Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
De gegevens die ABP, voor een juiste registratie van de pensioenopbouw en de vaststelling van de premie, nodig heeft, ontvangt ABP van UWV. Die hoeft u dus niet aan te leveren. (...)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Volgens de steller van het middel staan de overwegingen van het hof ‘met name’ in de sleutel van een door het hof aangenomen situatie van onredelijke benadeling of verzwaring van de positie van [verweerster] en niet in de sleutel van enige gedraging van ABP waardoor [verweerster] gerechtvaardigd in de veronderstelling zou hebben kunnen komen te verkeren dat ABP geen aanspraak meer zou maken op pensioenpremies voor oud-werknemers van [verweerster] met een WW-uitkering.
eventueelzo laten lezen dat het óók rechtsverwerking heeft aangenomen op grond van een onredelijke verzwaring of benadeling door ABP van de positie van [verweerster] (zie hierna de bespreking van onderdeel 2). De overwegingen van het hof staan echter onmiskenbaar primair in de sleutel van door ABP bij [verweerster] gewekt vertrouwen. In de tweede alinea van het subonderdeel somt de steller van het middel nota bene zelf diverse overwegingen op die in die sleutel staan. Hij meent dat die overwegingen ‘wellicht’ in een ‘(zeer) welwillende lezing’ in aanmerking komen als redengeving voor door ABP bij [verweerster] gewekt vertrouwen. Ik zei het al, mijns inziens is dit laatste onmiskenbaar.
Bankmanager-arrest in 1991 ervoor om de norm van rechtsverwerking te formuleren zónder over gerechtvaardigd vertrouwen (of onredelijke benadeling) te spreken. [7] Volgens dit arrest gaat het er (slechts) om of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Het probleem met die formulering is dat zij in het midden laat wanneer zulke onverenigbaarheid zich voordoet en aldus datgene onbenoemd laat waar het juist op aankomt. [8] Alleszins gelukkig is het dat uw Raad sinds het arrest
Provincialuit 1995 [9] steeds
grondenvoor rechtsverwerking benoemt, waarvan de eerste (met kleine tekstvariaties in opvolgende arresten) is geformuleerd als bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, en de tweede als bijzondere omstandigheden waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt.
omtrent een toekomstige uitoefeningvan het betrokken recht door de rechthebbende het eigenlijke aangrijpingspunt van het relevante vertrouwen van de wederpartij. De door de rechthebbende opgewekte schijn kan ook heel wel zien op
het bestaan of de inhoud of omvangvan het betrokken recht, alsook op de feiten en omstandigheden die voor dat bestaan of die omvang van belang zijn. Uit vele noem ik twee voorbeelden uit de rechtspraak van uw Raad:
GS Verbintenissenrechtdrie soorten van vertrouwen die voor rechtsverwerking grond opleveren, namelijk het gerechtvaardigd vertrouwen dat het recht niet bestaat, het gerechtvaardigd vertrouwen dat het recht een bepaalde inhoud heeft en het gerechtvaardigd vertrouwen dat het recht niet zal worden uitgeoefend. [12] Tjittes en Boom zeggen dat (in onderscheid van afstand van recht) het bij rechtsverwerking gaat om een vertrouwen ‘met betrekking tot de inhoud van de rechtspositie van de wederpartij’. [13] Ook die formulering veronderstelt dat niet, en zeker niet steeds, schijn met betrekking tot toekomstige rechtsuitoefening de eigenlijke aanleiding is voor het rechtsverwerkingsoordeel.
noemen. Dat schiet niet op. Het is veel beter om eenvoudig de pluriformiteit van de gevallen die onder rechtsverwerking kunnen worden gebracht, te erkennen.
in strikte zin[verweerster] niets vertrouwde omtrent het in de toekomst geldend maken door ABP van haar aanspraken, dan maakt dit dat niet anders. Door toedoen van ABP vertrouwde [verweerster] wel op de volledigheid van de reeds door ABP in rekening gebrachte premies en was zij daarom op een naheffing niet bedacht. Ook een zodanig vertrouwen verdient bescherming.
subonderdeel 1.2a(eerste alinea van blad 7 van de procesinleiding in cassatie) heeft het hof onvoldoende gerespondeerd op enkele essentiële stellingen van ABP. Deze stellingen betreffen de hoedanigheid van professionele wederpartij die [verweerster] had en diens onderzoeksplicht. In de aanvullende procesinleiding wordt daarbij gewezen op hetgeen door ABP is gesteld tijdens de mondelinge behandeling waaruit zou volgen dat [verweerster] bedacht moest zijn op wijzigingen in de toepasselijke regelingen. In dat kader is gesteld dat 1) uit de tussen partijen overeengekomen overeenkomst expliciet volgt dat (ook) de wijzigingen in de reglementen en uitvoeringsregels bindend zijn en dat 2) werkgevers weten dat ‘het’ (naar ik begrijp ‘gewijzigde reglementen en uitvoeringsregels’) via het elektronisch systeem (en niet via een afzonderlijke brief) wordt gecommuniceerd. [14] Dat [verweerster] naar het oordeel van het hof niet hoefde te twijfelen en niet bedacht hoefde te zijn op wijzigingen met betrekking tot de door haar aan te leveren gegevens, is volgens de steller van het middel ‘apert onbegrijpelijk’.
wisthoe het werkelijk zat en dus dat de door ABP ingebrachte premies onvolledig waren. Het is dit laatste wat het hof in de aangevallen overwegingen onderzoekt, daarbij ingaande op de stellingen van ABP die in dat verband relevant zijn. De uitkomst van dit onderzoek is dat volgens het hof voor de gevolgtrekking dat [verweerster] beter wist, geen aanleiding bestaat.
nietlezen dat een werkgever als [verweerster] omtrent haar eigen verplichtingen ook niet in beginsel een onderzoeksplicht heeft. Nee, vertrekpunt voor het hof is dat [verweerster] door toedoen van ABP op het verkeerde been stond. Volgens het hof, ik parafraseer nu, is invoelbaar dat [verweerster] daardoor zich niet de vragen heeft gesteld die zij zich anders zou hebben behoren te stellen. Vanwege bedoeld vertrekpunt valt volgens het hof aan [verweerster] ook niet te verwijten dat zij niet kritischer is geweest ten opzichte van haar veronderstelling dat het niet gepast of zelfs niet toegelaten is dat zij bij haar ex-werknemers informeert of zij WW-uitkeringen ontvangen. [verweerster] dacht immers dat die informatie ABP reeds op andere wijze (namelijk via het UWV) bereikte.
dragendegrond). Waar uit rechtsoverweging 3.5.4 volgt dat het een overweging ten overvloede betreft, kan dit echter verder in het midden blijven.
geenandere vrijwillig bij ABP aangesloten werkgevers met het aanleveren van de betreffende WW-gegevens problemen ondervonden, klopt dit (dus) niet. Er zijn andere procedures gevoerd met een vergelijkbare inzet. [20] Op grond waarvan het hof als
vaststaandzou hebben moeten aannemen dat ‘honderden’ vrijwillig aangesloten werkgevers de WW-gegevens wel konden aanleveren, licht de steller van het middel niet toe. Ik ben dan maar zelf het dossier doorgekropen.
honderdenwerkgevers’ als ‘vaststaand feit’, is bepaald kras. Eerst bij mondelinge behandeling in hoger beroep is die formulering gebruikt. Eerder heeft ABP zich veel voorzichter uitgedrukt, ook in de memorie van antwoord naar aanleiding van de grief van [verweerster] . ‘Er zijn andere werkgevers die de informatie wel verstrekken’ is wat anders dan
honderdenwerkgevers die dat doen. Hoe dan ook: het is het woord van ABP tegen [verweerster] geweest en niet een vaststaand feit zoals de steller van het middel poneert.
zijaan het handelen en nalaten van ABP ontleende. Mijns inziens faalt de klacht reeds op deze grond.
tweede onderdeelgaat in
subonderdeel 2.1uit van de lezing dat de overwegingen en beslissingen van het hof in rechtsoverweging 3.5.3-3.5.4 in de sleutel staan van de tweede categorie van rechtsverwerking (onredelijke benadeling en/of verzwaring van de positie van [verweerster] ).
een deel vande periode waarop de naheffing door ABP ziet, zich op haar opdrachtgevers zou kunnen verhalen. In dat geval resteert immers nog steeds een (zeer) aanzienlijk nadeel voor [verweerster] . Ten slotte nog: voor zover de klachten van het subonderdeel veronderstellen dat [verweerster] niet uit kon gaan van de juistheid en volledigheid van de eerder toegezonden premienota’s, bouwt ABP vergeefs voort op de klachten van het eerste onderdeel.
derde onderdeelricht zich rechtsoverweging 3.5.3.1 en bouwt daarbij voort op de eerste twee onderdelen. Uit wat hiervoor over het eerste en tweede onderdeel is gezegd, volgt dat ook het derde onderdeel niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.