ECLI:NL:PHR:2024:388

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
22/01255
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 5 IVBPRArt. 81 ROArt. 417bis SrArt. 416 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor schuldheling motorboot ondanks betwisting bewijsmotivatie

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf voor schuldheling van een motorboot, nadat hij in eerste aanleg was vrijgesproken. Het hof stelde vast dat verdachte met twee onbekende mannen een deal had gesloten om een gestolen boot te ruilen tegen een auto met bijbetaling, en dat verdachte de boot uit het water probeerde te takelen, waardoor hij deze feitelijk voorhanden had.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte de boot voorhanden had en dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De Hoge Raad bevestigde echter dat het begrip 'voorhanden hebben' feitelijke zeggenschap vereist, wat hier was voldaan door het takelen van de boot. Ook was er een onderzoeksplicht van verdachte gezien de omstandigheden, die hij niet had nageleefd.

Het middel dat klaagde over strijd met artikel 14 lid 5 IVBPR Pro werd verworpen op grond van het Post-Jaddoe arrest. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering vanwege de aard van de opgelegde taakstraf. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldheling blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01255
Zitting16 april 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 31 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens “schuldheling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J. Bussink, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel klaagt dat de veroordeling in de onderhavige zaak in strijd is met het bepaalde in art. 14 lid 5 IVBPR Pro, omdat de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld, terwijl een feitelijke herbeoordeling van de schuldigverklaring in cassatie niet mogelijk is.
3.2
De onderhavige schriftuur dateert van voor het zogenoemde Post-Jaddoe arrest (HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106). In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de opvatting dat uit de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe volgt dat de cassatieprocedure als zodanig niet kan worden beschouwd als een beoordeling door een hoger rechtscollege in de zin van artikel 14 lid 5 IVBPR Pro onjuist is. Daarop stuit het middel af.
3.3
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op een tijdstip gelegen in de periode van 22 augustus 2018 tot en met 23 augustus 2018 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, een goed te weten een motorboot (merk Bayliner, type Bowrider) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 mei 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:
De man op de foto zoals te zien op pagina 33 van het dossier, ben ik. Op 22 augustus 2018 in de middag kwamen er twee mannen bij ons in de zaak voor een advertentie die wij hadden geplaatst voor de verkoop van een Range Rover. Een man sprak met een Belgisch accent en de andere man was een Pool die gebrekkig Nederlands en Engels sprak. De man die sprak met een Pools accent gaf aan dat hij een boot wilde inruilen bij de koop van de auto. De boot zou net iets meer waard zijn dan de auto. Ik heb toen aangegeven dat ik de boot wilde zien. Met de mannen heb ik afgesproken om in de avond naar de boot te gaan kijken. Ik ben op aanwijzing van de mannen naar een snackbar gereden in Rijnsburg. Het adres van de snackbar weet ik niet meer. Vanaf de snackbar zijn wij naar de boot gereden die in het water lag. Omdat het inmiddels al 21:00 uur en donker was, kon ik de boot niet goed meer bekijken. Daarom heb ik de volgende ochtend weer met de mannen afgesproken. De volgende dag heb ik bij de boot gekeken. De verkoper van de boot gaf aan dat hij geen trailer had om de boot uit het water te halen en ik heb geen vaarbewijs om met de boot te kunnen varen. Uiteindelijk hebben wij een plek in Abbenes gevonden, ongeveer 10 à 12 kilometer van de zaak vandaan, waar de verkoper naar toe kon varen zodat ik de boot uit het water kon halen.
De auto stond voor € 8.900,00 te koop en de boot zou ik kopen voor een bedrag van € 12.000,00. Ik zou dan nog € 3.100,00 moeten bijbetalen aan de verkoper van de boot. Omdat de boot ongeveer € 15.000,00 waard is kon ik met deze koop ongeveer € 2.000,00 verdienen.
Het is niet gelukt om de boot op de trailer te krijgen. Ik heb aangegeven dat de betaling van de boot zou moeten plaatsvinden via de bank. De verkoper van de boot gaf aan dat hij het geld liever contant wilde ontvangen. Hier kregen wij een discussie over omdat wij grote bedragen niet contant betalen. De verkoper gaf ook aan dat hij geen kentekenkaart van de boot kon overhandigen. Ik heb nooit meer wat van hem gehoord. U vraagt mij of ik gegevens heb van de verkoper van de boot. Nee, omdat de koop niet is doorgegaan heb ik geen gegevens. De verkoper van de boot is naar de zaak toegekomen dus ik heb ook geen telefoonnummer of andere contactgegevens.
Naast de verkoop van auto's verkopen wij bijvoorbeeld ook motoren, fietsen en boten. Soms verkopen wij vijf boten per jaar en soms helemaal niets. Wij hebben ook regelmatig boten op de site staan die wij verkopen.
2 .
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 februari 2020 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat ik samen met [betrokkene 1] de boot uit het water heb gehaald. De boot moest op de trailer.
3.
Een proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 23 augustus 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018228803-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 47-49):
als de op 23 augustus 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Feit: Diefstal vaartuig
Plaats delict: Oegstgeesterkanaal, Rijnsburg, binnen de gemeente Katwijk
Pleegdatum/tijd: Tussen woensdag 22 augustus 2018 om 19:15 uur en donderdag 23 augustus 2018 om 09:30 uur
Ik ben tot gisteravond 22 augustus 2018 omstreeks 19.15 uur op mijn boot aanwezig geweest. Ik heb mijn boot aangemeerd in het Oegstgeester kanaal te Rijnsburg ter hoogte van de plaats waar vroeger de molen van Rijnsburg heeft gestaan.
Mijn boot heb ik afgemeerd en vastgelegd door middel van een staalkabel. Dit betreft een origineel slot voor boten.
Toen ik vanmorgen gebeld werd dat mijn boot daar niet meer lag ben ik meteen gaan kijken en ik vond de restanten van de kabel terug. Het is te zien dat er gebruik gemaakt is van een slijpschijf anders was het waarschijnlijk ook niet gelukt.
Bijlage goederen
Naam schip: [naam]
Vaartuig: Motorboot (speed)
Merk/type: Bayliner Bowrider
4.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 augustus 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018228803-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 68-69):
als de op 25 augustus 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:
Op vrijdag 23 augustus 2018 omstreeks 13.45 uur las ik een Facebook bericht van [betrokkene 2] uit [plaats]. Hier stond het volgende in: "Bayliner 205.... vannacht gestolen wil een ieder uitkijken naar deze Boot.... laatste 3 cijfers van rompnummer is [001]...". Ik heb op vrijdag 23 augustus 2018 om 13.53 het Facebook bericht: "Bayliner 205.... vannacht gestolen wil een ieder uitkijken naar deze Boot.... laatste 3 cijfers van rompnummer is [001]...is van een goede bekende van mij gestolen in de buurt van Rijnsburg.". gedeeld met mensen van het Facebook account "Met de boot door Nederland" in de hoop dat mensen iets zouden zien. Om 15.45 uur kreeg ik daar een reactie op met een foto. Dit was van ene [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. Later kwam ik er achter dat dit ene [betrokkene 4] en [betrokkene 5] was. Later kreeg ik van deze mensen nog meer foto's. Ik heb daarna contact opgenomen met [betrokkene 2] en hem van deze reactie op de hoogte gebracht en hem de foto's toegezonden. Ik heb ook op Facebook een reactie van een man genaamd [betrokkene 6] wonende te [plaats] gezien die aangaf dat hij de boot om 11.00 uur in de Ringvaart had zien liggen.
5 .
Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 26 augustus 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018228803-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 72-73):
als de op 26 augustus afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:
Op donderdag 23 augustus 2018 was ik samen met mijn partner op onze boot en wij varen op dit moment door Nederland tijdens onze vakantie. Mijn partner [betrokkene 4] had in de ochtend een Facebook bericht gelezen over de diefstal van een boot genaamd "[naam]". Het Facebook bericht stond op het Facebook account: "Met de boot door Nederland". Dit bericht was door [betrokkene 3] geplaatst. In de middag zagen wij dat een boot met de naam "[naam]", uit het water werd gehaald. Mijn partner herinnerde zich de naam van de boot van het eerder genoemde Facebook bericht. Wij zijn toen met onze boot gekeerd en zijn er nogmaals langs gevaren en toen heb ik een viertal (4) foto's gemaakt. Ik heb vervolgens, omstreeks 16.00 uur, een van de foto's naar [betrokkene 3] gestuurd en later de drie (3) foto's via messenger. Op onze waterkaart heb ik samen met mijn partner opgezocht waar het was en dit was de Ringvaart bij de Huigsloterdijk, Buitenkaag, in de buurt van een electrohuisje en een paar honderd meter verder was een veerpontje.
6.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2018 en de daarbij behorende foto's van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018228803-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 90-92):
Het hof merkt op dat bovenstaande foto dezelfde foto is als op pagina 33 van het politiedossier.
7.
Een proces-verbaal van onderzoek historische verkeersgegevens d.d. 30 november 2018 met bijlage 'Kaart Abbenes' van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL-1500-2018228803. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 140):
4.4
Het bestreden arrest houdt voorts de volgende bewijsoverweging in:
“Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit.
Daartoe is aangevoerd dat op grond van het verhandelde in het dossier niet buiten enige twijfel vastgesteld kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging het navolgende aangevoerd.
De verdachte wist niet dat de boot gestolen was. Bovendien vroeg de verkopende partij een marktconforme prijs en was de verkopende partij in het bezit van de sleutel. Daarnaast gedroeg de verkopende partij zich niet verdacht en vond de overdracht -hoewel mislukt - op klaarlichte dag plaats. De verdachte heeft voorts nimmer als heer en meester over de boot beschikt, omdat de feitelijke overdracht niet heeft plaatsgevonden en het niet is gelukt om de boot uit het water te takelen.
Het hof overweegt het volgende en gaat daarbij uit van de verklaring van de verdachte dat hij een deal had gemaakt om de boot te ruilen tegen een auto die hij wilde verkopen. Aangezien de boot meer waard was dan de auto, zou de verdachte nog een bedrag aan de andere partij betalen.
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de boot gestolen is op 22 augustus 2018 tussen 18:30 uur en 23 augustus 2018 09:30 uur door de staalkabel waar de boot mee vastlag te verbreken. Eveneens staat vast dat de boot op 23 augustus 2018 rond 11:00 uur aan de Huigsloterdijk ter hoogte van de boothelling heeft gelegen. Diezelfde middag lag de boot aan de Huigsloterdijk ter hoogte van de Kaagweg te Abbenes. Aldaar was verdachte aanwezig met zijn auto en met een boottrailer.
De verdachte heeft verklaard dat op 22 augustus 2018 mannen bij hem kwamen die de desbetreffende boot wilden ruilen tegen een auto plus bijbetaling. Hij heeft diezelfde avond op 22 augustus 2018 de boot bezichtigd, maar omdat het te donker was zou de overdracht de volgende dag plaatsvinden.
De verdachte heeft verklaard dat op het moment dat het uit het water halen van de boot niet lukte, er met de verkoper ook discussie ontstond over de gesloten deal. Zo wilde de verkoper het afgesproken bedrag contant betalen in plaats van per bank en had deze het kentekenbewijs niet bij zich.
De verdachte heeft van de mannen waar hij de deal mee heeft gesloten geen enkele contactgegevens kunnen verstrekken.
Het hof is van oordeel dat wanneer er een deal gesloten wordt waarbij zo een prijzig object is betrokken, van de koper zekere onderzoekshandelingen mogen worden verwacht. Zeker wanneer deze zich als koper vaker bezig houdt met dergelijke verkopen, zoals het geval is bij de verdachte.
Dit geldt temeer onder de door de verdachte genoemde omstandigheden. De verdachte is 's avonds gaan kijken, de verkoper had geen trailer en kwam niet met nadere gegevens, zoals bewijzen van eigendom, over de boot noch over zijn eigen identiteit - die naar het oordeel van het
hof voor de verdachte direct al een onderzoeksplicht in het leven riepen ten aanzien van de herkomst van de boot alvorens hij verder met hem afspraken maakte en zeker alvorens hij, in het kader van de feitelijke overdracht, de boot uit het water takelde teneinde die op de hem ter beschikking staande trailer te laden. Voor zover de verdachte stelt dat hij de boot uiteindelijk niet op de trailer heeft kunnen laden omdat de lier stuk was gegaan, heeft te gelden dat hij reeds op het moment dat hij de boot uit het water aan het takelen was, de beschikkingsmacht over de boot had en hij deze derhalve ook op dat moment reeds voorhanden heeft gehad. Dat verdachte de koop uiteindelijk heeft ontbonden omdat de verkoper van de boot geen geld wilde ontvangen via de bank en geen kentekenbewijs kon overleggen, doet niet af aan het voor dat moment bestaan van een onderzoeksplicht. Van een handelaar als verdachte kan immers worden verwacht dat hij dergelijke zaken voorafgaand aan een feitelijke overdracht heeft geregeld. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat er tussen het sluiten van de deal en gedragingen rondom de feitelijke overdracht reeds een groot aantal uren was verstreken.
Nu niet is gebleken dat de verdachte een onderzoek van betekenis naar de verkoper en/of de herkomst van de boot heeft verricht, is het hof onder de gegeven omstandigheden van oordeel, dat de verdachte ten aanzien van de boot met de voor schuldheling vereiste, aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld; de verdachte heeft redelijkerwijs moeten vermoeden dat de boot die hij door deze uit het water te takelen voorhanden had, een door misdrijf verkregen goed betrof.
Gelet op alle feiten en omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte de boot voorhanden heeft gehad terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de boot door een misdrijf verkregen was. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling van de boot.”
4.5
In de toelichting op het middel wordt een tweetal deelklachten opgeworpen. In de eerste plaats wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de boot op enig moment voorhanden heeft gehad. Volgens de steller van het middel heeft het hof dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de verdachte op het moment dat de boot uit het water werd getakeld nog geen beschikkingsmacht had, omdat hij op dat moment nog niet als “heer en meester” over de boot kon beschikken. Het stond de verdachte niet vrij te doen en te laten met de boot wat hij wilde, omdat de koop op dat moment nog niet was afgerond (en ook nooit is doorgegaan). Ook is de verdachte nimmer in het bezit gesteld van de sleutel van de boot en is het ook niet gelukt de boot volledig uit het water te tillen, zodat de verdachte in die zin ook niet vrijelijk kon beschikken over de boot. Een contra-indicatie voor het aannemen van feitelijke zeggenschap bij de verdachte zou bovendien gelegen zijn in het gegeven dat na de mislukte poging de boot uit het water te takelen, de verkopers de beschikking hebben gehouden over de boot. De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. Dat oordeel zou, in het licht van hetgeen door de raadsman van de verdachte is aangevoerd, ontoereikend zijn gemotiveerd.
4.6
Art. 417bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr luidt:
“1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”
4.7
Vooropgesteld moet worden dat “voorhanden hebben” als bedoeld in art. 417bis, eerste lid onder a, Sr zich uitstrekt tot ieder feitelijk voorhanden hebben met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Het begrip voorhanden hebben veronderstelt feitelijke zeggenschap ten aanzien van het goed. Daarbij is het niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het omvat ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen. [1]
4.8
Van een zodanige feitelijke zeggenschap dat de verdachte de goederen in de zin van art. 416 Sr Pro voorhanden had kon niet worden gesproken in het geval waarin de verdachte op enig moment en kennelijk slechts voor zeer korte tijd goederen - de inhoud van een gestolen tas - onder zich had teneinde deze uit nieuwsgierigheid te kunnen bekijken. [2] In het geval waarin de verdachte van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde was gestolen, met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut is doorgereden, overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verdachte over de auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr [3] “voorhanden heeft gehad”, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. [4] Het achterop een gestolen bromfiets springen en meerijden met de bestuurder kon ook als “voorhanden hebben” in de zin van art. 416, eerste lid onder a, Sr worden aangemerkt. [5]
4.9
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte - die een deal had gemaakt met twee onbekend gebleven mannen om de in de bewezenverklaring genoemde boot te ruilen tegen een auto die hij wilde verkopen (plus bijbetaling) - heeft geprobeerd om (samen met een ander) de onderhavige boot uit het water te takelen en geoordeeld dat de verdachte door het uit het water takelen de boot voorhanden heeft gehad in de zin van art. 417bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr. In het licht van hetgeen hiervoor onder 4.7 en 4.8 is weergegeven is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat namens de verdachte is aangevoerd dat het totaal niet lukte om de boot op de trailer te plaatsen, omdat “de lier afbrak” [6] , waaruit het hof niet onbegrijpelijk heeft kunnen afleiden dat de lier (met een kabel) aan de desbetreffende boot bevestigd is geweest en er ook een aanvang met het takelen is gemaakt (waardoor de lier zou zijn afgebroken). Dat niet duidelijk is hoe lang het takelen heeft geduurd doet mijns inziens aan het voorgaande niet af, temeer nu in het door de verdediging geschetste scenario het mislukken van het laden van de boot op de trailer niet van de wil van de verdachte afhankelijk was.
4.1
De eerste deelklacht faalt.
4.11
In verband met de tweede deelklacht moet worden vooropgesteld dat de verdachte zich ingevolge art. 417bis, eerste lid aanhef en onder a, Sr schuldig maakt aan schuldheling, indien hij een goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het gaat bij de vraag of verdachte redelijkerwijs bij het verkrijgen van het goed moest vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was om de vraag of verdachte gelet op de omstandigheden waaronder hij het goed verwierf of onder zich kreeg nader onderzoek had moeten instellen naar de herkomst van het goed. Als die onderzoekplicht er is en deze niet wordt nageleefd is er sprake van de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst. [7]
4.12
De vaststellingen van het hof houden in dat de verdachte - die naast auto’s ook boten verkoopt - met een hem onbekend gebleven Poolse man die gebrekkig Nederlands en Engels sprak een deal had gemaakt om een boot met een marktwaarde van € 15.000,- te ruilen tegen een auto die de verdachte voor een bedrag van € 8.900,- wilde verkopen (onder bijbetaling van € 3.100,-), dat deze boot ergens in het water lag en daar door de verdachte is bekeken, de verkoper van de boot geen trailer had en niet met nadere gegevens over de boot - zoals bewijzen van eigendom of een kentekenbewijs - kwam, terwijl bij het sluiten van de deal ook de betalingswijze niet was geregeld. ’s Hofs oordeel dat onder deze omstandigheden een onderzoeksplicht bestond en niet is gebleken dat de verdachte een onderzoek van betekenis naar de verkoper en/of de herkomst van de boot heeft verricht, zodat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld is niet onbegrijpelijk en - ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd - toereikend gemotiveerd. [8]
4.13
Ook de tweede deelklacht faalt.
4.14
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5. Ambtshalve merk ik het volgende op. Namens de verdachte is op 1 april 2022 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan de verdachte opgelegde taakstraf minder dan honderd uren bedraagt, behoeft de overschrijding van de termijn niet tot strafvermindering te leiden. [9]
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 1989-1990, 21 565, nr. 3, p. 4 (m.b.t. opzetheling, art. 416 Sr Pro).
2.HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6053, NJ 2012/104. Mijn ambtgenoot Aben die tot verwerping concludeerde leidde uit de omstandigheid dat niet ieder voorhanden hebben veronderstelt dat het goed (ook) is verworven af, dat het feitelijk in handen c.q. onder zich hebben van het goed voldoende kan zijn (PHR 22 november 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BU6053, onder 3.3).
3.Het begrip “voorhanden hebben” in de witwasbepalingen heeft dezelfde betekenis als in de helingsbepalingen (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15).
4.HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009, NJ 2014/76. Vgl. bijv. ook PHR 19 mei 2020, PHR:2020:491, waarin de gedragingen (het in een tijdsbestek van ongeveer 2 minuten parkeren van een motor, de motor van een zwarte hoes voorzien en een groen zeil over de motor plaatsen (en de beschikking hebben over het slot dat later om de motor werd aangetroffen)) volgens mijn ambtgenoot Bleichrodt ook als ‘voorhanden hebben’ in de zin van art. 416 Sr Pro konden worden aangemerkt (HR: 81 RO).
5.HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1754, NJ 2000/736.
6.Zie pleitnota onder 9. Op de voor het bewijs gebezigde foto’s (bewijsmiddel 6 en 7) lijkt de lier nog intact te zijn.
7.Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 417bis Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot 1 oktober 2017). Zie over de maatstaf van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid t.a.v. de herkomst van het goed HR 17 december 1985, NJ 1986/428.
8.Vgl. wat betreft het voorhanden hebben van een boot bijv. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263 en PHR 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:435 (HR: 81 RO). Vgl. ook HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:164.
9.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.