ECLI:NL:PHR:2024:339
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieverwerping in zaak identiteitsfraude en verduistering bankpassen
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander, namelijk het zich legitimeren met het paspoort van een ander, en verduistering van bankpassen op naam van derden. Het hof legde een taakstraf op van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
In cassatie werden drie middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof de uitleg van het begrip 'identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens' zoals bedoeld in art. 231b Sr. De Hoge Raad bevestigde dat een paspoort bij uitstek een document is met dergelijke persoonsgegevens en dat het gebruik daarvan strafbaar is, ook als de politie direct constateert dat de persoon niet overeenkomt met de foto.
Het tweede middel betrof de uitleg van het begrip 'enig nadeel' in art. 231b Sr. De Hoge Raad oordeelde dat het nadeel niet daadwerkelijk hoeft te zijn opgetreden, maar dat het voldoende is dat nadeel kan ontstaan. Het hof had terecht geoordeeld dat nadeel mogelijk was voor de persoon van wie het paspoort werd misbruikt.
Het derde middel betrof de bewezenverklaring van verduistering van bankpassen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat de verdachte geen geloofwaardige verklaring had voor het bezit van de passen en dat hij deze wederrechtelijk had toegeëigend, voldoende gemotiveerd. De middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor identiteitsfraude en verduistering blijft in stand.