ECLI:NL:PHR:2024:388
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor schuldheling motorboot ondanks betwisting bewijsmotivatie
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf voor schuldheling van een motorboot, nadat hij in eerste aanleg was vrijgesproken. Het hof stelde vast dat verdachte met twee onbekende mannen een deal had gesloten om een gestolen boot te ruilen tegen een auto met bijbetaling, en dat verdachte de boot uit het water probeerde te takelen, waardoor hij deze feitelijk voorhanden had.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte de boot voorhanden had en dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De Hoge Raad bevestigde echter dat het begrip 'voorhanden hebben' feitelijke zeggenschap vereist, wat hier was voldaan door het takelen van de boot. Ook was er een onderzoeksplicht van verdachte gezien de omstandigheden, die hij niet had nageleefd.
Het middel dat klaagde over strijd met artikel 14 lid 5 IVBPR Pro werd verworpen op grond van het Post-Jaddoe arrest. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering vanwege de aard van de opgelegde taakstraf. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldheling blijft gehandhaafd.