Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
11 april 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen de verdachte die meerdere nepaccounts aanmaakte op sociale media en een academisch platform, waarbij zij persoonsgegevens van het slachtoffer gebruikte zonder diens toestemming. Deze accounts werden gebruikt om het slachtoffer in een kwaad daglicht te stellen, onder meer door de tekst 'I AM A RELIGIOUS SEX PERVERT' te plaatsen, wat leidde tot reputatieschade en verlies van werk voor het slachtoffer.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat het vereiste oogmerk ontbrak, omdat zij niet de indruk wilde wekken dat zij het slachtoffer was, maar slechts mensen wilde waarschuwen. Het hof verwierp dit verweer en stelde vast dat sprake was van opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van persoonsgegevens met het oogmerk de identiteit van het slachtoffer te misbruiken.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en wees op de wetsgeschiedenis van artikel 231b Sr, waarin expliciet is opgenomen dat het strafbaar is om zonder toestemming accounts aan te maken en die te gebruiken voor reputatieschade. Satire en parodie vallen hier niet onder. Het beroep in cassatie werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van persoonsgegevens met oogmerk tot identiteitsmisbruik en reputatieschade.