Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
AD4573).
3.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor verduistering van geldbedragen en feitelijk leidinggeven aan een overtreding van artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992. Het hof stelde vast dat verdachte de geldbedragen anders dan door misdrijf onder zich had, ondanks dat dezelfde geldbedragen ook betrekking hadden op de overtreding van de Wet toezicht kredietwezen.
De verdediging voerde aan dat dit oordeel onverenigbaar was omdat de gelden afkomstig zouden zijn uit een misdrijf, namelijk oplichtingspraktijken van derden. Het hof verwierp dit verweer omdat verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk werd gehouden voor die oplichtingspraktijken en het enkel ontbreken van een vergunning niet betekent dat de gelden door misdrijf onder zich zijn verkregen.
De Hoge Raad bevestigde dat het bestanddeel 'anders dan door misdrijf onder zich hebben' in artikel 321 Sr Pro inhoudt dat het goed niet door een door verdachte gepleegd misdrijf onder zich is verkregen. Het hof had terecht geoordeeld dat het bedrijfsmatig verkrijgen van gelden in strijd met de Wet toezicht kredietwezen niet betekent dat verdachte die gelden door misdrijf onder zich had gekregen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor verduistering en feitelijk leidinggeven aan overtreding van de Wet toezicht kredietwezen.