92/109/EEG gewezen wordt op de deelname van de Commissie en lidstaten aan de werkzaamheden van de CATF, op de doelstelling van de CATF en op het feit dat ‘het eindverslag van de CATF op 15 juli 1991 door de Economische Topconferentie van Londen (de G-7) is goedgekeurd’. In overweging 4 van Verordening (EG) nr. 111/2005, is de rol van het ‘
final report’ van de CATF benadrukt. Aangegeven wordt dat Verordening (EEG) nr. 3677/90 was aangenomen om de bepalingen van artikel 12 van Pro het Verdrag van de Verenigde Naties uit te voeren, daarmee rekening houdend met het verslag van de Chemical Action Task Force. Zo bezien gaat het bij deze indicatoren niet (enkel) om ‘de visie van de Nederlandse Douane’.
BFK: hier zal bedoeld zijn ‘de verdachte’), in meerdere transacties, in totaal een hoeveelheid geregistreerde stoffen, te weten: 3.678 kilogram Zoutzuur 36% en 19.000 kilogram Zwavelzuur 96% geleverd aan [bedrijf] en daarnaast nog een hoeveelheid van een ongeregistreerde stof, te weten: 3.600 kilogram Mierenzuur 86%’.