Conclusie
[verzoeker]respectievelijk
TEPNL.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
de Contractor). Namens de Contractor heeft [verzoeker] diverse klachten ingediend die zagen op vermeende fraude en intimidatie (hierna:
de Contractor-zaak). Later heeft de Contractor ook gesteld last te hebben gehad van seksuele intimidatie. Er zijn bij TEPNL en het moederbedrijf TotalEnergies vier onderzoeken ingesteld naar aanleiding van de klachten. Deze hebben geen fraude dan wel (seksuele) intimidatie aan het licht gebracht.
B2F).
[betrokkene 2]), en zijn Talent Developer, [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]). Hij heeft een competentie vragenlijst ingevuld. [verzoeker] heeft vervolgens niet intern gesolliciteerd met betrekking tot de B2F-herstructurering.
[betrokkene 4]).
[juridisch adviseur]), een interview gaven over de melding bij TEPNL. Als reactie op dit artikel heeft de toenmalige CEO van TEPNL een interne mail naar de werknemers van TEPNL verstuurd, waarin hij schreef dat onderzoek is gedaan naar de melding en “
the investigation concluded there were no elements to confirm the allegations, after which the case was closed.” Bij e-mail van 26 mei 2021 aan de CEO heeft [juridisch adviseur] gereageerd, waarbij hij de hele TotalEnergies-organisatie inkopieerde. In deze mail beschuldigde [juridisch adviseur] de CEO van “
lying” en stelde hij dat diverse werknemers van TotalEnergies zich schuldig maakten aan “
sexual harassment” en “
fraud”.
[betrokkene 1]) en ArboNed in augustus 2021:
Mediation is afgerond met als resultaat: Vervolgen re-integratie”. Tevens wordt een opbouwschema geadviseerd.
tweevragen: wat is op
kortetermijn geschikt werk om te re-integreren en welke functie is er voor jou op
langetermijn? Om met die laatste vraag te beginnen: jouw functie is vervallen en een andere passende functie zagen jij en wij niet in mei 2021 en daarin is wat ons betreft geen verandering gekomen. Dit brengt dan ook mee dat wij genoodzaakt zijn om – in ieder geval na jouw herstel – tot een beëindiging te komen. Bij voorkeur doen we dat alsnog via een VSO en anders gaat dit via het UWV. Dit laatste heb ik ook aangegeven na de mediation die je had met [betrokkene 2] [ [betrokkene 2] , A-G].
alleen jij en ikaanwezig zijn” In de mail van gisteren 2 mei geef jij aan: “In dat gesprek zullen
wede uitkomsten
aan joupresenteren” Hieruit maak ik op dat er meerdere personen aanwezig zullen zijn die aan mij de uitkomsten zullen gaan presenteren. Graag verneem ik van jou of er naast jou en ik nog andere personen aanwezig zullen zijn, indien dat zo is dan verneem ik vooraf graag van je wie daarbij aanwezig zal zijn.
Zelf ben ik ook geschrokken van de e-mail die ik in mijn inbox heb aangetroffen (zie bijlage).” Deze e-mail is door [verzoeker] tevens verstuurd aan verschillende medewerkers van ArboNed.
In de bijlage zit een e-mail van ‘ [betrokkene 9] ’ die aan [betrokkene 1] verzonden zou zijn, met als onderwerp: ‘Verzoek om hulp’ met de volgende inhoud:
de Stichting). De Contractor en [verzoeker] zitten samen in het bestuur van de Stichting. [juridisch adviseur] is juridisch adviseur van de Stichting. In de video is de Contractor te zien die onder meer het volgende zegt: “
I became the chairman of the Music#MeToo Foundation after I myself became a victim of sexual harassment at my former employer Total (…)”.
[betrokkene 10]), de nieuwe casemanager, op 23 mei 2022. Daarnaast heeft TEPNL [verzoeker] gewaarschuwd dat als hij niet verscheen, dit als een nieuwe schending van zijn re-integratieverplichtingen werd aangemerkt, wat kon leiden tot stopzetting van de loonbetaling en het verliezen van ontslagbescherming. Op 23 mei 2022 heeft [verzoeker] een bericht gestuurd dat zodra hij groen licht had van de huisarts hij inhoudelijk zou reageren op de e-mails van TEPNL van 17 en 20 mei 2022. Op het re-integratiegesprek van 23 mei 2022 is [verzoeker] niet verschenen. [verzoeker] heeft de bedrijfsarts bij e-mail van 24 mei 2022 verzocht om een telefonisch spreekuur in te plannen, omdat hij hevige rugklachten had. [verzoeker] werd daarna uitgenodigd voor een fysieke afspraak bij de bedrijfsarts op 31 mei 2022. TEPNL heeft [verzoeker] per e-mail van 30 mei 2022 een waarschuwing gestuurd dat als hij niet fysiek verscheen, TEPNL dit zou aanmerken als een nieuwe schending van zijn re-integratieverplichtingen.
TPGNL).
3.Procesverloop
het hof). [verzoeker] verzoekt, zakelijk weergegeven, de beschikking te vernietigen en:
primair: TEPNL, onder verbeurte van een dwangsom, te veroordelen de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2023 te herstellen, onder toekenning van een bedrag ter hoogte van het vanaf 1 juli 2023 verschuldigde loon plus emolumenten tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is hersteld; en TEPNL vanaf het moment waarop de arbeidsovereenkomst is hersteld te veroordelen tot loondoorbetaling aan [verzoeker] ;
subsidiair: TEPNL te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van € 500.000,- bruto, vermeerderd met rente; en
meer subsidiair: bekrachtiging van de beslissing in eerste aanleg waarbij TEPNL is veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en in alle gevallen met veroordeling van TEPNL in de kosten van beide instanties, althans met compensatie van de kosten.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
opzegverbod in beginsel dus ook een
ontbindingsverbod. Dat geldt ook voor de hier aan de orde zijnde uitzondering.
Onderdeel Iricht zich tegen rov. 7.4, waarin het hof oordeelt dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de verstoorde arbeidsrelatie een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid; hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hem verweten handelen voorkomt uit een ziekte of gebrek.
Onderdeel IIricht zich tegen rov. 7.7-7.16, waarin het hof tot de conclusie komt dat, als de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] wordt weggedacht, er een redelijke grond voor ontbinding is (een verstoorde arbeidsverhouding, de ‘g-grond’) en dat het opzegverbod tijdens ziekte niet in de weg stond aan inwilliging van het ontbindingsverzoek van TEPNL door de kantonrechter.
Onderdeel IIIbevat enkel een voortbouwklacht, gericht op rov. 7.23 en het dictum.
rov. 7.1dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] ten tijde van het verzoek tot ontbinding nog geen twee jaar had geduurd. Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. Daarom kon de kantonrechter het ontbindingsverzoek slechts inwilligen als hij zich ervan heeft vergewist dat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop dat opzegverbod betrekking heeft (art. 7:671b lid 6 sub a BW). Na een weergave van de partijstandpunten in
rov. 7.2 en 7.3, komt het hof tot het oordeel waartegen onderdeel I zich keert (
rov. 7.4):
rov. 7.5aan dat het de vraag zal beantwoorden of, wanneer de arbeidsongeschiktheid wordt weggedacht, er een redelijke grond voor ontbinding is. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend in
rov. 7.6-7.16(tegen welke beoordeling onderdeel II zich keert).
onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de verstoorde arbeidsrelatie een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid” en dat [verzoeker] “
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hem verweten handelen voortkomt uit een ziekte of gebrek”. Het hof legt hiermee niet de stelplicht en bewijslast op de werknemer, maar is van oordeel dat [verzoeker] de andersluidende stellingen van TEPNL onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat is dan ook de reden, zo lijkt mij, dat in dit geval niet tot bewijslevering wordt overgegaan; die fase wordt immers niet bereikt. [15]
niet (voldoende) onderbouwd gesteld of gebleken” is dat de klachten ten grondslag liggen aan de verstoorde arbeidsverhouding en de aanleiding zijn van het onderhavige ontbindingsverzoek. [16] Tegen deze achtergrond zou men verwachten dat [verzoeker] in hoger beroep – waarin hij onder meer opkomt tegen het oordeel dat het opzegverbod niet aan ontbinding in de weg stond – zijn stellingen voorziet van een nadere feitelijke onderbouwing. [verzoeker] is echter ook in hoger beroep weinig concreet geworden.
zijn schriftelijke communicatie” dat hij “
een enkele keer uit de slof is geschoten”, dat dit het gevolg is van zijn ziekte en dat dit past in het beeld “
zoals door de bedrijfspsycholoog heeft vastgesteld in zijn diagnose”, [17] maar van een diagnose blijkt geen sprake te zijn. [18] Uit de in die ‘diagnose’ opgetekende verschijnselen – forse spanningsklachten, stress, vermoeidheid, onophoudelijk malen, piekeren, slecht slapen, emotionele gevoeligheid/instabiliteit [19] – vloeit ook voort dat hij in zijn e-mail van 6 mei 2022 oudere kwesties oprakelt en beschuldigingen uit, zo stelt [verzoeker] . [20] TEPNL heeft in haar verweerschrift uiteengezet waarom niet aannemelijk is dat de verweten gedragingen van [verzoeker] het gevolg zijn van zijn arbeidsongeschiktheid. [21] Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, tot slot, [22] wordt [verzoeker] welbeschouwd niet concreter dan de blote stellingen dat de vermeende verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van zijn medische gesteldheid (“
zware overspannenheid”) en dat zijn gedrag en reacties niet los kunnen worden gezien van zijn ziekte ( [verzoeker] stelt last te hebben van angst- en depressieve klachten) [23] en daarmee verband hebben. [24] In reactie daarop merkt TEPNL op dat het een algemene stelling van [verzoeker] is dat het allemaal verband houdt met zijn ziekte. [25]
rov. 7.4tot het oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de verstoorde arbeidsrelatie een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid; dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hem verweten handelen voortkomt uit een ziekte of gebrek. Nu het hiertegen gerichte onderdeel I faalt, staan deze oordelen vast bij de behandeling van onderdeel II.
rov. 7.5, dat het de vraag zal beantwoorden of, wanneer de arbeidsongeschiktheid wordt weggedacht, er dan een redelijke grond voor ontbinding is. Het hof beantwoordt vervolgens die vraag bevestigend, waartoe het in
rov. 7.6-7.16als volgt overweegt:
Verstoorde arbeidsverhouding?
Terugkijkend op het geheel vanaf mijn ziekmelding als gevolg van de intimidatie door mijn leidinggevende (wat resulteerde in mijn ziekmelding) het volgende: (..)”).
Ik heb geen vertrouwen in jou voor een veilige werksfeer voor vrouwen bij TotalEnergies”)? Wie is zij? [verzoeker] had zich moeten realiseren dat hij met het ongefilterd doorsturen van deze e-mail opnieuw het vertrouwen van TEPNL in hem en dus de arbeidsverhouding schaadde.
nr. 10uiteen dat het TEPNL steeds te doen is geweest om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] . Het middel licht echter niet toe waarom dit het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou maken (zo veronderstellenderwijs zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van deze stellingen) zodat de klacht reeds daarom niet kan slagen. [27]
nr. 11wordt geciteerd uit de conclusie van A-G De Bock met betrekking tot art. 7:671b lid 6 sub a BW [28] (die procedure noemde ik hiervoor in 4.5) en wordt gemeld dat [verzoeker] de daarin vervatte rechtsopvattingen onderschrijft, luidt
nr. 12als volgt:
enkeleen verschil van mening over de re-integratieverplichtingen door TEPNL. Daarmee geeft het hof aan dat het geschil over de re-integratieverplichtingen wel onderdeel van de verstoorde arbeidsverhouding uit maakt. Desondanks concludeert het hof onder 7.16 dat, wanneer de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] wordt weggedacht – er een redelijke grond voor ontbinding is. Dat laat zich alsdan echter niet met het onder 7.7 gestelde verenigen en komt daarmee in strijd met het ‘verband’-criterium van artikel 7:671[b] lid 6 BW, zoals hiervoor door De Bock weergegeven. In zoverre is het hof dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het arrest [de beschikking] onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.”
nr. 13luidt als volgt:
nr. 14wordt hierop voortgebouwd: deze omstandigheden “
zouden (onder meer) de verstoorde arbeidsverhouding hebben veroorzaakt”. [verzoeker] wijst erop dat vier van die situaties (a, c, d, en e) zich hebben voorgedaan tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en dat de andere situatie (b) daartoe de directe aanleiding is geweest. De omstandigheden kunnen “
niet van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] worden weggedacht, zodat het hof, door deze (mede) aan de ontbinding ten grondslag te hebben gelegd, in strijd komt met het ‘verband’-criterium”. Ik stel aanstonds vast dat het middel opnieuw miskent dat temporele samenhang onvoldoende is voor het in art. 7:671b lid 6 sub a BW bedoelde verband (zie zojuist 4.27).
Nr. 13 onder a.betreft “
het verzet van [verzoeker] tegen de boventallig verklaring” (rov. 7.8), waarnaar het hof specifiek verwijst wat betreft de verstoorde arbeidsverhouding. Hierop heeft ook nr. 15 betrekking.
nr. 14) wordt ook niet anders toegelicht dan met de constatering dat dit verzet van [verzoeker] zich heeft voorgedaan
tijdenszijn arbeidsongeschiktheid. In
nr. 15wordt aangevoerd dat het feit dat [verzoeker] zich uiteindelijk alsnog heeft verzet tegen zijn boventalligverklaring, niet kan worden getypeerd als reden voor de verstoorde arbeidsverhouding. Dat kan in het midden blijven, nu het hof deze omstandigheid enkel gebruikt ter illustratie van het beeld “
dat [verzoeker] grote moeite heeft zich neer te leggen bij omstandigheden die niet naar zijn wens zijn”. Dat is iets anders dan dat dit verzet de reden zou zijn voor de verstoorde arbeidsverhouding; de eerste klacht uit nr. 15 strandt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Hierop voortbouwend faalt ook de andere klacht uit nr. 15 die zich richt tegen het oordeel van het hof in rov. 7.15 dat de beslissing van het UWV dat TEPNL zonder redelijke grond onvoldoende heeft gedaan om [verzoeker] te re-integreren, niet tot een andere conclusie leidt. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, “
juist in verband met de jegens [verzoeker] geuite kritiek dat hij zich heeft verzet tegen zijn boventalligverklaring”. Ook deze klacht miskent waar het het hof werkelijk om gaat.
Nr. 13 onder b.betreft “
het terugkomen op het incident van 14 mei 2021” (rov. 7.8), waarnaar het hof specifiek verwijst wat betreft de verstoorde arbeidsverhouding. Volgens nr. 14 vormt dit de directe aanleiding voor de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] en kan het daarom niet van de arbeidsongeschiktheid worden weggedacht. Op deze kwestie hebben ook nrs. 16 en 17 betrekking.
verder terugkomenop het incident – dat is immers waar het hof op doelt [31] – met die arbeidsongeschiktheid verband houdt. Voor het overige maakt het middel niet duidelijk waarom deze omstandigheid – dus: het verder terugkomen, zelfs na oplossing van het incident door mediation – niet zou kunnen worden weggedacht van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . De rechtsklacht uit
nr. 14faalt dus.
nr. 16dat het terugkomen op het conflict door [verzoeker] nog niet zou maken dat daarmee de arbeidsverhouding als verstoord kan worden beschouwd. Het hof hanteert niet een dergelijke geïsoleerde benadering, maar beschouwt het terugkomen als een van de situaties waaruit blijkt dat [verzoeker] grote moeite heeft zich neer te leggen bij omstandigheden die niet naar zijn wens zijn (rov. 7.7 en 7.8). Waarom dit onbegrijpelijk zou zijn, maakt het middel niet duidelijk.
nr. 17wordt geklaagd, zo begrijp ik, dat onbegrijpelijk is de overweging van het hof dat het niet vreemd was dat TEPNL wilde spreken over de wijze waarop aan de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] een einde zou komen. Ook deze klacht slaagt niet. Vooropgesteld: het hof overweegt in rov. 7.9 dat verdere mediation (dus: na de mediation van 22 november 2021, waarin het incident met [betrokkene 2] was opgelost, zie rov. 7.8) om tot een bredere oplossing te komen van de ontstane situatie – om diverse redenen – niet van de grond is gekomen. Dit is een neutrale feitelijke vaststelling. Vervolgens ziet het hof onder ogen dat [verzoeker] TEPNL (en met name [betrokkene 1] ) verwijt dat zij alleen uit was op een exit-mediation. Daarop respondeert het hof met de thans bestreden overweging dat het niet vreemd is dat TEPNL wilde spreken over de wijze waarop aan de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] een einde zou komen. Het hof betrekt hierbij niet alleen dat het voor een goede arbeidsverhouding noodzakelijke vertrouwen ernstig geleden heeft onder het gebrek aan rekenschap bij [verzoeker] van hoe zijn verwijten overkwamen op de geadresseerden, maar ook dat [verzoeker] boventallig was verklaard, dat geen perspectief op een passende andere functie voorhanden was en dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] mede met deze situatie samenhing. Het hof overweegt vervolgens dat in een mediation ook had kunnen worden gesproken over de hulp (in het tweede spoor) die TEPNL [verzoeker] had kunnen bieden bij het re-integreren en het vinden van een baan elders. Ik zie niet in, en het middel maakt dat ook niet duidelijk, waarom en op welke wijze het hof bij zijn oordeelsvorming had dienen te betrekken de “
korte responsetermijn welke door TEPNL hierbij was gesteld”. [32] Als gezegd heeft het hof onder ogen gezien de stelling van [verzoeker] dat TEPNL via mediation juist tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wilde komen, waarmee deze klacht feitelijke grondslag mist. [33]
Nr. 13 onder c.betreft “
het terugkomen op de Contractor-zaak” (rov. 7.10), waarnaar het hof specifiek verwijst wat betreft de verstoorde arbeidsverhouding.
nr. 14) wordt allereerst ermee toegelicht dat dit zich heeft voorgedaan tijdens de arbeidsongeschiktheid. Dat is niet voldoende (zie onder 4.27). Voor zover [verzoeker] het publiekelijk hinten op de Contractor-zaak in verband heeft gebracht met zijn arbeidsongeschiktheid (
nr. 19), geldt dat het hof die stellingen als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd (vgl. mijn bespreking van onderdeel I). Voor zover tegen dat oordeel van het hof een motiveringsklacht wordt gericht (helemaal duidelijk is mij dat niet) faalt die, nu het niet onbegrijpelijk is dat het hof deze stellingen van [verzoeker] te weinig concreet heeft bevonden. [34] Ik laat dan nog daar dat het hof onder het verder terugkomen op de Contractor-zaak ook schaart het feit dat [verzoeker] de video van de Stichting Music#MeToo en de e-mail van ‘ [betrokkene 9] ’ heeft verspreid, terwijl hij zich had moeten realiseren dat hij met het ongefilterd doorsturen daarvan opnieuw het vertrouwen van TEPNL in hem en dus de arbeidsverhouding schaadde (rov. 7.12, en direct hierna).
Nr. 13 onder d.betreft de “
situatie rondom het gesprek van 5 mei 2022 en de houding die [juridisch adviseur] hierbij jegens [betrokkene 1] heeft aangenomen” (rov. 7.11), waarnaar het hof specifiek verwijst wat betreft de verstoorde arbeidsverhouding. Hierop heeft ook een gedeelte van nr. 19 betrekking.
nr. 14) faalt. Voor zover [verzoeker] aanvoert dat hij de bespreking van 5 mei 2022 in feitelijke instanties in verband heeft gebracht met zijn arbeidsongeschiktheid (
nr. 19), vergt dat verregaande nuancering. De stelling waar het hier om draait, is dat bij [verzoeker] emoties en paniekgevoelens waren ontstaan. [35] Dat zou voor [verzoeker] reden zijn geweest om (na overleg met bedrijfsarts en psycholoog) een ‘toehoorder’ mee te nemen, zo blijkt bij lezing van het beroepschrift. Daarmee is echter geenszins gegeven dat de omstandigheden waarop het hof hier doelt, niet los zouden kunnen worden gezien van [verzoeker] ’s arbeidsongeschiktheid. Het hof beperkt zich in rov. 7.11 namelijk niet tot het gesprek van 5 mei 2022, waaronder begrepen het feit dat [verzoeker] in strijd met de gemaakte afspraak [juridisch adviseur] (die een prominente rol heeft gespeeld in de Contractor-zaak) heeft meegenomen, en tot de houding van [juridisch adviseur] , maar het hof hecht daar ook waarde aan het feit dat [verzoeker] de dag na het gesprek [betrokkene 1] heeft beschuldigd van rancune, discriminatie en agressie jegens [juridisch adviseur] en dat hij die e-mail ruimer dan noodzakelijk heeft verspreid (binnen de organisatie en aan ArboNed). Dat alles wordt niet in het middel niet bestreden.
Nr. 13 onder e.betreft “
de mail van 19 mei 2022 met daarbij de e-mail van ene [betrokkene 9] en de betrokkenheid van [verzoeker] bij de stichting hierbij (row 7.12), waarover door [verzoeker] geen duidelijkheid is gegeven”. Hierop heeft ook een gedeelte van nr. 19 betrekking.
nr. 19) dat [verzoeker] de e-mail van [betrokkene 9] in verband zou hebben gebracht met zijn arbeidsongeschiktheid; bij gebreke van een vindplaatsverwijzing dient hieraan te worden voorbijgegaan.
nr. 18richt [verzoeker] zich tegen rov. 7.15. Op die plaats komt het hof tot het oordeel dat in redelijkheid niet van TEPNL verwacht kon worden dat zij de re-integratie van [verzoeker] voortzet of dat zij hem herplaatst.
nr. 20 en 21. [37] Geklaagd wordt dat een groot aantal van de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden wat betreft de re-integratie door het hof buiten beschouwing zijn gelaten. Het gaat dan “
vooral” [38] om de wijze waarop TEPNL gedurende de re-integratie steeds heeft ingezet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst (nr. 20). Het betreft essentiële stellingen, waarop het hof (nader) had dienen te responderen. Het hof kon niet zonder nadere motivering komen tot rov. 7.7-7.16 (nr. 21), aldus de steller van het middel.