Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) Fortis is in 2010 gefuseerd met ABN AMRO. Alle rechten en verplichtingen uit de door Fortis verstrekte Euriborhypotheken zijn toen op ABN AMRO overgegaan.
(iii) De Euriborhypotheken werden aangeboden met behulp van grotendeels gestandaardiseerde documentatie. Deze bestond uit een meestal door de klant voor akkoord te ondertekenen acceptatiebrief of offerte, waarin wordt verwezen naar toepasselijke algemene voorwaarden of naar een bijlage met aanvullende voorwaarden.
(iv) Onderdeel van de op de Euriborhypotheken toepasselijke voorwaarden was een bepaling die inhield dat de bank de bovenop het Euribortarief in rekening gebrachte opslag, dan wel het rentepercentage, gedurende de looptijd kon wijzigen (hierna: de wijzigingsbedingen).
(v) De Hoge Raad vermeldt de relevante bepalingen in rov. 2.3 onder (v) van zijn verwijzingsarrest met verdere verwijzing naar nrs. 2.12-2.22 van de conclusie voor het verwijzingsarrest.
(vi) Klanten met een Euriborhypotheek (hierna: leningnemers) waren steeds bevoegd om boetevrij af te lossen. Ook konden Euriborhypotheken worden omgezet naar een andere rentevorm.
(vii) ABN AMRO heeft de opslag in februari 2009 met 0,5% en in juni 2012 met 1% verhoogd. Zij heeft de leningnemers daarover bij brief geïnformeerd.
(viii) Meerdere leningnemers hebben tegen deze verhogingen van de opslag bezwaar gemaakt.
(ix) SDB [6] behartigt onder meer de belangen van leningnemers met betrekking tot hun Euriborhypotheek.
.Het hof had niet aan dit betoog voorbij mogen gaan, omdat het bij zijn beoordeling van de oneerlijkheid van het beding alle relevante omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst moest betrekken, en had moeten letten op het cumulatieve effect van alle bedingen van de betrokken overeenkomst (zie hiervoor in 3.2.1).”
(i) De wijzigingsbedingen vallen onder de omschrijving van punt 1 onder j) van de indicatieve lijst en de uitzondering van punt 2 onder b) is niet van toepassing (rov. 4.15).
(ii). Het oordeel dat de wijzigingsbedingen niet aan het transparantievereiste voldoen, moet tot uitgangspunt worden genomen. De mate waarin de bedingen als niet transparant moeten worden beoordeeld, zal in aanmerking worden genomen bij het beantwoorden van de vraag of de bedingen als oneerlijk moeten worden beschouwd (rov. 4.18).
(iii) De wijzigingsbedingen verstoren op zichzelf beschouwd aanzienlijk het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument (rov. 4.21).
(iv) Bij de beantwoording van de vraag of een beding oneerlijk is, moet ook rekening worden gehouden met het cumulatieve effect van alle bedingen van de overeenkomst (rov. 4.22) . ABN AMRO betoogt dat het beëindigingsrecht en omzettingsrecht dat onderdeel uitmaakte van de overeenkomsten tussen ABN AMRO en de leningnemers meebrengen dat geen sprake is van een oneerlijk beding (rov. 4.23).
(v) In het algemeen kan van het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht in redelijkheid niet gezegd worden dat dit louter een formeel recht is; het is een recht dat ook daadwerkelijk kon worden benut. ABN AMRO heeft de in het contract besloten samenhang tussen deze rechten van de leningnemers en haar wijzigingsbeding voldoende onderbouwd. Deze rechten zijn niet slechts formeel van aard zijn, maar leningnemers konden deze daadwerkelijk uitoefenen (rov. 4.24-4.33).
(vi) Het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht leggen voldoende gewicht in de schaal om de wijzigingsbedingen niet oneerlijk te achten (rov. 4.34-4.37).
Vervolgens heeft het hof de overige vorderingen en daarvoor door SDB aangevoerde grondslagen beoordeeld en verworpen (rov. 4.40-4.68), waarna het tot de slotsom kwam dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam moet worden vernietigd en dat de vorderingen van SDB alsnog moeten worden afgewezen (rov. 4.69).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1), het formele karakter van het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht (
onderdeel 2), de betekenis van de indicatieve lijst (
onderdeel 3) en de stelplicht en bewijslast (
onderdeel 4).
subonderdelen 1.1 en 1.2klagen dat het hof niet alleen moest onderzoeken of het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht de nadelige gevolgen van de wijzigingsbedingen compenseren, maar ook of die rechten intrinsiek en voor de consument kenbaar samenhangen met de wijzigingsbedingen (althans voor zover het gaat om de bevoegdheid om de opslag te wijzingen). Dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) over het transparantievereiste en uit rov. 4.1.2-4.1.3 van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad, zodat het hof ook zijn taak na cassatie en verwijzing miskent. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft de bedoelde samenhang ook niet onderzocht in rov. 4.25-4.33, aldus
subonderdeel 1.3.1.
De conclusies in rov. 4.33 (dat ABN AMRO de samenhang tussen enerzijds het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht en anderzijds het wijzigingsbeding voldoende heeft onderbouwd) en in rov. 4.38 (dat de wijzigingsbedingen niet oneerlijk zijn), zijn daarom volgens de
subonderdelen 1.3.3 en 1.3.5ook onbegrijpelijk.
De
subonderdelen 1.3.4, 1.3.4.1 en 1.3.4.2bevatten met het voorgaande samenhangende motiveringsklachten tegen rov. 4.37.
Subonderdeel 1.4klaagt dat het hof niet kenbaar heeft gereageerd op stellingen van SDB over de bedoelde samenhang.
subonderdelen 1.3.2 en 1.3.6afzonderlijk). De klachten stellen aan de orde of het hof moest toetsen of er een voldoende kenbare, intrinsieke samenhang bestaat tussen de beëindigings- en omzettingsrechten enerzijds en de wijzigingsbedingen anderzijds (
subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3.1), en of het hof deze toetsing op een voldoende begrijpelijke manier heeft uitgevoerd (
subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3.1, 1.3.3, 1.3.4, 1.3.4.1, 1.3.4.2, 1.3.5 en 1.4). Daarbij betrek ik ook de in klachten opgeworpen vraag of de toetsing zich meer specifiek moest richten op samenhang met de bevoegdheid om de opslag te wijzigen (
subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3.1, 1.3.3, 1.3.5 en 1.4).
intrinsieksamenhangen met de wijzigingsbedingen, is dus aan de orde omdat dit door ABN AMRO is gesteld. Het is mijns inziens een uitvloeisel van haar stelling dat deze rechten compensatie bieden voor de wijzigingsbedingen. [9]
kenbaarsamenhangen met de wijzigingsbedingen, komt als zodanig niet voor in het verwijzingsarrest van de Hoge Raad.
Of het beëindigings- en omzettingsrecht de evenwichtsverstoring daadwerkelijk voldoende compenseren, is aan de feitenrechter om te beoordelen. In dat verband zal onder meer onderzocht moeten worden of het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht voldoende (kenbaar) samenhang vertonen met het Wijzigingsbeding en of het niet slechts ‘formele rechten’ betreft(…).” [12] Het middel hecht veel belang aan het door mij tussen haakjes geplaatste woord ‘kenbaar’. [13] Daarentegen bestrijdt ABN AMRO dat een voor de leningsnemers
kenbaresamenhang moet bestaan. [14]
Ik meen echter dat onder omstandigheden relevant kan zijn of voor de gemiddelde consument kenbaar is dat bepaalde bedingen compensatie bieden voor een ander beding. Dat kan met name het geval zijn wanneer compenserende bedingen een handelingsperspectief aan de consument bieden (zoals overstappen naar een andere aanbieder of omzetting van de lening naar een andere vorm). [15] Indien de gemiddelde consument niet zou begrijpen dat hij, na een wijziging van de (opslag op de) rente, de mogelijkheid heeft om de lening te beëindigen of om te zetten, kan de vraag rijzen of de beëindigings- en omzettingsrechten in
ditopzicht niet louter formeel zijn. In het verlengde hiervan kan − in verband met het element ‘in strijd met de goede trouw’ van de oneerlijkheidstoets − de vraag rijzen of de bank redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.
in het contract besloten samenhang” tussen de beëindigings- en omzettingsrechten van de leningnemers en haar wijzigingsbeding voldoende heeft onderbouwd (rov. 4.33). Ten tweede heeft het hof in verband met de mogelijkheid dat de leningnemers na een renteverhoging zouden overstappen of de lening zouden omzetten, overwogen (in rov. 4.37): “
Ook om die reden heeft ABN AMRO ervan mogen uitgaan dat er voor de leningnemers een intrinsieke verbondenheid bestond tussen aan de ene kant de wijzigingsbevoegdheid van ABN AMRO en de maandelijkse mogelijkheid tot omzetting/beëindiging aan de andere kant.” De woorden “
Ook om die reden” in rov. 4.37 impliceren een eerder gegeven reden en zien mijns inziens op rov. 4.33. Zie ook hierna in 2.13.1
subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3.1falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, voor zover zij ervan uitgaan dat het hof in rov. 4.24 e.v. niet heeft onderzocht of voldoende (voor de leningnemer kenbare) samenhang bestaat tussen de wijzigingsbedingen en de beëindigings- en omzettingsrechten van de leningnemers.
rente, en niet aan de bevoegdheid van ABN AMRO om de
opslag(die bovenop de variabele rente komt) te wijzigen. Volgens SDB staan het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht niet in relatie tot de wijzigingsbedingen; deze rechten zijn algemene bevoegdheden van leningnemers die niets te maken hebben met de bevoegdheid van de bank om de opslag te verhogen. [24]
in het contract besloten samenhang” tussen de rechten van de leningnemers en de wijzigingsbevoegdheid voldoende heeft onderbouwd. Hierin ligt het oordeel besloten dat ABN AMRO gemotiveerd heeft gesteld dat er een intrinsieke samenhang bestaat tussen de beëindigings- en omzettingsrechten en de wijzigingsbedingen. Dat is ook niet verrassend, omdat als onbetwist vaststaat dat de leningnemers de Euriborhypotheek kunnen beëindigen of omzetten (kort) nadat de bank van haar wijzigingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, en zij een opslagwijziging dus niet tegen zich hoeven te laten gelden (rov. 4.23, slot).
In rov. 4.33 en 4.37 ligt voorts besloten dat de samenhang voor leningnemers [25] kenbaar was (zie hiervoor in 2.8). Een aanvullende aanwijzing hiervoor is dat het hof bij zijn beoordeling of sprake was van een oneerlijke handelspraktijk nog heeft overwogen (in rov. 4.49): “
dat van een gemiddelde consument mag worden verwacht dat hij, voorafgaand aan het aangaan van een hypothecaire lening, kennis neemt van de offerte en de algemene voorwaarden/bij de offerte behorende documentatie. Uit de tekst van de daarin opgenomen wijzigingsbedingen blijkt dat de opslag door ABN AMRO kon worden gewijzigd. Dat maakt dat het voor de leningnemers kenbaar was wat zij bij aanvang aan rente moesten betalen en dat die rente kon fluctueren als gevolg van de Euriborrente en als gevolg van een wijziging door ABN AMRO van de opslag.”
subonderdeel 1.4ten aanzien van verschillende door SDB aangevoerde stellingen, en voorts (in 2.22) de bespreking van
subonderdeel 1.3.2ten aanzien van de in rov. 4.38-4.39 besproken stelling van SDB.
opslagte wijzigen (
subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3.1, 1.3.3, 1.3.5 en 1.4). Het hof besteed in zijn arrest immers ook hieraan aandacht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit rov. 4.15, 4.17-4.18, 4.21, 4.23, 4.37 en 4.38.
subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3.1, 1.3.3, 1.3.4, 1.3.4.1, 1.3.4.2, 1.3.5 en 1.4dienen te falen.
subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3.1maken niet duidelijk waarom het bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is en zijn kennelijk slechts bedoeld als een inleiding op de overige motiveringsklachten.
subonderdelen 1.3.3 en 1.3.5falen, omdat het hof heeft getoetst of de beëindigings- en omzettingsrechten en de wijzigingsbedingen samenhangen en het hof zijn oordelen in het licht van het partijdebat niet nader behoefde te motiveren.
subonderdelen 1.3.4 en 1.3.4.1falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij ten onrechte ervan uitgaan dat het hof zijn oordeel over de kenbaarheid van de samenhang alleen heeft onderbouwd met een overweging in rov. 4.37.
Subonderdeel 1.3.4.2faalt, omdat het feitelijke oordeel van het hof dat er voor de leningnemers een kenbare samenhang bestond, in het licht van het partijdebat geen nadere motivering behoefde. Anders dan dit subonderdeel aanvoert, staat daaraan niet in de weg dat de wijzigingsbedingen niet transparant zijn geformuleerd. Dit betreft immers inhoudelijke aspecten van de wijzigingsbevoegdheid, zoals de redenen voor een wijziging en de kosten en risico’s die de bank kon inprijzen (zie rov. 4.17-4.18, 4.36 en 4.38).
subonderdeel 1.4aanvoert, is het oordeel van het hof niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd op de grond dat het hof niet (kenbaar) respondeert op de in de klacht
onder (a)-(g)genoemde stellingen. Evenmin volgt daaruit dat het hof van een verkeerde maatstaf is uitgegaan of zijn taak als verwijzingsrechter zou hebben miskend.
onder (b)-(e)komen er kort gezegd op neer dat het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht in de voorwaarden van ABN AMRO op zichzelf staande rechten zijn, en dat ABN AMRO wel een samenhang heeft gesuggereerd, maar dat zij nergens heeft uitgelegd waaruit de samenhang blijkt en waarom die voor de leningnemers kenbaar was. Het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht hebben te maken met de variabele rente, maar niet met de bevoegdheid van ABN AMRO om de opslag op de rente te wijzigen.
Het hof heeft deze stellingen wel meegewogen, maar kennelijk als onvoldoende (onderbouwd) verworpen (zie hiervoor in 2.13.2). Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
onder (f)houdt in dat het intrinsieke verband tussen de wederzijdse bevoegdheden bij het sluiten van de overeenkomst voor de leningnemer kenbaar moet zijn, maar dat in dit geval niet was. Uit de vaststelling van het hof Amsterdam (in rov. 3.9 van zijn arrest) dat de wijzigingsbevoegdheid van ABN AMRO in de beleving van de leningnemers naar de rente en niet naar de opslag verwees, volgt dat leningnemers wisten dat de rente variabel was, maar niet dat de opslag variabel was, laat staan dat hun duidelijk was dat zij de kredietovereenkomst zouden kunnen beëindigen of wijzigen als ABN AMRO de opslag zou verhogen.
Deze stelling behoefde geen (nadere) bespreking van het hof, omdat de enkele omstandigheid dat voor leningnemers niet duidelijk was wat er kon worden gewijzigd en onder welke omstandigheden, nog niet maakt dat voor leningnemers niet kenbaar was dat zij het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht konden uitoefenen als ABN AMRO van haar (op zichzelf onvoldoende transparante) wijzigingsbevoegdheid gebruik zou maken.
onder (a)houdt in dat het hof Amsterdam heeft vastgesteld dat niet duidelijk is wat het doel en de achtergrond van de wijzigingsbedingen is (in rov. 3.9 van zijn arrest), en dat de daartegen gerichte klachten van ABN AMRO in het verwijzingsarrest zijn verworpen. De stelling
onder (g)ziet erop dat leningnemers geen informatie hebben gekregen over de mogelijkheid dat de opslag op de rente zou worden verhoogd, en de omstandigheden waaronder en de mate waarin dat zou kunnen gebeuren.
Deze stellingen zien niet zozeer op de samenhang tussen de rechten van de leningnemers en de wijzigingsbevoegdheid van de bank, maar op het gebrek aan transparantie van de wijzigingsbedingen. Het hof heeft het gebrek aan transparantie van de wijzigingsbedingen op verschillende plaatsen in het bestreden arrest onder ogen gezien en heeft dit ook uitdrukkelijk meegewogen in zijn beoordeling of het beding oneerlijk is (zie rov. 4.16-4.18, 4.34-4.36 en 4.38 van het bestreden arrest). Daarmee heeft het hof – in de juiste context – voldoende op de stellingen gerespondeerd.
subonderdelen 1.3.2 en 1.3.6.
SDB heeft de bedoelde stelling inderdaad aangevoerd als onderdeel van haar betoog dat er geen kenbare samenhang is tussen de beëindigings- en omzettingsrechten en de wijzigingsbedingen. [26] Het hof heeft dit niet miskend. Hoewel het hof in rov. 4.24 overweegt dat hij in de eerste plaats zal beoordelen of de rechten van de leningnemers niet slechts formeel van aard zijn, blijkt uit rov. 4.33 dat het hof in dat verband ook heeft beoordeeld in hoeverre sprake is van de door ABN AMRO gestelde samenhang tussen de rechten van de leningnemers en de wijzigingsbevoegdheid van de bank. Anders dan de in rov. 4.26, 4.27, 4.30 en 4.31 besproken argumenten van SDB, plaatst het hof zijn beoordeling van het in rov. 4.28 genoemde argument in rov. 4.29 niet expliciet in de sleutel van de vraag of de rechten van de leningnemers slechts formele rechten zijn. Het hof overweegt in rov. 4.29 in meer algemene zin dat de omstandigheid dat ook (alle) andere aanbieders van een lening met een variabele rente de leningnemer het recht geven om kosteloos te kiezen voor een andere rentevorm dan wel de lening vervroegd af te lossen, er niet aan in de weg staan dat het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht van belang zijn bij de afweging van de vraag of sprake is van een oneerlijk beding. Dit betekent dat
subonderdeel 1.3.2faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
ex tunc-toets vooropgesteld. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat aan zijn oordeel dat het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht voldoende compensatie bieden voor de wijzigingsbedingen niet kan afdoen (i) dat zich na het sluiten van de overeenkomsten in individuele gevallen beletselen kunnen voordoen bij de uitoefening van het beëindigingsrecht en omzettingsrecht (rov. 4.27), (ii) dat sprake is van latere aanpassingen in de regelgeving, als deze bij het aangaan van de overeenkomsten niet reeds te voorzien waren (rov. 4.32), en (iii) dat op enig moment geen Euriborhypotheken meer werden aangeboden, waardoor een andere Euriborhypotheek als alternatief afviel, als die ontwikkeling bij het aangaan van de overeenkomst redelijkerwijs niet te voorzien viel (rov. 4.37). Het hof heeft aldus in rov. 4.27, 4.32 en 4.37 beoordeeld of de door SDB aangevoerde omstandigheden konden meebrengen dat de wijzigingsbedingen ten tijde van het aangaan van de Euriborhypotheken reeds een verstoring van het evenwicht in zich droegen die zich gedurende de looptijd daarvan zouden kunnen openbaren. Het hof heeft dit ontkennend beantwoord. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
RWE Vertrieb-arrest van het HvJ. Het hof Den Haag heeft dit punt voorop gesteld in zijn rov. 4.25 als toetsingskader voor de in rov. 4.24 bedoelde vraag of de beëindigings- en omzettingsrechten niet slechts formeel van aard zijn, maar daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend. Het HvJ overwoog: [29]
RWE Vertriebvan het HvJ, overwogen: [31]
RWE Vertriebgaat om een gasleverantiecontract. [33] Voor de bespreking van de klacht maakt dit verder niet uit.
RWE Vertriebvolgt naar het oordeel van de Hoge Raad dus niet, dat voor beantwoording de vraag of een opzeggingsrecht na een prijswijziging daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, ook bepaalde omstandigheden ten tijde van de prijswijziging relevant kunnen zijn. [34] Het gaat ook dan om een toetsing
ex tuncvan het beding. [35] Hierop stuit het beroep van SDB op het arrest
RWE Vertriebaf.
Dziubak-arrest van het HvJ. Deze regel is verder niet relevant, omdat deze regel niet ziet op de vraag óf een beding oneerlijk is. In dat arrest is het geval aan de orde waarin al vaststaat dát sprake is van een oneerlijk beding en de vraag is welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Als de overeenkomst zonder het oneerlijke beding niet kan voortbestaan, moet de overeenkomst in zijn geheel nietig worden verklaard, tenzij, kort gezegd, die algehele nietigverklaring van de overeenkomst voor de consument (zeer) nadelig is. De vraag of algehele nietigverklaring van de overeenkomst leidt tot (zeer) nadelige gevolgen voor de consument moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden die bestonden of konden worden voorzien op het moment van het geschil (en dus niet het moment van sluiten van de overeenkomst). [36]
Van een uitgangspunt dat de wijzigingsbedingen oneerlijk zijn, kan immers niet gesproken worden. Het hof heeft overwogen dat de wijzigingsbedingen op zichzelf beschouwd het artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn bedoelde evenwicht aanzienlijk verstoren (rov. 4.21), maar de beoordeling of het beding oneerlijk is, mede laten afhangen van het cumulatieve effect van alle bedingen (rov. 4.22). Het hof heeft geconcludeerd dat de wijzigingsbedingen niet een zodanige verstoring van het evenwicht in het nadeel van de leningnemers veroorzaken – ondanks ook de mate waarin de wijzigingsbedingen niet transparant zijn – dat ABN AMRO niet te goeder trouw kon aannemen dat de leningnemers daarmee zouden hebben ingestemd als daarover op eerlijke wijze afzonderlijk zou zijn onderhandeld, en dat bezien in onderlinge samenhang met de overige bedingen de wijzigingsbedingen niet kunnen worden aangemerkt als oneerlijk (rov. 4.38).
subonderdeel 2.1en in het verlengde daarvan ook de daarop voortbouwende motiveringsklacht.
subonderdeel 2.1bedoelde maatstaf miskennen. Verder klaagt
subonderdeel 2.2.1dat het hof ten onrechte uitgaat van het perspectief van ABN AMRO en dat hij het risico dat de omstandigheden zich na het sluiten van de overeenkomst op onvoorziene wijze kunnen ontwikkelen ten onrechte bij de leningnemers legt.
subonderdeel 2.1, falen zij om de hiervóór genoemde redenen. Ook overigens falen de klachten van het subonderdeel, omdat het hof met juistheid is uitgegaan van de omstandigheden waarvan “
de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst.” [37]
subonderdelen 2.1 en 2.2.1falen, heeft SDB geen belang bij haar klacht tegen de overweging ten overvloede in rov. 4.27. In het midden kan daarom blijven of ABN AMRO deze stelling tijdig heeft ingenomen dan wel SDB de rechtsstrijd op dit punt heeft aanvaard, en of het hof kon deze stelling als onweersproken kon aannemen. De klacht van
subonderdeel 2.2.2faalt daarom.
(ii) Andere hypotheekvormen (met vaste dan wel variabele rente) die ABN AMRO en/of andere kredietaanbieders aanbieden, zijn wezenlijk duurder dan Euriborhypotheken.
(iii) Geen enkele Nederlandse hypotheekverstrekker biedt nog Euriborhypotheken aan.
(iv) Een nieuw hypothecair krediet met vaste looptijd leidt tot kosten (hertaxatie, afsluitprovisie, hypotheek en notariskosten) en sterk verhoogde maandlasten.
(v) Kredietnemers kunnen feitelijk buiten staat zijn om de kredietovereenkomst te beëindigen en naar een andere geldverstrekker over te stappen, bijvoorbeeld ten gevolge van wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden, inkomenstoetsing, en toepassing van hypotheekverstrekkingsnormen in relatie tot de waardeontwikkeling van het onderpand.
vanwege een slechts gering aantal aanbieders van gelijksoortigeproducten”. Wel heeft de stelling onder (iv) op het punt van de kosten van een overstap betrekking op “
de aard van het product”, maar het hof weegt dit punt verderop in rov. 4.26 uitdrukkelijk mee.
Ook de overige stellingen zijn door het hof beoordeeld: stelling (i) in rov. 4.30; stellingen (ii) en (iii) alsmede stelling (iv) ten aanzien van de verhoogde maandlasten in rov. 4.31-4.32 en 4.37; en stelling (v) in rov. 4.27. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof niet op deze stellingen heeft gerespondeerd, mist het feitelijke grondslag.
Subonderdeel 2.3faalt daarom.
eerst [zal] onderzoeken of de wijzigingsbedingen onder de in de Bijlage genoemde bedingen vallen” (rov. 4.13), waarna het hof oordeelt dat “
[d]e wijzigingsbedingen kwalificeren (…) als bedingen bedoeld in 1.j) van de Bijlage” (rov. 4.14-4.15). Vervolgens overweegt het hof dat het de vraag gaat onderzoeken “
of de wijzigingsbedingen – in aanmerking nemend (a) dat zij onder categorie 1.j) van de bijlage bij Richtlijn 93/13 vallen (…) – oneerlijk geacht moeten worden (…)” (rov. 4.19). Nadat het hof heeft geoordeeld dat het beëindigingsrecht en het omzettingsrecht geen louter formele rechten zijn, overweegt hij dat het er vervolgens op aan komt of het beëindigingsrecht, samen met het omzettingsrecht, voldoende gewicht in de schaal kan leggen om de wijzigingsbedingen niet oneerlijk te achten, en vervolgens: “
Daarbij moet, gelet op het voorgaande, ervan worden uitgegaan dat de wijzigingsbedingen op de indicatieve lijst voorkomen.” (rov. 4.34). Uiteindelijk komt het hof “
[t]egen voormelde achtergrond en alles overziend” tot de conclusie dat de wijzigingsbedingen niet oneerlijk zijn en geeft het hof zijn afweging weer (rov. 4.38). Uit deze overwegingen volgt dat het hof het feit dat wijzigingsbedingen voorkomen op de indicatieve lijst, heeft laten meewegen. Redelijkerwijs valt niet in te zien wat het hof nog meer had moeten doen om de indicatieve lijst in zijn beoordeling te trekken.